DEEL 1: CELLEER
1. Bouw en functie van de cel
ROBERT HOOKE: ‘cellen’: hokjes in een stukje kurk
alle organismen bestaan uit cellen
cellen bestaan uit:
1) begrenzing/celmembraan
2) geleiachtige inhoud met nucleïnezuren = DNA (desoxyribonucleïnezuur)
→ belangrijke rol bij het bepalen wat de cel kan en doet
1.1. Bouw
cellen met dezelfde vorm en functie liggen bij elkaar in een weefsel
organen bestaan uit verschillende soorten weefsels
bij ingewikkeld gebouwde organismen (mens) zijn organen
verbonden tot een organenstelsel met een eigen taak
bv: maagdarmstelsel, zenuwstelsel, hormoonstelsel
binnen een cel: cellen bezitten organellen, nog kleinere eenheden
zijn moleculen, die bestaan uit meerdere atomen
1.1.1. Celschema
cellen hebben een algemeen bouwplan, maar ze vertonen ook verschillen
→ omdat elke cel zijn eigen functie heeft en daaraan zo goed mogelijk is aangepast
cellen bevatten:
● cytoplasma
○ grondplasma (geleiachtige vloeistof + eiwitten, vetten, suikers, mineralen)
○ organellen (zoals celkern, mitochondriën, lysosomen)
● omgeven door een celmembraan
extra bij plantaardige cellen:
● celwand rond het celmembraan
● bladgroenkorrels/chloroplasten in het cytoplasma
1
, 1.1.2. Celorganellen en hun functies
celorganellen zijn de onderdelen van de cel
eukaryote cel: belangrijke celorganellen
eukaryote cel: functies van de celorganellen
NUCLEUS (CELKERN)
→ alle eukaryote cellen hebben een celkern (onderscheid van prokaryote cel)
celkern bestaat uit chromosomen die steeds gekopieerd
worden en daarna aan dochtercellen doorgegeven worden
(verantwoordelijk voor erfelijke eigenschappen)
elk chromosoom bestaat uit een complex van DNA en eiwitten
● cel die niet deelt: chromatine (lange dunne draden)
● cel die wel deelt: draden rollen op tot staafjes
binnen de celkern ook een nucleolus/kernlichaam
→ rol bij de aanmaak van ribosomen
rond het kernplasma zit een kernmembraan/dubbelmembraan
in het kernmembraan bevinden zich de kernporiën
→ laat grote moleculen binnen en buiten
2
,MITOCHONDRIËN
→ in eukaryote cellen wordt de energie uit voedsel omgezet in ATP (adenosinetrifosfaat)
ATP fungeert als een opgeladen accu en wordt gemaakt in de mitochondriën
mitochondriën: “de kerncentrale van de cel” bestaat uit:
● dubbelmembraan
● grondplasma
● DNA
● enzymen
→ maken het mogelijk om energie uit voedsel om te zetten in ATP
● grondstoffen voor ATP
→ nml ADP (adeninedifosfaat) en P (fosfaat)
RIBOSOMEN EN ENDOPLASMATISCH RETICULUM
ribosomen: vertalen info uit de celkern in eiwitten
ribosomen zijn zelf ook eiwitten DUS is er in de celkern ook
info opgeslagen om eiwitten te maken
in het cytoplasma komen ribosomen voor als:
1) losse bolletjes (soms klontjes)
2) gebonden aan een systeem van membranen (ER)
dat membranensysteem staat in verbinding met andere
celorganellen
→ zorgt voor het transport van stoffen binnen de cel
op het ruw ER liggen veel ribosomen
ruw ER: veel ribosomen
→ groot deel eiwitsynthese: gebeurt aan het ER oppervlak (het ruwe ER)
glad ER: weinig ribosomen, maar bevat vele enzymen
enzymen die actief zijn in de cel werken niet wanneer ze vrij
ronddrijven in het cytoplasma, dus moeten ze een associatie
aangaan met een membraan, het glad ER
bv: voor de aanmaak van koolhydraten en lipiden
3
, GOLGI-SYSTEEM EN LYSOSOMEN
golgi-apparaat = organel dat bestaat uit op elkaar gestapelde membranen waaruit door afsnoering
blaasjes kunnen ontstaan
functie: stoffen afkomstig van het ER bewerken en opslagen
1) ER stuurt stoffen naar het golgi-apparaat
2) golgi-apparaat bewerkt en slaagt de stoffen op (voor bewerking veel enzymen aanwezig)
3) na bewerking worden de stoffen weer afgevoerd (voor transport/exocytose → gebruik van blaasjes)
lysosomen = blaasjes met enzymen die stoffen kunnen afbreken
functie:
● versmelten met voedselvacuolen
● inhoud buiten de cel afgeven (= exocytose) > “opruimers”
CYTOSKELET
cel krijgt vorm en beweeglijkheid door de celmembraan en het cytoplasma
→ maar OOK door eiwitdraden die aan de celmembraan en celorganellen vastzitten
=> eiwitstructuur vormt cytoskelet/celskelet
functie: cellen heel lang maken
bv: zenuwcellen
4