Dimensie 1
Alle ‘kaders’ - Biologisch/medisch kader (leeftijd, dood, geslacht,
seksuele voorkeur, zwangerschap, gezondheid…)
- Financieel/materieel kader (inkomen, tewerkstelling en
materiele mogelijkheden, huisvesting)
- Wettelijk/juridisch kader (burgerlijk statuut,
nationaliteit, voogdij, veroordelingen…)
- Economisch en ecologisch kader (socio-economische
status, klimaat, natuurrampen…)
- Sociologisch en cultureel kader (kinderen, gender,
migratie achtergrond…)
- Historisch kader (life-events, tijdsvak,
wereldgebeurtenissen…)
- Religieus en spiritueel kader (geloofsovertuigingen,
levensfilosofie…)
Feiten Objectieve gegevens die echt waar zijn en gebeurtenissen die in
de werkelijkheid hebben plaatsgevonden
Kruispuntdenken Niet enkel kijken naar de kwetsbare identiteit, wel naar de
verschillende deelidentiteiten
Genogram Schematisch overzicht van verwantschappen, feitelijke
samenstelling van een gezin en de ruimere familie over
generaties heen
Dimensie 2
Psychologische aspect Wat zich IN de mens afspeelt (persoonlijkheid, karakter,
behoeften, overlevingsmechanismen, verlangens…)
Dimensie 3
Relatie De draad die gevormd wordt tussen mensen door een
wederzijdse uitwisseling van alles wat je samen deelt of niet
deelt
Systeem denken Kijken naar wat er tussen mensen gebeurt, kijken wat zich
afspeelt in het hier en nu, kijken naar zichtbare gedrag en
communicatie
Circulair denken Geheel van interacties, er is een constante beïnvloeding tussen
mensen: oorzaak, gevolg, oorzaak, gevolg, oorzaak, gevolg…
Oorzaak-gevolg denken/ Een manier van redeneren die de mens eigen is: A oefent een
lineair denken invloed uit op B (oorzaak), B ondergaat deze invloed en
verander erdoor (gevolg)
Een systeem Een eenheid, opgebouwd uit deelverhoudingen. Het gaat niet
alleen om de delen op zich, ook niet alleen om het geheel, maar
- Open,
om de betrekkingen tussen dit alles (een afgebakend geheel)
- gesloten,
- geïsoleerd - open: er is sprake van constante input en output van
informatie
, - gesloten: er is geen of beperkte uitwisseling met de
omgeving (houden buitenstaanders graag op afstand)
- geïsoleerd: geheel afgesloten van de omgeving, er kan
geen info of energie in of uit
Interactiepatroon Als er iets gebeurt, volgt er telkens een bepaalde reactie op
De kenmerken van een - gezamenlijk doel: weten waarom een systeem
goed systeem bestaat en zich hiernaar organiseren
- afhankelijkheid: elkaar nodig hebben binnen het systeem
- tijd: de hoeveelheid tijd die mensen met elkaar
doorbrengen heeft invloed op de werking van het
systeem
- structuur: rolverdeling, posities binnen het systeem
- organisatie: hoe het systeem wordt georganiseerd,
de routines en verantwoordelijkheden
- emotionele band: emotioneel betrokken voelen bij het
systeem
Totaliteit: niet Een systeem is geen optelsom van de situatie van de
optelbaarheid afzonderlijke leden, totaliteit is een eigenschap die boven de
eigenschappen van de afzonderlijke leden uitgaat
Totaliteit: niet Leden van een systeem zijn voortdurend in interactie met
eenzijdigheid elkaar, we kunnen niet ontkomen aan deze onderlinge
beïnvloeding. Het heeft geen chronologische volgorde: het
verloopt wederkerig en tegelijkertijd
Evenwicht: spelregels Wat kan en wat niet kan
- expliciet: duidelijk omschreven afspraken, vaak over
onderhandeld
- impliciet: vanzelfsprekende gedragspatronen
Evenwicht: homeostase Evenwicht kunnen behouden met het voortdurend moeten
aanpassen aan de veranderingen in de omgeving, zich hieraan
kunnen aanpassen zonder dat het wij-gevoel verandert
Meegroeiend/dynamisch Het evenwicht verandert binnen een bepaalde marge zonder
evenwicht zijn evenwicht te verliezen
Evenwicht: feedback Informatie over het functioneren binnen een systeem
- positief: stimuleert verandering in de homeostase
(teveel aan verandering)
- negatief: leidt tot behoud van de homeostase
(veranderingen tegengaan)
Equifinaliteit Verschillende factoren kunnen leiden tot eenzelfde uitkomst
(B/C/D A)
Multicausaliteit Meerdere factoren samen dragen bij aan een eenzelfde situatie
(B+C+D A)
Multifinaliteit Een bepaalde factor of begintoestand kan leiden tot
verschillende eindresultaten, gedragingen of problemen
(A B/C/D)
Structuur Een noodzakelijke onderverdeling van mensen waarin een
hiërarchie van functies is. Daarom moeten er ook grenzen zijn en
is er nood aan flexibiliteit om een systeemwijziging te kunnen
doorstaan