DEEL I - INLEIDING:
Begrip en grondslagen:
Arbeidsrecht = geheel van rechtsregels die betrekking hebben op het
verrichten van arbeid op de arbeidsmarkt en tot doel hebben de
menselijke waardigheid en sociale rechtvaardigheid te bevorderen.
Belang van arbeid in de samenleving:
11 miljoen Belgen hoeveel werken hiervan tegen een vergoeding?
- Statistieken: 5 miljoen mensen tegen een vergoeding actief op de
arbeidsmarkt
Dit is minder dan de helft van de bevolking (!)
Ongeveer 400.000 studenten en één miljoen scholieren
- Ongeveer één miljoen zelfstandigen, doorgaans is het
arbeidsrecht niet op hen van toepassing (krijgen bv. geen
pensioen)
- Ongeveer 500.000 ambtenaren hebben geen
arbeidsovereenkomst, dus niet elk deel van het arbeidsrecht is op
hen van toepassing
- Uiteindelijke resultaat = 3,5 miljoen werknemers in België actief
We willen dat zoveel mogelijk mensen werken, zodat er zo min
mogelijk uitkeringen gegeven moeten worden aan niet-werkenden:
- Gepensioneerden krijgen een inkomen van de sociale zekerheid,
dit is erg veel geld dat gegenereerd moet worden om dit waar te
kunnen maken
- Geld dat binnenkomt via de werkende bevolking is welvaart dat
gegenereert wordt, maar deel wordt naar overheid overgeheveld
en herverdeeldheid (sociale zekerheidsfinancering)
Traditionele grondslag: arbeidsprestaties in ondergeschikt verband
Nu: regelingen waarin element ondergeschiktheid minder relevant is
(bv. vormen zelfstandige arbeid, waar ‘afhankelijkheid’ i.p.v.
‘ondergeschiktheid’ geregeld is)
Antidiscriminatierecht is van toepassing op alle vormen van
arbeidsbetrekkingen
Arbeidsrecht is een antwoord op de ongelijkheid in de arbeidsverhouding
of op de ongelijkheid op de arbeidsmarkt.
Dubbele ongelijkheid op de arbeidsmarkt:
Feitelijke ongelijkheid: een marktongelijkheid, ongelijkheid in de
onderhandelingspositie van werknemer en werkgever bij aangaan
arbeidsrelatie
1
, - Eerste primaire ongelijkheid in de maatschappij in 19 de eeuw:
werkgever heeft economische machtspositie veroorzaakt door
marktwerking
Economische superioriteit van werkgever: in geval van
contractsvrijheid kan dit omgezet worden in een juridische
machtspositie
Twee redenen waarom arbeidsrecht moet ingrijpen: minimale
bescherming tegen economische ongelijkheid +
arbeidsvoorwaarden opleggen waarover men niet kan
onderhandelen en die dus vast liggen
Juridische ongelijkheid: werknemer bevindt zich in een
ondergeschikte positie o.b.v. een vrij aangegane overeenkomst
- Werkgever heeft juridisch gezag t.a.v. werknemer: juridisch
erkende bevoegdheid als werkgever om over een werknemer
‘baas’ te spelen
Bevelen en instructies geven tijdens arbeidtijd
Vraagt correctiemechanismen om ervoor te zorgen dat er geen
machtsmisbruik plaatsvindt arbeidsrechtelijke regels
Twee manieren in het arbeidsrecht om in te grijpen op de ongelijkheid:
1. Wetgever grijpt in via dwingende regels: niet-onderhandelbaar, door
de wetgever opgelegd aan de partijen veel arbeidsregels in de
wet ingeschreven, over wat kan men dan nog onderhandelen?
kleine onderhandelingsmarge, wetten zijn automatisch van
toepassing op de arbeidsrelatie
2. Vakbonden geven mogelijkheid aan werknemers om zich te
organiseren en vervolgens met hele groep te onderhandelen met
werkgever: economische ongelijkheid gecompenseerd door
onderhandeling evenwichtige afspraken in collectieve
arbeidsovereenkomst (geen wet, maar hoge wettelijke erkenning)
Hieruit kan een functie van het arbeidsrecht afgeleid worden, namelijk het
dienen als ‘tegengewicht’ t.a.v. de superieure positie van de werkgever
(beschermend recht).
Niet eenzijdig: ook belang van de werkgever + belang van de
arbeidsmarkt of het bredere maatschappelijk belang in aantal gevallen.
Historische wortels:
1. Franse Revolutie: referentiepunt
- Vrijheid van nijverheid en arbeid o.b.v. vrijheids- en
gelijkheidsideaal
- Decreet d’Allarde: verbod van gilden eind 18de eeuw wou men
af van de gilden, werk was geregeld per beroepsgroep (met eigen
interne regels)
- Wet Le Chapelier: verbod op vrije vakvereniging
2
, 2. Code Civil: arbeidsrelatie als ‘huur van werk’ gesteund op principiële
gelijkheid van partijen en op hun wilsautonomie
- Burgerlijk Wetboek 1804 ging uit van contractsvrijheid
(Napoleontische visie)
- Nog geen arbeidsrecht in 1804 ‘markt en economie’ waren vrij
van arbeidsrechtelijke regels en overheidsinterventie
Werkgever kon met werknemer op volledig vrije manier
onderhandelen over arbeidsvoorwaarden industriële
revolutie
3. Eerste arbeidsrechtelijke wetgeving: discrepantie van idee vrije en
gelijke contractspartijen 19de-eeuwse realiteit
4. 20ste eeuw: meer alomvattende regelingen (bv.
Arbeidsongevallenwet)
- Internationale normering: Verdrag van Versailles (1919) tot
oprichting van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO)
5. Arbeidsovereenkomstenwetten: eerste wet wet van 10 maart
1900
- Voorrang van wil van partijen op de in de wet voorziene
bescherming
- Initieel slechts van toepassing op werklieden, niet op bedienden
6. Collectief overleg: belangrijke impuls voor vakbewegingen
7. Sociaal Pact (1944): basis voor collectieve arbeidsverhoudingen van
vandaag
8. Wet van 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten
- Vandaag nog steeds referentie voor individuele
arbeidsovereenkomstenrecht
- Wens eenmaking juridische statuut van verschillende categorieën
werknemers
9. Deregulering in 1980’s (tot 21ste eeuw): verlangen om arbeidsrecht
te dereguleren of te versoepelen flexibiliteit van arbeidsrechtelijke
regelingen
10. Europese Unie: gemeenschapshandvest van sociale
grondrechten van werkenden + ‘sociaal hoofdstuk’ in VWEU
- Discussies over hervorming van arbeidsrecht: spanning tussen
sociale dimensie van Europa interne markt en economische
dimensie
- Europese Pijler van Sociale Rechten (niet rechtstreeks
afdwingbaar)
11. Global Commission on the future of work door ILO discussies
over werk:
- Probleem: arbeidsrecht nog geschreven voor klassieke industriële
setting
Steeds nieuwere vormen arbeid + nieuwe uitdagingen (bv.
globalisering, technologische ontwikkeling en andere
maatschappelijk evoluties)
12. Wet 05/03/2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk
initiatief voor modern arbeidsrecht op Belgisch niveau
13. “Arbeidsdeal” (2022): recht op deconnectie, betere combinatie
werk en privéleven, mogelijkheid tot invoering vierdagen werkweek,
opleidingsrecht, bevorderen van transities en inzetbaarheid i.g.v.
3
, ontslag, wettelijk vermoeden van arbeidsovereenkomst bij
platformarbeid
Grondslagen van het arbeidsrecht:
Belang: onder impuls van ontwikkelingen en uitdagingen, arbeidsrecht
terug naar grondslagen brengen, om van daaruit weer weg te vinden voor
zinvolle invulling.
Grondslagen van het arbeidsrecht:
Arbeid is geen koopwaar één van de meest oorspronkelijke en
fundamentele beginselen van arbeidsrecht (opgenomen in Verdrag
van Versailles)1
Menselijke waardigheid ideologische grondslag (Immanuel Kant)
Sociale rechtvaardigheid opgenomen in Verdrag van Versailles
Markteconomie arbeidsrecht gezien als correctie op
vrijemarktprincipes, maar ook als exponent van
machtsverhoudingen in een vrije markt
Sociaal beleid economie heeft immers tot doel om welzijn van
mens en maatschappij te bevorderen
De inbedding van het arbeidsrecht in het sociaal recht:
Twee grote delen in sociaal recht: arbeidsrecht socialezekerheidsrecht
‘Sociaal’ in sociaal recht kan historisch verklaard worden sociale
kwestie
- Idee dat de vrijheidsgedachte in 19e eeuw een voedingsbodem
was voor uitbuiting (= sociale kwestie) sociaal recht om daar
antwoord op te bieden
Niet overal gebruikt: wel in België, Nederland en Frankrijk niet in
Duitsland, Verenigd Koninkrijk en andere Angelsaksische landen
(strikte scheiding)
Samenhang en verscheidenheid:
- Afzonderlijke benadering (ratio): eigen en volwaardige
rechtsgebieden, eigen structuren, principes, context en dynamiek
- Samenhang (ratio): gedeelde historische wortels en
overlappingen
Voorbeeld: werknemer die arbeidsprestaties verricht, zal met
zowel arbeidsrecht als socialezekerheidsrecht te maken krijgen
De inbedding van het arbeidsrecht in het burgerlijk recht:
Samenhang en interactie: arbeidsrecht als reactie op premissen van oud
Burgerlijk Wetboek en sociale wantoestanden wegens ruime
contractsvrijheid + arbeidsrelatie steunt op ‘overeenkomst’ uit burgerlijk
recht (!)
1
Geen koopwaar, maar ook koopwaar, toch in zekere zin. Er is een economische waarde
of ruilwaarde, maar het kan niet los worden gedacht van de mens die de arbeid verricht.
4