Hoe zie je de rol van cultuur in de ziekte-ervaring, ziekte-expressie en emotionele beleving van de
cliënt?
Hoe interpreteer je de manier waarop klachten en emoties tot uiting komen binnen de culturele context
van de cliënt?
De (lichamelijke) klachten 1) Een emotionele mismatch tussen erf- en gastcultuur die voor
van de cliënt kunnen distress zorgt.
mogelijks begrepen (bv. emoties die in de cultuur van cliënt niet expliciet geuit
worden vanuit… worden (zoals schaamte, verdriet of relationele spanning) zich
daardoor gaan vertalen in lichamelijke symptomen zoals
vermoeidheid, hoofdpijn of spanningsklachten)
Dit ontstaat wanneer de cliënt dagelijks in contact komt met de
meerderheidscultuur, de sociale interactie en exposure met die
cultuur = emotionele acculturatie
Door die acculturatie waar de cliënt zich aanpast aan een
nieuwe samenleving met zijn eigen waarden en normen
maar tegelijk elementen uit de oorsprongcultuur behoudt
(creolisering) zien we dat dit voor acculturatiestress kan
zorgen, want mee die klachten kan verklaren.
➔ De distress van de cliënt vermindert vaak wanneer het
persoonlijke emotionele patroon van de cliënt (bv. gevoelens
niet uiten) matcht met wat er cultureel verwacht wordt (bv. in
de thuiscultuur dit ook niet doen). Dit noemen we culturele
consonantie.
Welzijn van cliënt is dan beter.
2) De cliënt verklaart deze klachten dan ook met zijn eigen
woorden, idioms of distress (bv. metaforen, druk op het hart,
verstoorde ziel, woorden uit de cultuur = taal) die vorm krijgen
binnen een culturele symptoom pool ( = soort symptomen).
( bv. lichamelijke klachten, vermoeidheid, pijn of spanningen
benoemen, terwijl psychische termen minder gebruikt worden,
of omgekeerd.)
Deze klachten kunnen mogelijks tot een syndroom lijden. Een
combinatie van klachten die door de cliënt als samenhangend
worden beschouwd.
3) De ouders geven volgende klachten aan …… ( = symptom pool),
verwoord als ….. (= idioms of distress) en verklaren deze
vanuit…..
4) Onafhankelijk zelf
De cliënt functioneert vanuit een onafhankelijk zelf, waarbij
identiteit wordt opgebouwd rond autonomie, persoonlijke doelen
en zelfexpressie.
Floratie: dit zelf floreert in contexten die individuele keuze,
zelfsturing en persoonlijke prestaties waarderen (bv. zelfstandig
beslissingen nemen, eigen grenzen aangeven).
, Voorbeeld: de cliënt voelt zich goed wanneer hij zelf keuzes kan
maken los van familieverwachtingen en succes ervaart als
persoonlijk resultaat.
Interafhankelijk zelf
De cliënt functioneert vanuit een interafhankelijk zelf, waarbij
identiteit en handelen sterk verbonden zijn met relaties, sociale
rollen en wederzijdse verantwoordelijkheid.
Floratie: dit zelf floreert in contexten van verbondenheid,
loyaliteit en wederzijdse zorg, waar afstemming op anderen als
betekenisvol wordt ervaren.
Voorbeeld: de cliënt voelt zich gemotiveerd en waardevol
wanneer hij kan zorgen voor familie, rekening houdt met
groepsverwachtingen en erkenning krijgt binnen relaties.
OF
5) religieuze en spirituele overtuigingen, bijvoorbeeld het geloof
dat symptomen veroorzaakt worden door djinns of spirituele
invloeden. Hierdoor wordt hulp gezocht bij gebedsgenezers of
religieuze praktijken, die betekenis geven aan het lijden en als
helpend worden ervaren. Deze verklaringsmodellen bepalen
hoe de cliënt zijn klachten begrijpt en welke zorg als passend
wordt gezien.
6) Het ziektenarratief is hierbij centraal: een persoonlijk en
affectief verhaal waarin de cliënt zijn klachten plaatst binnen zijn
levensgeschiedenis
7) De manier hoe de cliënt zijn emoties subjectief gewaarwordt.
Hoe deze gewaarwordingen op de voorgrond treden verschilt
cultureel. Daarom beschrijft de cliënt zijn emoties eerder via
lichamelijke signalen dan via expliciete emotionele labels.
➔ Dit sluit aan bij het principe van universality without
uniformity. Dit betekent dat basale psychologische
processen zoals emotie, motivatie en zelf universeel
aanwezig zijn, maar dat de manier waarop ze vorm krijgen
cultureel verschilt.
➔ Deze culturele verschillen situeren zich vooral op het
onderscheid tussen potentialen (wat ons verbind) en
praktijken (wat ons verschillend maakt): de cliënt beschikt
over dezelfde psychologische mogelijkheden als anderen,
maar deze worden binnen zijn culturele context op een
andere manier geactiveerd en gewaardeerd.
8) culturele verschillen in perceptie en cognitieve attributiestijl.
Waar in westerse contexten gedrag vaak via interne attributie
verklaard wordt (persoonlijke keuzes of eigenschappen), wordt in
, interafhankelijke, collectivistische contexten gedrag vaker
contextueel en relationeel geïnterpreteerd (bv. de manier waarop
de cliënt gebeurtenissen en problemen beschrijft als
onvermijdelijk of sterk bepaald door omstandigheden en
verwachtingen van anderen, en keuzes niet als volledig
individueel ervaart.)
De soort emoties die bij de 1) De appraisal van de cliënt over de situatie, hoe die de
cliënt ontstaan kunnen situatie interpreteert. Waar de cliënt aandacht aan geeft (bv.
verklaart worden door…. veel aandacht voor verantwoordelijkheid binnen cultuur)
bepaalt mee welke emotie ontstaat (bv. schuld)
2) Eerdere ervaringen die de cliënt gehad heeft met een
bepaalde emotie (bv. schaamte of verdriet) kleuren mee hoe
nieuwe situaties geïnterpreteerd worden.
3) De sociale functie van een emotie.
(bv. de cliënt ervaart emoties die niet gericht zijn op
confrontatie, maar op het behouden of beschermen van
relaties omdat dat in zijn cultuur zo aangewezen is)
De expressie van de 1) Is cultureel gereguleerd en valt niet noodzakelijk samen met de
emoties bij de cliënt… onderliggende emotie. Dezelfde emotie kan op verschillende
manieren tot uiting komen.
In deze casus vertaalt zich dit in een eerder indirecte expressie
van emoties (bv. via zwijgen, terugtrekken of somatische klachten
dan eerder via open emotionele expressie.)
➔ De ziekte-expressie van de cliënt wordt mee gevormd door
enculturatie, die bepaalt hoe emoties en lijden cultureel
geuit worden.
2) Doordat er een interafhankelijk (interdependent)
zelfprototype aanwezig is wordt het ‘goed persoon zijn’ sterk
verbonden met loyaliteit, harmonie en het vermijden van
gezichtsverlies. In deze casus vertaalt zich dat in een ziekte-
expressie die minder expliciet en meer indirect verloopt,
bijvoorbeeld via … [zwijgen naar anderen toe, somatisatie,
indirecte metaforen, relationele spanningen].
3) Self-critic bias:De cliënt minimaliseert eigen successen en
schrijft moeilijkheden toe aan persoonlijk falen, wat kan wijzen
op een self-critic bias die samenhangt met hoge familiale
verwachtingen en relationele loyaliteit. (komt vaker voor in
collectivistische contexten)
Zelf-enhancement bias
De cliënt benadrukt zijn eigen inzet en capaciteiten en
externaliseert tegenslagen, wat past bij een zelf-enhancement
bias binnen een context waar individuele autonomie centraal
staat. (komt vaker voor in individuele contexten, westerse)
4) Kan een co-existence van emotiepatronen zijn, waarbij de
cliënt afhankelijk van de context aan frameswitching doet: in
meerderheidscontexten zoals werk of school hanteert de cliënt
, een ‘meerderheidsbril’, met emotiepatronen zoals assertiviteit,
trots of boosheid, terwijl in de thuissituatie of binnen de
erfcontext
De intensiteit van de 1) Dat emoties die aansluiten bij centrale culturele waarden van
emoties van de cliënt de cliënt, frequenter ervaart worden.
kunnen mogelijks verklaart (bv. vaker voorkomen van relationele emoties zoals schaamte of
worden door… verbondenheid, terwijl emoties zoals boosheid minder centraal
staan)
Het gedrag van de cliënt 1) de gedragsbereidheid die een emotie uitlokt. Zich aanpassen,
kan gestaafd worden vermijden van conflict of volhouden, past eerder bij de cultuur
door… van de cliënt dan confrontatie of expliciete verandering.
2) Dat de emoties concreet emotioneel handelen sturen. Dit
handelen kan relaties tijdelijk of blijvend veranderen en zo
nieuwe emoties oproepen.
(bv. in een wisselwerking waarbij emotioneel gedrag reacties van
anderen uitlokt, die op hun beurt opnieuw emotionele reacties bij
de cliënt oproepen.)
2. Culturele modellen van normaliteit en afwijking (intersectioneel)
Welke specifiekeculturele modellen van normaliteit en afwijking zou je met deze cliënt exploreren,
mede vanuit de specifieke intersectionele positie van de cliënt?
Hoe verhouden deze modellen zich tot het Belgische (biomedische) en maatschappelijke kader?
En hoe denk je dat deze modellen zich verhouden tot verschillen in mensbeeld, psychisch
functioneren, gedragspatronen, betekeniskaders, sociale rollen, sociale interacties en/of instituties die
doorgaans gewaardeerd worden in de culturele context van het cliëntsysteem en in de Belgische
context?
M.a.w. Kun je een concreet concept kiezen dat relevant is voor deze casus om door de bril van
een(specifieke) culturele cycluste exploreren? Welke inzichten zouden kunnen voortkomen uit deze
exploratie? Hoe pak je deze exploratie aan?