1. Situering in ruimte en tijd
1.1. Geografische situering
Op onderstaande foto staat een geografische kaart van West-Azië waarop zeeën, meren, rivieren, woestijnen,
bergen… te zien zijn. Op de kaart is ook Mesopotamië (cirkel) te zien, een naam van Griekse oorsprong: meso
(tussen) en potamos (rivier) betekenen letterlijk ‘tussen de rivieren’ en wordt, omdat het tussen de Eufraat
en Tigris ligt, ook wel het tweestromenland genoemd. Mesopotamië werd historisch bepaald door natuurlijke
grenzen: in het zuiden de Perzische Golf, in het noorden het Taurusgebergte, in het oosten het Zagrosgebergte
en in het westen de woestijngebieden van Syrië en Arabië & wordt op basis van neerslag opgesplitst in Noord-
Mesopotamië (Assyrië) en Zuid-Mesopotamië (Babylonië), met modern Baghdad als geografisch middelpunt.
Om aan landbouw te doen moet er minstens 200 mm per jaar neerslag vallen. Ondanks de vele culturen en
talen vormde het spijkerschrift de gemeenschappelijke basis, waardoor we spreken van ‘spijkerschriftcultuur’.
Assyrië
Babylonië
De term Sumer verwijst naar een niet-Semitische bevolking en
naar de regio Zuid-Babylonië, dat historisch vooral bekend is uit
het 3de millennium voor Christus. De regio is gekenmerkt door
verschillende stadstaten bv. Ur, Uruk…, die cultureel/religieus
verbonden waren door een band rond de stad Nippur. De taal
van de Sumeriërs was niet-Semitisch, namelijk het Sumerisch.
Akkad is zowel geografisch als taalkundig van betekenis: rond
2400 v.C. stichtte Sargon I de stad Akkad en introduceerde hij
het Akkadische Rijk. Sargon I sprak Akkadisch (Semitische taal),
dat hij tot de administratieve taal maakte, en waarmee hij de
macht van de Sumerische stadstaten terugdrong. Dit Akkadisch
Rijk wordt traditioneel gezien als het eerste Rijk/Imperium ooit.
, 1.2. Situering in tijd
Samuel Kramer betoogt in zijn ‘History Begins at Sumer’ dat veel thema’s
uit de westerse cultuur voor het eerst in geschreven bronnen voorkomen
in het Sumerisch. De oudste kleitabletten met spijkerschrift dateren rond
3000 v.C., waardoor hij de geschiedenis van geschreven bronnen bij Sumer
laat beginnen. Over het einde van de geschiedenis van Mesopotamië is er
echter minder eensgezindheid. In het boek ‘The Ancient Near East’ plaatst
Amélie Kuhrt het einde rond 330 v.C., gekoppeld aan Alexander de Grote
zijn inval in Babylon en de Westerse opvatting dat daarmee de klassieke
spijkerschriftcultuur definitief ten einde kwam. In zijn ‘A History of the
Ancient Near East’ kiest Marc Van de Mieroop voor 323 v.C., het jaar van
Alexanders dood, als einddatum. Hiertegen plaatste Paul-Alain Beaulieu
een andere uitgangspositie, want ‘A History of Babylon’ behandelt enkel
de geschiedenis van Babylonië die hij laat beginnen in 2200 v.C. en eindigt
in 75 na Christus. Het laatste kleitablet in spijkerschrift, een astronomisch
verslag over planeten, verduisteringen, kalender…, is namelijk in dat jaar
te dateren. Dit illustreert dat het spijkerschrift en de Akkadische taal nog
na Alexander de Grote voortleefde, maar hij wel een invloed gehad heeft.
2. Geschreven bronnenmateriaal
Voor de reconstructie van de Mesopotamische geschiedenis maken we vooral gebruik van primaire bronnen:
teksten in de oorspronkelijke taal en schrift, opgesteld ten tijde van de beschreven gebeurtenissen. Niet alle
bronnen zijn neutraal (geschiedschrijving, propaganda of fake news?), dus je moet steeds nagaan wie de pen
vasthield en welk belang erachter zat. Vaak gaat het om ‘history from above’, bronnen geschreven door en
over de elite, maar er bestaat ook ‘history from below’, bronnen die inzicht geven in het leven van de lagere
klassen. Het onderzoeksgebied is een open corpus: nieuwe vondsten en ontcijferingen blijven het bronnen-
bestand aanvullen en onze interpretaties bijstellen, in tegenstelling tot de Levant waarvan het corpus eerder
beperkt en secundair is. De belangrijkste geschreven bronnen zijn annalen, kronieken, koningslijsten & stèles.
2.1. Res Gestae (= annalen)
De Prisma van Sanherib is een kleien prisma uit de 8ste eeuw v.C. met op zes zijden de
annalen van de Assyrische koning Sanherib. De tekst is chronologisch gerangschikt per
regeringsjaar en in de 1ste persoon opgesteld. Elke zijde vermeldt de heldendaden van
koning Sanherib, zoals zijn campagne tegen Karduniash (Babylonië), waarbij de God
Ashur expliciet genoemd wordt & campagne tegen Hatti (het land van de Hettieten),
waar hij onder meer de steden Sidon en Akko veroverde en het gebied als vazalstaat
instelde. Ook zijn campagnes tegen de koningen van Amurru (het Westen) staan op
de Prisma vermeld, die niet werden afgezet maar onderworpen: ze moesten tribuut
brengen en koning Sanherib zijn voeten kussen. De koning van Ashkelon weigerde dit
echter, waarna zijn familie naar Assyrië werd gedeporteerd. Tenslotte beschrijven de
annalen de belegering van de stad Ekron tijdens het bewind van koning Hizkia in Juda.
, 2.2. Kronieken
Kronieken zijn korter dan annalen en worden in de 3de persoon geschreven, maar
worden echter ook chronologisch geordend. De Jeruzalem kroniek beschrijft per
regeringsjaar de heldendaden van de Babylonische koning Nebuchadnezzar II. De
belangrijkste uitreksels richten zich op zijn militaire campagnes. Van 605-604 v.C.
versloeg de kroonprins het Egyptisch leger bij de stad Karkemish (oversteekplaats
tussen Mesopotamië en Levant). Zowel Egypte als Babylonië streefden namelijk
naar invloed in de Levant, wat leidde tot deze confrontatie. Na zijn overwinning
stierf koning Nabopolassar en werd Nebuchadnezzar II koning van Babylonië. In
604-603 v.C. voerde hij campagne tegen Hatti (het land van de Hettieten) waar
hij de stad Ashkelon veroverde. Van 598-597 v.C. voerde hij campagne tegen het
Zuidrijk Juda, waarbij Jeruzalem na een belegering in 597 v.C. werd ingenomen.
Koning Jojachin en de elite werden naar Babylonië gedeporteerd (Babylonische
ballingschap), en er werd een vazalkoning aangesteld die tribuut moest betalen.
2.3. Koningslijsten
Op de foto staat een Babylonische koningslijst uit de Hellenistische periode, met
een opsomming van koningen en regeringsjaren van 323 v.C. tot de regering van
Antiochus IV Epiphanes (175-164 v.C.). Koning Demetrius II (145-125 v.C.) staat
vermeld op deze lijst, wat suggereert dat het document waarschijnlijk tijdens zijn
regering is gemaakt. Zulke koningslijsten, waarvan de Babyloniërs er vele hebben
gemaakt, tonen dat er culturele continuïteit bestond in de Hellenistische periode.
2.4. Stèles
De Kurkh stèle van de Assyrische koning Salmanasser III uit 853 v.C. beschrijft zijn
belangrijkste militaire campagnes en de buit die hij daarbij verwierf. Koning Achab
(Noordrijk Israël) staat vermeld als deelnemer van een anti-Assyrische coalitie van
twaalf koningen, waarin hij een belangrijke rol speelde. De coalitie vocht in 853 v.C.
tegen koning Salmanasser III in de Slag bij Qarqar. Hoewel de stèle spreekt van een
duidelijke Assyrische overwinning is dit betwistbaar, aangezien Salmanasser later
nog drie keer naar de Levant moest terugkeren. Op de kaart (ppt) tonen de groene
pijlen de route afgelegd door de coalitie, en de rode pijlen door de Assyriërs. In de
tabel (ppt) worden logistieke bijdragen van de verschillende koningen opgesomd,
waaruit blijkt dat Achab één van de belangrijkste bondgenoten van de coalitie was.
De Zwarte Obelisk van Salmanesser III vermeldt in zijn inscripties dat de Assyrische koning
in 841 v.C. tribuut ontving van koning Jehu van het huis van Omri. Het monument bevat
20 reliëfs, vijf langs elke zijde, waarop onderworpen koningen worden afgebeeld die eer
betonen aan Salmanesser III en zich voor hem neerwerpen. Een bekend reliëf op de stèle
toont koning Jehu terwijl hij de voeten van de Assyrische koning
kust. Bovenaan en onderaan de obelisk loopt een lange tekst in
spijkerschrift met de annalen van de koning, waarin de militaire
campagnes van hem en zijn opperbevelhebber staan opgesomd.
, 3. De Oud-Babylonische periode (2000-1595 v.C.)
3.1. Tijdsvakken
De geschiedenis van Mesopotamië kan je zowel politiek-cultureel als linguïstisch-tekstueel gaan indelen. Bij
politiek-cultureel spreken we tussen 3100-2100 v.C. over stadstaten, kort onderbroken door de heerschappij
van het Akkadische Rijk onder Sargon I. Tussen 2100-1000 v.C. spreken we over territoriale staten, waarbij
Mesopotamië bestond uit koninkrijken van aaneengesloten grondgebieden onder één koning en opgebouwd
uit meerdere steden. En ten slotte tussen 1000-300 v.C. spreken we over het ontstaan van grote imperia. Bij
linguïstisch-tekstueel zien we onder Sargon I een verandering van de administratieve taal, waarbij Akkadisch
het Sumerisch voor ca. 100 jaar verdrong & tegen ca. 2000 v.C. was het Sumerisch ‘dood’ en werd het slechts
gebruikt als culturele taal (zoals het Latijn in de middeleeuwen). Voor dit vak laten we de geschiedenis van
Mesopotamië beginnen 2000 v.C., omdat in die periode de wetgeving van Hammurabi in de Bijbel verschijnt.