Samenvatting Locomotie
Elise van Gool | Diergeneeskunde UU | Jaar 3, sem 1.
[2026]
,Inhoudsopgave
1 Het bouwplan ..................................................................................................................3
2 Voortbeweging ................................................................................................................4
3 Embryologie bewegingsapparaat......................................................................................5
4 Gewrichten .....................................................................................................................8
5 Sterkte en stevigheid...................................................................................................... 10
6 Fracturen ...................................................................................................................... 13
7 Calciumhuishouding ..................................................................................................... 18
8 Reactiepatronen ............................................................................................................ 20
9 Gewrichtsaandoeningen ................................................................................................ 28
10 Gegeneraliseerde botaandoeningen ............................................................................... 32
11 Osteochondrose............................................................................................................ 35
12 Spieren ......................................................................................................................... 40
13 Revalidatie .................................................................................................................... 50
14 Lage rugpijn ................................................................................................................... 53
15 Rotkreupel .................................................................................................................... 56
16 Kreupelheidsdiagnostiek ............................................................................................... 57
17 Farmacologie ................................................................................................................ 75
18 Pathologie ..................................................................................................................... 82
19 Ziekteleer ...................................................................................................................... 93
Pagina 2 van 115
,1 HET BOUWPLAN
Het bouwplan van diersoorten is relatief hetzelfde,
maar deze is aangepast aan de manier van bewegen.
Een vluchtdier is anders gebouwd dan een roofdier.
1.1 HET VOORBEEN
Mensen lopen op twee benen, maar veel dieren
lopen op 4 poten/benen. Om deze reden zijn er een
aantal aanpassingen gedaan aan de voorpoten. De
belangrijkste functie van de voorpoot is het opvangen
van schokken en het dragen van het lichaams-
gewicht.
Adaptaties aan het skelet van de voorpoot zijn:
1) Zijdelings afgeplatte thorax – hierdoor kan de scapula plat naast de thorax liggen.
2) Afwezigheid van sleutelbeen (clavicula) – (1) een sleutelbeen zou de range of motion van
de voorpoten beperken; (2) een sleutelbeen zou gemakkelijk breken omdat bij de landing
op de voorpoten het hele lichaamsgewicht erachteraan komt, spieren, ligamenten en
pezen kunnen dit veel beter opvangen.
3) Schouderblad (scapula) is verbonden d.m.v. synsarcosis
4) Verlenging van het voorbeen – de scapula kan gebruikt worden om het voorbeen te
verlengen, anders zouden voor- en achterbenen niet even lang zijn.
5) Reductie in bewegingsmogelijkheid van schouder- (articulatio humeri) en
ellebooggewricht (articulatio cubiti)
6) Reductie in het aantal (functionele) tenen
1.2 HET ACHTERBEEN
De hoofdfunctie van de achterbenen is stuwing/aandrijving. Je wil nu juist geen constructie met
spieren, want dat zou gaan innerveren en dat zorgt voor verlies van energie. Daarom is er hier
sprake van een stevige verbinding met de romp middels botten en gewrichten.
Adaptaties aan het skelet van de achterpoot zijn:
1) Sterke verbinding met de romp – middels het heupgewricht (articulatio coxae)
2) Aanpassingen voor passieve stabilisatie – zeker prooidieren hebben veel aanpassingen
om langdurig passief staan mogelijk te maken (passief sta-apparaat). Roofdieren brengen
veel tijd zittend/liggend door.
3) Reductie aantal tenen
4) Reductie gewicht – reductie van bepaalde botten om zo veel mogelijk gewicht te besparen
(fibula, griffelbeentjes)
Pagina 3 van 115
,2 VOORTBEWEGING
2.1 EVOLUTIE VAN BEWEGING
Lagere diersoorten maken undulerende bewegingen met lichaam; poten dienen als
ankerpunten. Lagere diersoorten hebben een zware schoudergordel (krokodil), bij
hogere dieren is die schoudergordel steeds minder aangelegd.
Bij de hogere dieren is er sprake van beweging in sagittale vlak, met flexie en extensie
van lendenwervels om achterhand ‘eronder’ te brengen. De paslengte wordt bepaald
door de lengte van het been en de mogelijkheid tot verlenging via flexie en extensie van
de wervelkolom.
In de evolutie wordt een draaiing van de extremiteiten gezien. Verandering van de
pootstand van reptielen (boven) naar zoogdieren (onder). Een vergelijkbare ontwikkeling
wordt gezien bij de pootknop van het zoogdierembryo. Eerst wijzen de tenen naar lateraal
en in de ontwikkeling gaan ze naar craniaal wijzen.
2.1.1 Ondervoeten
Snelheid is afstand per tijdseenheid, dus verlenging hand
en voet is efficiënt voor overleving, want dan ben je
sneller. Er zijn verschillende manieren van lopen:
zoolgangers (mens, beer), teengangers (hond, kat),
topteengangers (paard).
Pagina 4 van 115
,3 EMBRYOLOGIE BEWEGINGSAPPARAAT
3.1 AXIALE BEWEGINGSAPPARAAT
Het axiale bewegingsapparaat ontstaat
uit de somieten die zich axiaal
bevinden. Het axiale deel wordt
gekenmerkt door een segmentale
bouw. De somieten liggen langs de
neurale buis. Onder de neurale buis ligt
de chorda, dit is de eerste as van het
embryo en deze stuurt de vorming van
de neurale buis. Uit de somieten
ontstaan botten (sclerotoom) en
spieren (myotoom). Het sclerotoom wordt in tweeën gesplitst op het punt
waar de spinale zenuwen uit het ruggenmerg gaan treden. Vervolgens zal
het caudale deel versmelten met het craniale deel van het volgende
segment sclerotoom, zo vormen de wervels zich. Dit proces heet re-
segmentatie. Uiteindelijk wordt het craniale deel een wervellichaam (1),
en het caudale deel de wervelboog (2). De chorda zal de nuclei pulposi uit
de tussenwervelschijven gaan vormen.
Myotomen zijn verantwoordelijk voor
het vormen van alle spieren,
waaronder de epaxiale spieren en
hypaxiale spieren, waarbij epaxiaal
boven de wervels ligt en hypaxiaal
eronder. Het komt er hierbij op neer dat
epaxiaal de rug doet strekken
(extensie) en hol maakt en hypaxiaal
(flexie) de rug buigt en bol maakt.
3.2 APPENDICULAIRE BEWEGINGSAPPARAAT
Het basisbouwplan van het appendiculaire bewegingsapparaat is hetzelfde bij veel diersoorten.
Echter zijn er adaptaties naar functie (rennen, klimmen, vliegen, zwemmen).
Het appendiculaire deel van het bewegingsapparaat ontstaat uit het laterale plaatmesoderm. De
spieren van het appendiculaire bewegingsapparaat worden ook gevormd door de myotomen van
de somieten.
Het begin van de poot is de pootknop. De pootknop ontstaat als een uitstulping aan de zijkant van
het embryo. De binnenkant bestaat uit mesenchymcellen (losmazig bindweefsel), deze cellen
zijn afkomstig uit de laterale plaatmesoderm. De buitenkant is bedekt met ectoderm, de
buitenste kiemlaag van het embryo.
De proximo-distale (schouder → teen) as ontstaat doordat FGF10 (Fibroblast Growth Factor 10)
wordt uitgescheiden door de mesenchymcellen en is essentieel voor het opstarten van de
pootontwikkeling. Hier betekent "het ontbreken van Wnt" dat dit gebied niet bestemd is voor
rompontwikkeling, maar dus voor een poot. Hierdoor wordt het topje van deze knop verdikt, wat
Pagina 5 van 115
, we AER (apicale ectodermale richel)
noemen. AER induceert de proliferatie
van het onderliggende mesenschym
wat lengtegroei geeft. Naarmate de
AER weggroeit wordt zijn invloed
steeds minder, waardoor lengtegroei
gaat stoppen en proximaal de
differentiatie gaat beginnen.
De cranio-caudale (duimkant ↔ pinkkant) as wordt bepaald door de ZPA (zone polariserende
activiteit). Deze zone ligt caudaal van de pootknop en scheidt retinoic acid uit, wat de expressie
van shh (sonic hedgehog eiwit) stimuleert. Veel Shh = pink, weinig Shh = duim.
De dorso-ventrale (bovenkant ↔ onderkant van de poot) as wordt minder goed begrepen. Het
wordt bepaald door Wnt, wat tot expressie komt door onderdrukking van En1 aan de dorsale zijde.
De positionele identiteit wordt bepaald door HOX genen. Hox-genexpressie verandert per positie:
proximaal (schouder) ↔ distaal (tenen). Als de distale structuren (zoals tenen) niet goed gevormd
zijn, kan dit komen door verkeerde of ontbrekende Hox-genexpressie in die regio. Dit leidt tot
aangeboren afwijkingen (zoals ontbrekende of misvormde tenen).
Binnen de mesenchymcellen van de pootknop ontstaan er lokale verdichtingen. Deze cellen
differentiëren zich tot chondroblasten (kraakbeencellen) → later wordt dit kraakbeen omgezet in
bot (via endochondrale ossificatie). Bindweefselcellen en bloedvaten ontwikkelen zich ook uit het
lokale mesenchym. Deze weefsels zijn dus niet afkomstig van elders in het embryo, maar
ontwikkelen zich ter plaatse in de pootknop.
3.2.1 Vorming van bot
Aanleg kraakbenig model (fetus) > Mesenchymcellen
differentiëren in chondroblasten. Er ontstaat een
hyalien kraakbenig model van het toekomstige
pijpbeen.
Primair ossificatiecentrum (in de diafyse) > Het
primaire ossificatiecentrum ontstaat in het midden van
de diafyse. Chondrocyten in het centrum hypertrofiëren
(zwellen), degenereren, en laten ruimte achter.
Bloedvaten dringen binnen via het periost → brengen
osteoblasten mee. Osteoblasten beginnen met het
vormen van botmatrix → dit is het begin van de ossificatie.
Secundaire ossificatiecentra (in de epifysen) > Ontstaan na de
geboorte. Processen zijn vergelijkbaar met het primaire centrum:
Hypertrofie van chondrocyten → apoptose → vascularisatie →
osteoblasten → botvorming. Resultaat: de epifysen worden ook benig,
maar behouden een sponsachtig karakter (spongieus bot).
Groeischijven (epifysairschijven) > Tussen de diafyse en epifyse
blijft een laag kraakbeen over: de epifysaire groeischijf. Dit is waar
lengtegroei plaatsvindt via endochondrale ossificatie. De groeischijf
kent verschillende zones:
Pagina 6 van 115
Elise van Gool | Diergeneeskunde UU | Jaar 3, sem 1.
[2026]
,Inhoudsopgave
1 Het bouwplan ..................................................................................................................3
2 Voortbeweging ................................................................................................................4
3 Embryologie bewegingsapparaat......................................................................................5
4 Gewrichten .....................................................................................................................8
5 Sterkte en stevigheid...................................................................................................... 10
6 Fracturen ...................................................................................................................... 13
7 Calciumhuishouding ..................................................................................................... 18
8 Reactiepatronen ............................................................................................................ 20
9 Gewrichtsaandoeningen ................................................................................................ 28
10 Gegeneraliseerde botaandoeningen ............................................................................... 32
11 Osteochondrose............................................................................................................ 35
12 Spieren ......................................................................................................................... 40
13 Revalidatie .................................................................................................................... 50
14 Lage rugpijn ................................................................................................................... 53
15 Rotkreupel .................................................................................................................... 56
16 Kreupelheidsdiagnostiek ............................................................................................... 57
17 Farmacologie ................................................................................................................ 75
18 Pathologie ..................................................................................................................... 82
19 Ziekteleer ...................................................................................................................... 93
Pagina 2 van 115
,1 HET BOUWPLAN
Het bouwplan van diersoorten is relatief hetzelfde,
maar deze is aangepast aan de manier van bewegen.
Een vluchtdier is anders gebouwd dan een roofdier.
1.1 HET VOORBEEN
Mensen lopen op twee benen, maar veel dieren
lopen op 4 poten/benen. Om deze reden zijn er een
aantal aanpassingen gedaan aan de voorpoten. De
belangrijkste functie van de voorpoot is het opvangen
van schokken en het dragen van het lichaams-
gewicht.
Adaptaties aan het skelet van de voorpoot zijn:
1) Zijdelings afgeplatte thorax – hierdoor kan de scapula plat naast de thorax liggen.
2) Afwezigheid van sleutelbeen (clavicula) – (1) een sleutelbeen zou de range of motion van
de voorpoten beperken; (2) een sleutelbeen zou gemakkelijk breken omdat bij de landing
op de voorpoten het hele lichaamsgewicht erachteraan komt, spieren, ligamenten en
pezen kunnen dit veel beter opvangen.
3) Schouderblad (scapula) is verbonden d.m.v. synsarcosis
4) Verlenging van het voorbeen – de scapula kan gebruikt worden om het voorbeen te
verlengen, anders zouden voor- en achterbenen niet even lang zijn.
5) Reductie in bewegingsmogelijkheid van schouder- (articulatio humeri) en
ellebooggewricht (articulatio cubiti)
6) Reductie in het aantal (functionele) tenen
1.2 HET ACHTERBEEN
De hoofdfunctie van de achterbenen is stuwing/aandrijving. Je wil nu juist geen constructie met
spieren, want dat zou gaan innerveren en dat zorgt voor verlies van energie. Daarom is er hier
sprake van een stevige verbinding met de romp middels botten en gewrichten.
Adaptaties aan het skelet van de achterpoot zijn:
1) Sterke verbinding met de romp – middels het heupgewricht (articulatio coxae)
2) Aanpassingen voor passieve stabilisatie – zeker prooidieren hebben veel aanpassingen
om langdurig passief staan mogelijk te maken (passief sta-apparaat). Roofdieren brengen
veel tijd zittend/liggend door.
3) Reductie aantal tenen
4) Reductie gewicht – reductie van bepaalde botten om zo veel mogelijk gewicht te besparen
(fibula, griffelbeentjes)
Pagina 3 van 115
,2 VOORTBEWEGING
2.1 EVOLUTIE VAN BEWEGING
Lagere diersoorten maken undulerende bewegingen met lichaam; poten dienen als
ankerpunten. Lagere diersoorten hebben een zware schoudergordel (krokodil), bij
hogere dieren is die schoudergordel steeds minder aangelegd.
Bij de hogere dieren is er sprake van beweging in sagittale vlak, met flexie en extensie
van lendenwervels om achterhand ‘eronder’ te brengen. De paslengte wordt bepaald
door de lengte van het been en de mogelijkheid tot verlenging via flexie en extensie van
de wervelkolom.
In de evolutie wordt een draaiing van de extremiteiten gezien. Verandering van de
pootstand van reptielen (boven) naar zoogdieren (onder). Een vergelijkbare ontwikkeling
wordt gezien bij de pootknop van het zoogdierembryo. Eerst wijzen de tenen naar lateraal
en in de ontwikkeling gaan ze naar craniaal wijzen.
2.1.1 Ondervoeten
Snelheid is afstand per tijdseenheid, dus verlenging hand
en voet is efficiënt voor overleving, want dan ben je
sneller. Er zijn verschillende manieren van lopen:
zoolgangers (mens, beer), teengangers (hond, kat),
topteengangers (paard).
Pagina 4 van 115
,3 EMBRYOLOGIE BEWEGINGSAPPARAAT
3.1 AXIALE BEWEGINGSAPPARAAT
Het axiale bewegingsapparaat ontstaat
uit de somieten die zich axiaal
bevinden. Het axiale deel wordt
gekenmerkt door een segmentale
bouw. De somieten liggen langs de
neurale buis. Onder de neurale buis ligt
de chorda, dit is de eerste as van het
embryo en deze stuurt de vorming van
de neurale buis. Uit de somieten
ontstaan botten (sclerotoom) en
spieren (myotoom). Het sclerotoom wordt in tweeën gesplitst op het punt
waar de spinale zenuwen uit het ruggenmerg gaan treden. Vervolgens zal
het caudale deel versmelten met het craniale deel van het volgende
segment sclerotoom, zo vormen de wervels zich. Dit proces heet re-
segmentatie. Uiteindelijk wordt het craniale deel een wervellichaam (1),
en het caudale deel de wervelboog (2). De chorda zal de nuclei pulposi uit
de tussenwervelschijven gaan vormen.
Myotomen zijn verantwoordelijk voor
het vormen van alle spieren,
waaronder de epaxiale spieren en
hypaxiale spieren, waarbij epaxiaal
boven de wervels ligt en hypaxiaal
eronder. Het komt er hierbij op neer dat
epaxiaal de rug doet strekken
(extensie) en hol maakt en hypaxiaal
(flexie) de rug buigt en bol maakt.
3.2 APPENDICULAIRE BEWEGINGSAPPARAAT
Het basisbouwplan van het appendiculaire bewegingsapparaat is hetzelfde bij veel diersoorten.
Echter zijn er adaptaties naar functie (rennen, klimmen, vliegen, zwemmen).
Het appendiculaire deel van het bewegingsapparaat ontstaat uit het laterale plaatmesoderm. De
spieren van het appendiculaire bewegingsapparaat worden ook gevormd door de myotomen van
de somieten.
Het begin van de poot is de pootknop. De pootknop ontstaat als een uitstulping aan de zijkant van
het embryo. De binnenkant bestaat uit mesenchymcellen (losmazig bindweefsel), deze cellen
zijn afkomstig uit de laterale plaatmesoderm. De buitenkant is bedekt met ectoderm, de
buitenste kiemlaag van het embryo.
De proximo-distale (schouder → teen) as ontstaat doordat FGF10 (Fibroblast Growth Factor 10)
wordt uitgescheiden door de mesenchymcellen en is essentieel voor het opstarten van de
pootontwikkeling. Hier betekent "het ontbreken van Wnt" dat dit gebied niet bestemd is voor
rompontwikkeling, maar dus voor een poot. Hierdoor wordt het topje van deze knop verdikt, wat
Pagina 5 van 115
, we AER (apicale ectodermale richel)
noemen. AER induceert de proliferatie
van het onderliggende mesenschym
wat lengtegroei geeft. Naarmate de
AER weggroeit wordt zijn invloed
steeds minder, waardoor lengtegroei
gaat stoppen en proximaal de
differentiatie gaat beginnen.
De cranio-caudale (duimkant ↔ pinkkant) as wordt bepaald door de ZPA (zone polariserende
activiteit). Deze zone ligt caudaal van de pootknop en scheidt retinoic acid uit, wat de expressie
van shh (sonic hedgehog eiwit) stimuleert. Veel Shh = pink, weinig Shh = duim.
De dorso-ventrale (bovenkant ↔ onderkant van de poot) as wordt minder goed begrepen. Het
wordt bepaald door Wnt, wat tot expressie komt door onderdrukking van En1 aan de dorsale zijde.
De positionele identiteit wordt bepaald door HOX genen. Hox-genexpressie verandert per positie:
proximaal (schouder) ↔ distaal (tenen). Als de distale structuren (zoals tenen) niet goed gevormd
zijn, kan dit komen door verkeerde of ontbrekende Hox-genexpressie in die regio. Dit leidt tot
aangeboren afwijkingen (zoals ontbrekende of misvormde tenen).
Binnen de mesenchymcellen van de pootknop ontstaan er lokale verdichtingen. Deze cellen
differentiëren zich tot chondroblasten (kraakbeencellen) → later wordt dit kraakbeen omgezet in
bot (via endochondrale ossificatie). Bindweefselcellen en bloedvaten ontwikkelen zich ook uit het
lokale mesenchym. Deze weefsels zijn dus niet afkomstig van elders in het embryo, maar
ontwikkelen zich ter plaatse in de pootknop.
3.2.1 Vorming van bot
Aanleg kraakbenig model (fetus) > Mesenchymcellen
differentiëren in chondroblasten. Er ontstaat een
hyalien kraakbenig model van het toekomstige
pijpbeen.
Primair ossificatiecentrum (in de diafyse) > Het
primaire ossificatiecentrum ontstaat in het midden van
de diafyse. Chondrocyten in het centrum hypertrofiëren
(zwellen), degenereren, en laten ruimte achter.
Bloedvaten dringen binnen via het periost → brengen
osteoblasten mee. Osteoblasten beginnen met het
vormen van botmatrix → dit is het begin van de ossificatie.
Secundaire ossificatiecentra (in de epifysen) > Ontstaan na de
geboorte. Processen zijn vergelijkbaar met het primaire centrum:
Hypertrofie van chondrocyten → apoptose → vascularisatie →
osteoblasten → botvorming. Resultaat: de epifysen worden ook benig,
maar behouden een sponsachtig karakter (spongieus bot).
Groeischijven (epifysairschijven) > Tussen de diafyse en epifyse
blijft een laag kraakbeen over: de epifysaire groeischijf. Dit is waar
lengtegroei plaatsvindt via endochondrale ossificatie. De groeischijf
kent verschillende zones:
Pagina 6 van 115