Management: semester 1 (2025)
● Module 1: Inleiding tot management & organisatie
Manager
= Iemand die samenwerkt met anderen en daarin een coördinerende en leidinggevende taak
heeft, met als oogmerk de doelstelling(en) van de organisatie te verwezenlijken.
- manager → stuurt een team/ afdeling aan
- CEO → is een manager, maar met meer verantwoordelijkheid
Organisatieniveaus
1. Topmanagers
= Zijn verantwoordelijk voor het definiëren van doelstellingen en het nemen van beslissingen
die van invloed zijn op de organisatie als geheel.
→ CEO, COO, managing director
2. Middenmanagers
= Deze mensen geven leiding aan en coördineren het werk van de lagere managers
→ afdelingshoofd, projectleider, productieleider, divisiemanager
3. Lagere managers
= Deze mensen geven leiding aan en coördineren het werk van de ‘gewone’ medewerkers
die de producten of diensten van de organisatie realiseren.
→ productmanager, kantoormanager, teamleider, (chef)
4. uitvoerend personeel
= Degenen die verantwoordelijk zijn voor het maken van het product van de organisatie.
→ productiemedewerkers, verkopers, administratief personeel
Management
= het proces van leidinggeven aan, en het coördineren van werkzaamheden, zodat deze
efficiënt en effectief met en door anderen kunnen worden uitgevoerd.
Efficiënt
= De grootste output verkrijgen uit een
zo laag mogelijke input, de dingen goed
doen. (iets doen met zo min mogelijk
middelen)
Effectief
= De werkzaamheden doen die de
organisatie helpen haar doelen te
bereiken. (de juiste dingen doen)
1
,4 functies van management
1. plannen
= doelen stellen, strategieën bepalen en plannen ontwikkelen.
2. organiseren
= het werk organiseren en structureren.
3. leiding geven
= werken met en via mensen.
4. controleren
= vaststellen of de dingen volgens planning zijn verlopen.
Elke manager voert elke functie uit, vaak meerdere op één dag.
Het managementproces
= Het voortdurend nemen van beslissingen en het ontplooien van activiteiten tijdens het
plannen, organiseren, leidinggeven en controleren.
Managementrollen (volgens Henry Mintzberg)
1. Intermenselijke rollen
= Met je team kunnen omgaan; aansturen van de medewerkers
→ aanspreekpunt, leider
2. Informatieve rollen
= Omvatten het ontvangen, verzamelen en verspreiden van informatie
→ monitor, verspreider, zegsman
3. Beslissingsrollen
= Deze rollen hebben te maken met het maken van keuzes.
→ ondernemer, probleemoplosser, onderhandelaar.
Managementvaardigheden
1. conceptuele vaardigheden (conceptual skills)
= vermogen om abstract te denken, strategieën te ontwikkelen en het grotere geheel te zien
→ vooral belangrijk voor top- en hoger management
2. menselijke vaardigheden (interpersonal skills)
= vermogen om goed met mensen om te gaan, te motiveren, te
communiceren en conflicten op te lossen.
→ voor alle niveaus belangrijk
3. technische vaardigheden (technical skills)
= kennis van en vaardigheid in specifieke taken, technologieën
…
→ belangrijk voor lager management en uitvoerend personeel
2
,Omgaan met verandering
ingrijpende evoluties: - social media
- duurzaamheid
- (technische) innovatie
- digitalisering en AI
(meer voorbeelden in het boek p.22)
Organisatie
= een geheel waarin mensen op een doelbewuste manier bij elkaar zijn gebracht om
bepaalde doelstellingen te verwezenlijken.
➡ 3 voorwaarden
3
, 5 voorbeelden over hoe organisatie verandert
→ Een organisatie is pas een bedrijf, als de organisatie als doel heeft winst te maken.
Commerciële organisaties
Doel: winst maken voor eigenaren of aandeelhouders.
Voorbeelden: Apple, Shell, en H&M.
Kenmerken: gericht op verkoop van producten of diensten, winstmarges, marktaandeel
vergroten
Social- profit organisaties
Doel: sociaal, educatief, cultureel of humanitair doel.
Voorbeelden: Rode Kruis, Greenpeace, lokale sportverenigingen.
Kenmerken: winst wordt geherinvesteerd in de missie, afhankelijk van donaties en
subsidies.
Overheidsorganisaties
Doel: publieke diensten leveren en algemeen belang behartigen.
Voorbeelden: gemeentes, ministeries, politie.
Kenmerken: gefinancierd door belastinggeld, verantwoording schuldig aan burgers en
overheid.
Coöperaties
Doel: diensten en voordelen bieden aan leden.
Voorbeelden: Rabobank, Cera, CoopStroom, Arco.
Kenmerken: eigendom en beheer door leden, winstdeling onder leden.
4
● Module 1: Inleiding tot management & organisatie
Manager
= Iemand die samenwerkt met anderen en daarin een coördinerende en leidinggevende taak
heeft, met als oogmerk de doelstelling(en) van de organisatie te verwezenlijken.
- manager → stuurt een team/ afdeling aan
- CEO → is een manager, maar met meer verantwoordelijkheid
Organisatieniveaus
1. Topmanagers
= Zijn verantwoordelijk voor het definiëren van doelstellingen en het nemen van beslissingen
die van invloed zijn op de organisatie als geheel.
→ CEO, COO, managing director
2. Middenmanagers
= Deze mensen geven leiding aan en coördineren het werk van de lagere managers
→ afdelingshoofd, projectleider, productieleider, divisiemanager
3. Lagere managers
= Deze mensen geven leiding aan en coördineren het werk van de ‘gewone’ medewerkers
die de producten of diensten van de organisatie realiseren.
→ productmanager, kantoormanager, teamleider, (chef)
4. uitvoerend personeel
= Degenen die verantwoordelijk zijn voor het maken van het product van de organisatie.
→ productiemedewerkers, verkopers, administratief personeel
Management
= het proces van leidinggeven aan, en het coördineren van werkzaamheden, zodat deze
efficiënt en effectief met en door anderen kunnen worden uitgevoerd.
Efficiënt
= De grootste output verkrijgen uit een
zo laag mogelijke input, de dingen goed
doen. (iets doen met zo min mogelijk
middelen)
Effectief
= De werkzaamheden doen die de
organisatie helpen haar doelen te
bereiken. (de juiste dingen doen)
1
,4 functies van management
1. plannen
= doelen stellen, strategieën bepalen en plannen ontwikkelen.
2. organiseren
= het werk organiseren en structureren.
3. leiding geven
= werken met en via mensen.
4. controleren
= vaststellen of de dingen volgens planning zijn verlopen.
Elke manager voert elke functie uit, vaak meerdere op één dag.
Het managementproces
= Het voortdurend nemen van beslissingen en het ontplooien van activiteiten tijdens het
plannen, organiseren, leidinggeven en controleren.
Managementrollen (volgens Henry Mintzberg)
1. Intermenselijke rollen
= Met je team kunnen omgaan; aansturen van de medewerkers
→ aanspreekpunt, leider
2. Informatieve rollen
= Omvatten het ontvangen, verzamelen en verspreiden van informatie
→ monitor, verspreider, zegsman
3. Beslissingsrollen
= Deze rollen hebben te maken met het maken van keuzes.
→ ondernemer, probleemoplosser, onderhandelaar.
Managementvaardigheden
1. conceptuele vaardigheden (conceptual skills)
= vermogen om abstract te denken, strategieën te ontwikkelen en het grotere geheel te zien
→ vooral belangrijk voor top- en hoger management
2. menselijke vaardigheden (interpersonal skills)
= vermogen om goed met mensen om te gaan, te motiveren, te
communiceren en conflicten op te lossen.
→ voor alle niveaus belangrijk
3. technische vaardigheden (technical skills)
= kennis van en vaardigheid in specifieke taken, technologieën
…
→ belangrijk voor lager management en uitvoerend personeel
2
,Omgaan met verandering
ingrijpende evoluties: - social media
- duurzaamheid
- (technische) innovatie
- digitalisering en AI
(meer voorbeelden in het boek p.22)
Organisatie
= een geheel waarin mensen op een doelbewuste manier bij elkaar zijn gebracht om
bepaalde doelstellingen te verwezenlijken.
➡ 3 voorwaarden
3
, 5 voorbeelden over hoe organisatie verandert
→ Een organisatie is pas een bedrijf, als de organisatie als doel heeft winst te maken.
Commerciële organisaties
Doel: winst maken voor eigenaren of aandeelhouders.
Voorbeelden: Apple, Shell, en H&M.
Kenmerken: gericht op verkoop van producten of diensten, winstmarges, marktaandeel
vergroten
Social- profit organisaties
Doel: sociaal, educatief, cultureel of humanitair doel.
Voorbeelden: Rode Kruis, Greenpeace, lokale sportverenigingen.
Kenmerken: winst wordt geherinvesteerd in de missie, afhankelijk van donaties en
subsidies.
Overheidsorganisaties
Doel: publieke diensten leveren en algemeen belang behartigen.
Voorbeelden: gemeentes, ministeries, politie.
Kenmerken: gefinancierd door belastinggeld, verantwoording schuldig aan burgers en
overheid.
Coöperaties
Doel: diensten en voordelen bieden aan leden.
Voorbeelden: Rabobank, Cera, CoopStroom, Arco.
Kenmerken: eigendom en beheer door leden, winstdeling onder leden.
4