Inhoud
1 Klinische observaties en meetinstrumenten....................................................................3
1.1 Observaties voor de luchtwegen................................................................................3
1.1.1 observatie van de hoestprikkel en sputumproductie...........................................3
1.1.2 ademgeluiden beluisteren...................................................................................3
1.1.3 mondinspectie..................................................................................................... 3
1.2 Observaties voor de ademhaling...............................................................................4
1.2.1 vragen naar specifieke klachten of observeer.....................................................4
1.2.2 observeer ademhalingsfrequentie, ritme en diepte.............................................4
1.2.3 observeer de bewegingen van de thorax.............................................................5
1.2.4 observeer het ademhalingspatroon.....................................................................5
1.2.5 observaties huidskleur.........................................................................................5
1.2.6 zuurstofsaturatie of pulsoximetrie.......................................................................6
2 Disfuncties en complicaties............................................................................................. 6
2.1 Belemmering van de luchtweg..................................................................................6
2.1.1 luchtwegobstructie door de tong.........................................................................6
2.1.2 luchtwegobstructie door zwelling of oedeem in de keel......................................6
2.1.3 luchtwegobstructie door corpus alienum.............................................................6
2.1.4 ophoping van slijm en sputum.............................................................................6
2.1.5 aspiratie als gevolg van verslikking.....................................................................6
2.2 Beperking van thorax- diafragmabeweging...............................................................7
2.2.1 verzwakte of afwezige hoestprikkel/ neurologische uitval slikreflex/hoestreflex. 7
2.2.2 pijn bij het ademhalen of bewegingsbeperking van thorax of diafragma.............7
2.2.3 neurologische beperkingen.................................................................................7
2.3 Verstoorde ademcoördinatie......................................................................................7
2.3.1 hyperventilatie.................................................................................................... 7
2.3.2 ineffectieve ademhaling door psychogene invloeden..........................................7
2.3.3 ademhaling volgens Cheyne-stokes....................................................................7
2.3.4 overmatige hoestprikkel......................................................................................7
2.4 Onvoldoende ventilatie van de longen.......................................................................8
2.4.1 door immobiliteit.................................................................................................8
2.4.2 medicatie of middelengebruik.............................................................................8
2.5 Zuurstoftekort (hypoxie)............................................................................................ 8
2.5.1 acuut vs chronisch zuurstoftekort........................................................................8
2.5.2 oorzaken van zuurstoftekort................................................................................8
2.5.3 symptomen van zuurstoftekort............................................................................8
3 Interventies/vaardigheden............................................................................................... 9
1
, 3.1 Zuurstof toedienen volgens voorschrift.....................................................................9
3.1.1 zuurstofbronnen.................................................................................................. 9
3.1.2 toedieningsmethoden..........................................................................................9
3.2 Complicaties bij zuurstoftoediening.........................................................................10
3.3 Toediening medicatie via ademhaling.....................................................................10
3.4 Stimuleren van een goede ademhalingstechniek en ademhalingsoefeningen.........11
3.5 Effectieve hoesttechniek en sputummobilisatie stimuleren d.m.v. vochtinname,
percussie, vibratie en houdingsdrainage.......................................................................11
3.6 Middelen die het verwijderen van fluimen vergemakkelijken..................................11
3.7 Adviseren van een juiste houding voor een optimale ademhaling...........................12
RESPIRATOIR STELSEL
1 KLINISCHE OBSERVATIES EN MEETINSTRUMENTEN
2
, 1.1 OBSERVATIES VOOR DE LUCHTWEGEN
1.1.1 OBSERVATIE VAN DE HOESTPRIKKEL EN SPUTUMPRODUCTIE
Een hoestprikkel is een reflex, meestal als reactie op prikkels in de luchtwegen zoals
slijm, stof of een ontsteking.
Bij een droge hoest wordt er geen sputum geproduceerd, bij een productieve hoest wordt
er wel sputum aangemaakt.
Observeer volgende aspecten m.b.t het sputum:
- Kleur:
Transparant of witachtig: meestal normaal
Geel of groen: kan wijzen op een bacteriële infectie
Bruin of roestkleurig: mogelijk bij een longontsteking
Bloed: hemoptoe, kan wijzen op TBC of een longcarcinoom
- Geur
- Textuur:
Waterig
Dik en taai
- Hoeveelheid
- Regelmaat:
Sporadisch
Continu
- Wanneer:
’s nachts
Bij inspanning
…
1.1.2 ADEMGELUIDEN BELUISTEREN
Een vrije luchtweg geeft een onhoorbare ademhaling. Een gedeeltelijke obstructie van de
hoge luchtwegen geeft een hoog, gierend geluid.
Snurken is het geluid van een vibrerende huig en is ongevaarlijk. Echter zijn
snurkgeluiden bij bewusteloze personen gevaarlijk, dit kan wijzen op een uitzakkende
tong en de ademhaling blokkeren.
Verdachte ademgeluiden zijn: (geluiden zie ppt)
- Ronchi of reutelgeluiden: bij oedeem, slijm, sputum
- Crepiteren of knisperen: beginnende pneumonie, pleuravocht, oedeem
- Inspiratoire stridor: laryngospasme, glottisoedeem
- Expiratoire stridor: piepen/gieren, kan voorkomen bij bronchospasme
- Gorgelen: braaksel, bloedstolsel, slijm
- Snurken: bij verslapping en verzakking van de tong
1.1.3 MONDINSPECTIE
Manuele mondinspectie wordt enkel uitgevoerd bij een bewusteloos slachtoffer door met
de vingers een scheppende beweging door de mond te maken, wanneer een vreemd
voorwerp zichtbaar is.
3
1 Klinische observaties en meetinstrumenten....................................................................3
1.1 Observaties voor de luchtwegen................................................................................3
1.1.1 observatie van de hoestprikkel en sputumproductie...........................................3
1.1.2 ademgeluiden beluisteren...................................................................................3
1.1.3 mondinspectie..................................................................................................... 3
1.2 Observaties voor de ademhaling...............................................................................4
1.2.1 vragen naar specifieke klachten of observeer.....................................................4
1.2.2 observeer ademhalingsfrequentie, ritme en diepte.............................................4
1.2.3 observeer de bewegingen van de thorax.............................................................5
1.2.4 observeer het ademhalingspatroon.....................................................................5
1.2.5 observaties huidskleur.........................................................................................5
1.2.6 zuurstofsaturatie of pulsoximetrie.......................................................................6
2 Disfuncties en complicaties............................................................................................. 6
2.1 Belemmering van de luchtweg..................................................................................6
2.1.1 luchtwegobstructie door de tong.........................................................................6
2.1.2 luchtwegobstructie door zwelling of oedeem in de keel......................................6
2.1.3 luchtwegobstructie door corpus alienum.............................................................6
2.1.4 ophoping van slijm en sputum.............................................................................6
2.1.5 aspiratie als gevolg van verslikking.....................................................................6
2.2 Beperking van thorax- diafragmabeweging...............................................................7
2.2.1 verzwakte of afwezige hoestprikkel/ neurologische uitval slikreflex/hoestreflex. 7
2.2.2 pijn bij het ademhalen of bewegingsbeperking van thorax of diafragma.............7
2.2.3 neurologische beperkingen.................................................................................7
2.3 Verstoorde ademcoördinatie......................................................................................7
2.3.1 hyperventilatie.................................................................................................... 7
2.3.2 ineffectieve ademhaling door psychogene invloeden..........................................7
2.3.3 ademhaling volgens Cheyne-stokes....................................................................7
2.3.4 overmatige hoestprikkel......................................................................................7
2.4 Onvoldoende ventilatie van de longen.......................................................................8
2.4.1 door immobiliteit.................................................................................................8
2.4.2 medicatie of middelengebruik.............................................................................8
2.5 Zuurstoftekort (hypoxie)............................................................................................ 8
2.5.1 acuut vs chronisch zuurstoftekort........................................................................8
2.5.2 oorzaken van zuurstoftekort................................................................................8
2.5.3 symptomen van zuurstoftekort............................................................................8
3 Interventies/vaardigheden............................................................................................... 9
1
, 3.1 Zuurstof toedienen volgens voorschrift.....................................................................9
3.1.1 zuurstofbronnen.................................................................................................. 9
3.1.2 toedieningsmethoden..........................................................................................9
3.2 Complicaties bij zuurstoftoediening.........................................................................10
3.3 Toediening medicatie via ademhaling.....................................................................10
3.4 Stimuleren van een goede ademhalingstechniek en ademhalingsoefeningen.........11
3.5 Effectieve hoesttechniek en sputummobilisatie stimuleren d.m.v. vochtinname,
percussie, vibratie en houdingsdrainage.......................................................................11
3.6 Middelen die het verwijderen van fluimen vergemakkelijken..................................11
3.7 Adviseren van een juiste houding voor een optimale ademhaling...........................12
RESPIRATOIR STELSEL
1 KLINISCHE OBSERVATIES EN MEETINSTRUMENTEN
2
, 1.1 OBSERVATIES VOOR DE LUCHTWEGEN
1.1.1 OBSERVATIE VAN DE HOESTPRIKKEL EN SPUTUMPRODUCTIE
Een hoestprikkel is een reflex, meestal als reactie op prikkels in de luchtwegen zoals
slijm, stof of een ontsteking.
Bij een droge hoest wordt er geen sputum geproduceerd, bij een productieve hoest wordt
er wel sputum aangemaakt.
Observeer volgende aspecten m.b.t het sputum:
- Kleur:
Transparant of witachtig: meestal normaal
Geel of groen: kan wijzen op een bacteriële infectie
Bruin of roestkleurig: mogelijk bij een longontsteking
Bloed: hemoptoe, kan wijzen op TBC of een longcarcinoom
- Geur
- Textuur:
Waterig
Dik en taai
- Hoeveelheid
- Regelmaat:
Sporadisch
Continu
- Wanneer:
’s nachts
Bij inspanning
…
1.1.2 ADEMGELUIDEN BELUISTEREN
Een vrije luchtweg geeft een onhoorbare ademhaling. Een gedeeltelijke obstructie van de
hoge luchtwegen geeft een hoog, gierend geluid.
Snurken is het geluid van een vibrerende huig en is ongevaarlijk. Echter zijn
snurkgeluiden bij bewusteloze personen gevaarlijk, dit kan wijzen op een uitzakkende
tong en de ademhaling blokkeren.
Verdachte ademgeluiden zijn: (geluiden zie ppt)
- Ronchi of reutelgeluiden: bij oedeem, slijm, sputum
- Crepiteren of knisperen: beginnende pneumonie, pleuravocht, oedeem
- Inspiratoire stridor: laryngospasme, glottisoedeem
- Expiratoire stridor: piepen/gieren, kan voorkomen bij bronchospasme
- Gorgelen: braaksel, bloedstolsel, slijm
- Snurken: bij verslapping en verzakking van de tong
1.1.3 MONDINSPECTIE
Manuele mondinspectie wordt enkel uitgevoerd bij een bewusteloos slachtoffer door met
de vingers een scheppende beweging door de mond te maken, wanneer een vreemd
voorwerp zichtbaar is.
3