Sociologie van sociale gelijkheid en ongelijkheid
2024-2025 – Soumaya El Maaroui
LES 1: wat is sociale ongelijkheid
Inkomensongelijkheid als concept
In België wordt het inkomen opgedeeld in verschillende categorieën.
Bruto-inkomen is het inkomen vóór belastingen en sociale zekerheidsuitgaven.
Het beschikbaar inkomen is wat iemand uiteindelijk kan uitgeven, na aftrek van
belastingen en sociale zekerheidsbijdragen, maar inclusief uitkeringen, studiebeurzen,
kinderbijslag en andere sociale voordelen.
Er zijn twee belangrijke bronnen van inkomen: inkomen uit arbeid en inkomen uit
kapitaal. Inkomen uit arbeid omvat lonen en vervangingsinkomen zoals
werkloosheidsuitkeringen of pensioenen. Inkomen uit kapitaal omvat aandelenverkoop,
dividenden, huurinkomsten, rendementen op investeringen en bijvoorbeeld de winst bij
verkoopt van bitcoins.
In België is de inkomensongelijkheid relatief laag, onder andere door progressieve
belastingen die ervoor zorgen dat hogere-inkomensgroepen ook hogere belastingen
betalen. Daarnaast verkleinen sociale uitkeringen de inkomensongelijkheid verder,
waardoor de verschillen in beschikbaar inkomen kleiner zijn dan in bruto-inkomen.
Toch bestaat er een verschil tussen ongelijkheid in arbeidsinkomen en kapitaalinkomen.
Inkomen uit arbeid blijft doorgaans stabiel, terwijl dat uit kapitaal wereldwijd stijgt en dus
ook in België.
Welke referentie eenheid?
Om inkomensongelijkheid te meten kan men zowel op individueel niveau als
huishoudensniveau kijken. Vaak wordt het beschikbare inkomen als uitgangspunt
genomen en vervolgens vertaald naar een individueel niveau via een equivalentieschaal.
Een huishouden kan op verschillende manieren gedefinieerd worden. Een sociologisch
huishouden omvat alle personen die samen onder 1 dak wonen en middelen delen,
terwijl een fiscaal huishouden gebaseerd is op belasting uitgiften en fiscale regels.
Om inkomens van huishoudens vergelijkbaar te maken wordt een equivalentieschaal
gebruikt. Dit houdt in dat het gezinsinkomen gedeeld wordt op basis van de grootte en
samenstelling van het huishouden:
• De eerste volwassene telt als 1
• Elke bijkomende volwassene (14+ jaar) telt als +0,5
• Elk kind jonger dan 14 telt als 0,3
Bijvoorbeeld: een gezin met twee ouders en twee kinderen heeft een gezinsinkomen van
2200. Met een equivalentieschaal van 2,2 betekent dit dat het inkomen per equivalente
persoon 1000 euro bedraagt
Zo kan je de inkomensongelijkheid over tijd en tussen landen vergelijken.
,Welke referentieperiode?
bij het meten van inkomensongelijkheid is de referentieperiode van groot belang. Er zijn
3 mogelijke tijdsperiodes waarop de berekening kan worden gebaseerd:
1. Maandbasis: dit kan nuttig zijn, maar is minder betrouwbaar omdat inkomens per
maand sterk kunnen veranderen. Denk aan seizoensgebonden verschillend,
premies of een dertiende maand.
2. Jaarbasis: dit is de meest gebruikte methode, omdat het de inkomens over een
langere periode stabiliseert en een realistischer beeld geeft van iemands financiële
situatie.
3. Levensbasis: dit zou de meest accurate manier om ongelijkheid te meten omdat
inkomen over een volledig leven fluctueert, mensen verdienen meestal meer
naarmate ze ouder worden. Echter is daar vaak geen data voor beschikbaar.
Welke dataset?
Er zijn 2 belangrijke bronnen om inkomensgegevens te verzamelen:
1. Enquêtes
+ • Je kan zeer specifieke inkomensgroepen bevragen. En ook achter
bijkomende achtergrondinformatie vragen.
- • Een probleem is representatie: extreem rijke en extreem arme mensen doen
minder vaak mee aan enquêtes, wat tot vertekening kan leiden.
• Betrouwbare inkomensdata uit enquêtes bestaan ongeveer pas 50 jaar,
- waardoor historischen vergelijkingen moeilijk zijn.
2. Administratieve data
•+ Deze data zijn gebaseerd op officiële bronnen, zoals belastingaangiftes en
bestrijken een veel langere periode, wat historische vergelijkingen mogelijk
maakt.
•- Een nadeel is dat er correcties nodig zijn, zoals voor belastingontduiking of
mensen met een nul inkomen (verdienen te weinig om belastingen te betalen)
• Omdat administratieve data geen details toelaten, zijn ze minder geschikt voor
- diepgaande sociaaleconomische analyses.
Door beide methoden te combineren kan een zo accuraat mogelijk beeld van
inkomensongelijkheid worden verkregen.
,Hoe sociale ongelijkheid meten?
A. [de Gini coëfficiënt]
De Gini-coëfficiënt is een maatstaf voor ongelijkheid en gaat van 0 tot 1;
0 = volledige gelijkheid
1 = volledige ongelijkheid
Het is gebaseerd op de Lorenz-curve die de verdeling van
inkomen of vermogen in een samenleving weergeeft. De
perfecte gelijkheidslijn stelt een situatie voor waarin
iedereen exact hetzelfde inkomen heeft, terwijl de
Lorenzcurve in de praktijk laat zien hoe ongelijk die inkomen
is verdeeld. Hoe verder de Lorenzcurve afwijkt van de
perfecte gelijkheidslijn, hoe groter de ongelijkheid en dus
hoe hoger de Gini-coëfficiënt.
IN de praktijk heeft geen enkel land een Gini-coëfficiënt van 0
of 1. In de OESO-landen ligt de ongelijkheid voor inkomen uit arbeid tussen 0,2 en 0,4,
terwijl de ongelijkheid voor inkomen uit kapitaal veel groter is, met een Gini-coëfficiënt
tussen 0,6 en 0,9. Wanneer alle inkomensbronnen samen worden genomen, varieert de
Gini-coëfficiënt voor totaal inkomen tussen 0,3 en 0,5. Dit betekent dat
inkomensgelijkheid wereldwijd aanwezig is, maar in verschillende gradaties.
Gini-coëfficiënt is vernoemd naar de Italiaanse statisticus, Corrado Gini. Hoe groter het
gebied tussen de perfecte gelijkheidslijn en de Lorenz-curve (A), hoe ongelijker
de verdeling.
B. [de Robin Hood index]
De Robin Hood index, ook bekend als de Hoover-index of Shutz-index, is een
alternatieve maatstaf voor ongelijk en een kritiek op de Gini-coëfficiënt, die als
technisch complex en minder intuïtief wordt beschouwd.
0 = volledige gelijkheid
1 = volledige ongelijkheid → 1 persoon bezit alles
Het meer hoeveel procent van het totale inkomen
herverdeeld zou moeten worden van de rijkste naar de
armste groep om perfecte gelijkheid te bereiken. Net als de
Gini-coëfficiënt is deze gebaseerd op de Lorenz-curve.
Deze maatstaf werd in 1915 voor het eerste geïntroduceerd door
Gaetano Pietra en biedt een eenvoudige te interpreteren getal: als
de Robin Hood index bijvoorbeeld 0,3 is, betekent dit dat 30%
van het nationale inkomen herverdeeld zou moeten worden om
volledige gelijkheid te bereiken. Dit maakt de index concreter en gemakkelijker te
begrijpen dan de Gini-coëfficiënt.
, C. [de Theil index]
De Theil index is vernoemd naar de Nederlandse econoom Henri Theil. In tegenstelling tot
de andere twee kan de Theil index aannemen tussen 0 en oneindig
0 = volledig gelijkheid
Oneindig = extreme ongelijkheid
Wat de Theil-index uniek maakt is dat hij ongelijkheid kan opdelen in twee componenten:
1. Ongelijkheid tussen groepen: vb. tussen man en vrouw of etnische groepen.
2. Ongelijkheid binnen groepen: vb. inkomensverschillen binnen de groep
vrouwen.
Door deze opsplitsing helpt de Theil-index om beter te begrijpen waar de ongelijkheid
vandaan komt. Zo kan men bijvoorbeeld meten hoeveel van de totale
inkomensongelijkheid in een land te maken heeft met structurele verschillen tussen
bevolkingsgroepen en hoeveel wordt verklaard door individuele verschillen binnen die
groepen.
De berekening van de Theil-index is complex en kent meerdere formules, maar zijn
kracht ligt in de mogelijkheid om de van ongelijkheid te analyseren in plaats van enkel de
mate van ongelijkheid te meten.
D. [inkomensaandelen in distributietabellen]
Een andere manier om sociale ongelijkheid
te meten is via inkomensaandelen in
distributietabellen. Dit houdt in dat de
bevolking wordt opgedeeld in groepen
zoals decielen (10%-groepen) of
percentielen (1%-groepen), en wordt
gekeken welk aandeel van het totale
inkomen of kapitaal elke groep bezit.
De Franse econoom Piketty is een sterke pleitbezorger van deze methode, omdat ze de
ongelijkheid op een intuïtieve en directe manier weergeeft. In plaats van een abstractie
zoals de Gini-coëfficiënt, of Theil-index, laat een distributietabel concreet zien hoeveel
inkomen of vermogen een bepaalde groep heeft.
Vb. de rijkste 10% van de bevolking bezit 50% van het totale inkomen, terwijl de armste
50% van de bevolking slechts 10% van het totale inkomen bezit. Dan is dat een duidelijk
indicatie van ongelijkheid. Zo’n tabellen maakt het ook mogelijk om ontwikkelingen in
ongelijkheid over de tijd of tussen landen te vergelijken.
Ze zijn makkelijk te interpreteren en worden dus vaak gebruikt om beleid te
onderbouwen over herverdeling.
2024-2025 – Soumaya El Maaroui
LES 1: wat is sociale ongelijkheid
Inkomensongelijkheid als concept
In België wordt het inkomen opgedeeld in verschillende categorieën.
Bruto-inkomen is het inkomen vóór belastingen en sociale zekerheidsuitgaven.
Het beschikbaar inkomen is wat iemand uiteindelijk kan uitgeven, na aftrek van
belastingen en sociale zekerheidsbijdragen, maar inclusief uitkeringen, studiebeurzen,
kinderbijslag en andere sociale voordelen.
Er zijn twee belangrijke bronnen van inkomen: inkomen uit arbeid en inkomen uit
kapitaal. Inkomen uit arbeid omvat lonen en vervangingsinkomen zoals
werkloosheidsuitkeringen of pensioenen. Inkomen uit kapitaal omvat aandelenverkoop,
dividenden, huurinkomsten, rendementen op investeringen en bijvoorbeeld de winst bij
verkoopt van bitcoins.
In België is de inkomensongelijkheid relatief laag, onder andere door progressieve
belastingen die ervoor zorgen dat hogere-inkomensgroepen ook hogere belastingen
betalen. Daarnaast verkleinen sociale uitkeringen de inkomensongelijkheid verder,
waardoor de verschillen in beschikbaar inkomen kleiner zijn dan in bruto-inkomen.
Toch bestaat er een verschil tussen ongelijkheid in arbeidsinkomen en kapitaalinkomen.
Inkomen uit arbeid blijft doorgaans stabiel, terwijl dat uit kapitaal wereldwijd stijgt en dus
ook in België.
Welke referentie eenheid?
Om inkomensongelijkheid te meten kan men zowel op individueel niveau als
huishoudensniveau kijken. Vaak wordt het beschikbare inkomen als uitgangspunt
genomen en vervolgens vertaald naar een individueel niveau via een equivalentieschaal.
Een huishouden kan op verschillende manieren gedefinieerd worden. Een sociologisch
huishouden omvat alle personen die samen onder 1 dak wonen en middelen delen,
terwijl een fiscaal huishouden gebaseerd is op belasting uitgiften en fiscale regels.
Om inkomens van huishoudens vergelijkbaar te maken wordt een equivalentieschaal
gebruikt. Dit houdt in dat het gezinsinkomen gedeeld wordt op basis van de grootte en
samenstelling van het huishouden:
• De eerste volwassene telt als 1
• Elke bijkomende volwassene (14+ jaar) telt als +0,5
• Elk kind jonger dan 14 telt als 0,3
Bijvoorbeeld: een gezin met twee ouders en twee kinderen heeft een gezinsinkomen van
2200. Met een equivalentieschaal van 2,2 betekent dit dat het inkomen per equivalente
persoon 1000 euro bedraagt
Zo kan je de inkomensongelijkheid over tijd en tussen landen vergelijken.
,Welke referentieperiode?
bij het meten van inkomensongelijkheid is de referentieperiode van groot belang. Er zijn
3 mogelijke tijdsperiodes waarop de berekening kan worden gebaseerd:
1. Maandbasis: dit kan nuttig zijn, maar is minder betrouwbaar omdat inkomens per
maand sterk kunnen veranderen. Denk aan seizoensgebonden verschillend,
premies of een dertiende maand.
2. Jaarbasis: dit is de meest gebruikte methode, omdat het de inkomens over een
langere periode stabiliseert en een realistischer beeld geeft van iemands financiële
situatie.
3. Levensbasis: dit zou de meest accurate manier om ongelijkheid te meten omdat
inkomen over een volledig leven fluctueert, mensen verdienen meestal meer
naarmate ze ouder worden. Echter is daar vaak geen data voor beschikbaar.
Welke dataset?
Er zijn 2 belangrijke bronnen om inkomensgegevens te verzamelen:
1. Enquêtes
+ • Je kan zeer specifieke inkomensgroepen bevragen. En ook achter
bijkomende achtergrondinformatie vragen.
- • Een probleem is representatie: extreem rijke en extreem arme mensen doen
minder vaak mee aan enquêtes, wat tot vertekening kan leiden.
• Betrouwbare inkomensdata uit enquêtes bestaan ongeveer pas 50 jaar,
- waardoor historischen vergelijkingen moeilijk zijn.
2. Administratieve data
•+ Deze data zijn gebaseerd op officiële bronnen, zoals belastingaangiftes en
bestrijken een veel langere periode, wat historische vergelijkingen mogelijk
maakt.
•- Een nadeel is dat er correcties nodig zijn, zoals voor belastingontduiking of
mensen met een nul inkomen (verdienen te weinig om belastingen te betalen)
• Omdat administratieve data geen details toelaten, zijn ze minder geschikt voor
- diepgaande sociaaleconomische analyses.
Door beide methoden te combineren kan een zo accuraat mogelijk beeld van
inkomensongelijkheid worden verkregen.
,Hoe sociale ongelijkheid meten?
A. [de Gini coëfficiënt]
De Gini-coëfficiënt is een maatstaf voor ongelijkheid en gaat van 0 tot 1;
0 = volledige gelijkheid
1 = volledige ongelijkheid
Het is gebaseerd op de Lorenz-curve die de verdeling van
inkomen of vermogen in een samenleving weergeeft. De
perfecte gelijkheidslijn stelt een situatie voor waarin
iedereen exact hetzelfde inkomen heeft, terwijl de
Lorenzcurve in de praktijk laat zien hoe ongelijk die inkomen
is verdeeld. Hoe verder de Lorenzcurve afwijkt van de
perfecte gelijkheidslijn, hoe groter de ongelijkheid en dus
hoe hoger de Gini-coëfficiënt.
IN de praktijk heeft geen enkel land een Gini-coëfficiënt van 0
of 1. In de OESO-landen ligt de ongelijkheid voor inkomen uit arbeid tussen 0,2 en 0,4,
terwijl de ongelijkheid voor inkomen uit kapitaal veel groter is, met een Gini-coëfficiënt
tussen 0,6 en 0,9. Wanneer alle inkomensbronnen samen worden genomen, varieert de
Gini-coëfficiënt voor totaal inkomen tussen 0,3 en 0,5. Dit betekent dat
inkomensgelijkheid wereldwijd aanwezig is, maar in verschillende gradaties.
Gini-coëfficiënt is vernoemd naar de Italiaanse statisticus, Corrado Gini. Hoe groter het
gebied tussen de perfecte gelijkheidslijn en de Lorenz-curve (A), hoe ongelijker
de verdeling.
B. [de Robin Hood index]
De Robin Hood index, ook bekend als de Hoover-index of Shutz-index, is een
alternatieve maatstaf voor ongelijk en een kritiek op de Gini-coëfficiënt, die als
technisch complex en minder intuïtief wordt beschouwd.
0 = volledige gelijkheid
1 = volledige ongelijkheid → 1 persoon bezit alles
Het meer hoeveel procent van het totale inkomen
herverdeeld zou moeten worden van de rijkste naar de
armste groep om perfecte gelijkheid te bereiken. Net als de
Gini-coëfficiënt is deze gebaseerd op de Lorenz-curve.
Deze maatstaf werd in 1915 voor het eerste geïntroduceerd door
Gaetano Pietra en biedt een eenvoudige te interpreteren getal: als
de Robin Hood index bijvoorbeeld 0,3 is, betekent dit dat 30%
van het nationale inkomen herverdeeld zou moeten worden om
volledige gelijkheid te bereiken. Dit maakt de index concreter en gemakkelijker te
begrijpen dan de Gini-coëfficiënt.
, C. [de Theil index]
De Theil index is vernoemd naar de Nederlandse econoom Henri Theil. In tegenstelling tot
de andere twee kan de Theil index aannemen tussen 0 en oneindig
0 = volledig gelijkheid
Oneindig = extreme ongelijkheid
Wat de Theil-index uniek maakt is dat hij ongelijkheid kan opdelen in twee componenten:
1. Ongelijkheid tussen groepen: vb. tussen man en vrouw of etnische groepen.
2. Ongelijkheid binnen groepen: vb. inkomensverschillen binnen de groep
vrouwen.
Door deze opsplitsing helpt de Theil-index om beter te begrijpen waar de ongelijkheid
vandaan komt. Zo kan men bijvoorbeeld meten hoeveel van de totale
inkomensongelijkheid in een land te maken heeft met structurele verschillen tussen
bevolkingsgroepen en hoeveel wordt verklaard door individuele verschillen binnen die
groepen.
De berekening van de Theil-index is complex en kent meerdere formules, maar zijn
kracht ligt in de mogelijkheid om de van ongelijkheid te analyseren in plaats van enkel de
mate van ongelijkheid te meten.
D. [inkomensaandelen in distributietabellen]
Een andere manier om sociale ongelijkheid
te meten is via inkomensaandelen in
distributietabellen. Dit houdt in dat de
bevolking wordt opgedeeld in groepen
zoals decielen (10%-groepen) of
percentielen (1%-groepen), en wordt
gekeken welk aandeel van het totale
inkomen of kapitaal elke groep bezit.
De Franse econoom Piketty is een sterke pleitbezorger van deze methode, omdat ze de
ongelijkheid op een intuïtieve en directe manier weergeeft. In plaats van een abstractie
zoals de Gini-coëfficiënt, of Theil-index, laat een distributietabel concreet zien hoeveel
inkomen of vermogen een bepaalde groep heeft.
Vb. de rijkste 10% van de bevolking bezit 50% van het totale inkomen, terwijl de armste
50% van de bevolking slechts 10% van het totale inkomen bezit. Dan is dat een duidelijk
indicatie van ongelijkheid. Zo’n tabellen maakt het ook mogelijk om ontwikkelingen in
ongelijkheid over de tijd of tussen landen te vergelijken.
Ze zijn makkelijk te interpreteren en worden dus vaak gebruikt om beleid te
onderbouwen over herverdeling.