Histologie
ORGANISATIE
Organisatie in organellen: hebben individuele en specifieke functie
➔ Organellen kunnen niet buiten de cel overleven, cellen kunnen niet zonder organellen
(ondeelbaar klein deeltje!)
Cellen = kleinste structurele eenheden in het lichaam, die alle basiseigenschappen van levende materie
vertonen
Weefsel (tissue)= groepering van cellen met gelijkaardige functie + matrix
Epitheel – bindweefsel – spierweefsel – zenuwweefsel (4 typen weefsel)
➔ Worden gecombineerd in orgaan (samengebundeld per functie)
Orgaan= organisatie van weefseltypen
- Heeft unieke vorm, grootte en ligging in het lichaam
- Is opgebouwd uit specifiek patroon van weefsels
Orgaansystemen of orgaanstelsels= organisatie van meerdere organen
CYTOLOGIE
= cytoskelet
NUCLEUS
ALGEMEEN
- Kern = controlecentrum van alle cellulaire activiteit
- Meeste cellen hebben 1 kern, behalve skeletspiercellen; moet niet delen (meerdere kernen
mogelijk, specifieke functie) en erythrocyten (geen kern)
, Mitotisch post-mitotisch
- Kern bevat:
• Chromosomale DNA
• Systeem voor RNA-synthese
- Variabele morfologie
Rode bloedcel: geen celkern ➔ geen volledige cel (eindig leven) = 120 dagen
➔ ZO VEEL MOG cytoplasma → O2 transporteren
T-lymfocyten:
➔ Vorm witte bloedcellen (leven langer)
AANWEZIGHEID VAN GENETISCH MATERIAAL IN DE KERN
- Het genetisch materiaal zit verpakt onder de vorm van chromosomen (= heel dense manier om DNA
in verplaatsbare vorm te krijgen = gecondenseerde manier)
- (hetero)chromatine = geheel van chromosomen in de interfasetoestand
- Humane cel= 46 aparte, maar door elkaar gelegen chromosoomfibrillen
• Ong 30 nm dik
• Zeer lang (langer dan kerndiameter)
MITOCHONDRIËN
,Aantal mitochondriën in cel verandert ➔ niet constant!
= dynamisch
• organel met 2 membranen rond
• bevat veel energie
• krebcyclus
VOORKOMEN
- in alle eukaryote cellen
- kunnen tot 2/5 van cytoplasmavolume innemen
- eivormige of langgerekte structuren, soms vertakt
- zeer heterogene verdeling over cytoplasma bij verschillende celtypes, vaak ophoping in gebieden
waar veel energie verbruikt wordt
- aantal mitochondriën = afhankelijk van energiebehoefte van de cel (kunnen splitsen en fusioneren)
FUNCTIE
- mitochondriale activiteit produceert ong 95% van de energie die nodig is voor het in stand houden
van een cel
- vormen ATP door afbraak van organische moleculen in reactieketen waarbij O2 verbruikt wordt en
CO2 aangemaakt wordt
- metabolisme = katabolisme + anabolisme
RIBOSOMEN
ALGEMENE KENMERKEN
- Ronde of langgerekte deeltjes
- Doorsnede van ongeveer 20 nm
- Bestaan uit 2 subeenheden van ongelijke grootte
- Voornaamste bestanddeel = ribosomaal RNA (rRNA)
- Andere bestanddelen : tientallen verschillende eiwitten
- 2 vormen : membraangebonden (aan cytoplasmatische zijde van ER) of vrije ribosomen
- Worden gevormd in nucleus
FUNCTIE
, ENDOPLASMATISCH RETICULUM
ALGEMENE KENMERKEN
- In alle eukaryotische cellen
- Bestaat uit afgeplatte membranen die onderling kunnen samenhangen
- Ruimte tussen membranen = cisternen
- Onderscheid tussen ruw endoplasmatisch reticulum en glad endoplasmatisch reticulum
- Enge relatie met het Golgi-complex
FUNCTIE
1. Belangrijke rol in de biosynthese : transmembraanproteïnen en lipiden van ER, Golgi-complex,
plasmamembraan en lysosomen worden gesynthetiseerd in associatie met ER-membraan
2. Belangrijke bijdrage in aanmaak van mitochondriale en peroxisomale membranen
3. Startpunt van synthese van gesecreteerde proteïnen
4. Plaats waar extracellulaire matrix in beginsel wordt aangemaakt
GOLGI-COMPLEX
= sorteercentrum (verwerkingscentrum)
ALGEMEEN
- in alle kernhoudende cellen
- In omgeving van Golgi vindt aan- en afvoer plaats van materiaal dat in vesikels is verpakt
ORGANISATIE
Organisatie in organellen: hebben individuele en specifieke functie
➔ Organellen kunnen niet buiten de cel overleven, cellen kunnen niet zonder organellen
(ondeelbaar klein deeltje!)
Cellen = kleinste structurele eenheden in het lichaam, die alle basiseigenschappen van levende materie
vertonen
Weefsel (tissue)= groepering van cellen met gelijkaardige functie + matrix
Epitheel – bindweefsel – spierweefsel – zenuwweefsel (4 typen weefsel)
➔ Worden gecombineerd in orgaan (samengebundeld per functie)
Orgaan= organisatie van weefseltypen
- Heeft unieke vorm, grootte en ligging in het lichaam
- Is opgebouwd uit specifiek patroon van weefsels
Orgaansystemen of orgaanstelsels= organisatie van meerdere organen
CYTOLOGIE
= cytoskelet
NUCLEUS
ALGEMEEN
- Kern = controlecentrum van alle cellulaire activiteit
- Meeste cellen hebben 1 kern, behalve skeletspiercellen; moet niet delen (meerdere kernen
mogelijk, specifieke functie) en erythrocyten (geen kern)
, Mitotisch post-mitotisch
- Kern bevat:
• Chromosomale DNA
• Systeem voor RNA-synthese
- Variabele morfologie
Rode bloedcel: geen celkern ➔ geen volledige cel (eindig leven) = 120 dagen
➔ ZO VEEL MOG cytoplasma → O2 transporteren
T-lymfocyten:
➔ Vorm witte bloedcellen (leven langer)
AANWEZIGHEID VAN GENETISCH MATERIAAL IN DE KERN
- Het genetisch materiaal zit verpakt onder de vorm van chromosomen (= heel dense manier om DNA
in verplaatsbare vorm te krijgen = gecondenseerde manier)
- (hetero)chromatine = geheel van chromosomen in de interfasetoestand
- Humane cel= 46 aparte, maar door elkaar gelegen chromosoomfibrillen
• Ong 30 nm dik
• Zeer lang (langer dan kerndiameter)
MITOCHONDRIËN
,Aantal mitochondriën in cel verandert ➔ niet constant!
= dynamisch
• organel met 2 membranen rond
• bevat veel energie
• krebcyclus
VOORKOMEN
- in alle eukaryote cellen
- kunnen tot 2/5 van cytoplasmavolume innemen
- eivormige of langgerekte structuren, soms vertakt
- zeer heterogene verdeling over cytoplasma bij verschillende celtypes, vaak ophoping in gebieden
waar veel energie verbruikt wordt
- aantal mitochondriën = afhankelijk van energiebehoefte van de cel (kunnen splitsen en fusioneren)
FUNCTIE
- mitochondriale activiteit produceert ong 95% van de energie die nodig is voor het in stand houden
van een cel
- vormen ATP door afbraak van organische moleculen in reactieketen waarbij O2 verbruikt wordt en
CO2 aangemaakt wordt
- metabolisme = katabolisme + anabolisme
RIBOSOMEN
ALGEMENE KENMERKEN
- Ronde of langgerekte deeltjes
- Doorsnede van ongeveer 20 nm
- Bestaan uit 2 subeenheden van ongelijke grootte
- Voornaamste bestanddeel = ribosomaal RNA (rRNA)
- Andere bestanddelen : tientallen verschillende eiwitten
- 2 vormen : membraangebonden (aan cytoplasmatische zijde van ER) of vrije ribosomen
- Worden gevormd in nucleus
FUNCTIE
, ENDOPLASMATISCH RETICULUM
ALGEMENE KENMERKEN
- In alle eukaryotische cellen
- Bestaat uit afgeplatte membranen die onderling kunnen samenhangen
- Ruimte tussen membranen = cisternen
- Onderscheid tussen ruw endoplasmatisch reticulum en glad endoplasmatisch reticulum
- Enge relatie met het Golgi-complex
FUNCTIE
1. Belangrijke rol in de biosynthese : transmembraanproteïnen en lipiden van ER, Golgi-complex,
plasmamembraan en lysosomen worden gesynthetiseerd in associatie met ER-membraan
2. Belangrijke bijdrage in aanmaak van mitochondriale en peroxisomale membranen
3. Startpunt van synthese van gesecreteerde proteïnen
4. Plaats waar extracellulaire matrix in beginsel wordt aangemaakt
GOLGI-COMPLEX
= sorteercentrum (verwerkingscentrum)
ALGEMEEN
- in alle kernhoudende cellen
- In omgeving van Golgi vindt aan- en afvoer plaats van materiaal dat in vesikels is verpakt