Leg uit: Waarom is de variabele “aantal uren studeren” soms kwantitatief en
soms kwalitatief?
Dit haal je uit de beschrijving van de variabele. Gaat het over het totaal aantal
uren dat een student gestudeerd heeft voor een bepaald vak => kwantitatief.
Gaat het over het aantal uren studeren per dag => eerder kwalitatief
OLP: TEKEN + WELKE ANALYSETECHNIEK (OLP P.
26)
Teken deze variabelen: (niet het schema)
OV1: In welke mate zijn zowel het IQ als het aantal uren dat een leerling
studeert per dag goede voorspellers voor wiskundescores op een centrale
toets?
OV1: 3 kwantitatieve variabelen
OV2: Leidt sociale economische achtergrond (laag, midden, hoog) tot andere
attestering (a-attest, b-attest, c-attest) in het 1ste jaar ASO?
OV2:
Sociale economische achtergrond: Attestering:
categorisch met
categorisch met > 2 categorieën: > 2 categorieën
OV3: Hangt het percentage werknemers dat een training of opleiding volgt
samen met de bedrijfsgrootte (uitgedrukt in aantal werknemers)?
OV3: twee kwantitatieve categorieën:
,Statistiek B – herhalingsvragen Pag.: 2
OV4: Visualiseer de variabelen (geen schema tekenen)
Heeft een open bedrijfsklimaat een invloed op het welbevinden van het werk?
OV4:
Eerst nagaan hoe het “open bedrijfsklimaat” gemeten is.
Optie 1: Is het gewoon de vraag aan werknemers: “Is het klimaat open of
niet?”
Antwoord is categorisch met twee categorieën: ja en nee =>
Optie 2: Is het “open bedrijfsklimaat” een latente variabele die dankzij een
hoop vragen tot een schaalscore werd? => schaalscore
Antwoord = kwantitatief:
Zelfde redenering voor “welbevinden”. Dit kan ook categorisch of kwantitatief
zijn, afh. van de manier van bevragen.
OV5: Heeft de onderwijsvorm en het leerjaar waarin een leerling zit een
invloed op het schools welbevinden van die leerling?
OV5:
Onderwijsvorm is categorisch met > 2 categorieën =>
Leerjaar is ook categorisch met > 2 categorieën =>
Welbevinden = kan categorisch OF kwantitatief zijn (afh. van manier van
bevragen).
, Statistiek B – herhalingsvragen Pag.: 3
OLP: TEKEN + WELKE ANALYSETECHNIEK (OLP P.
197)
a) Leerkracht Guy gelooft niet in “intelligentie-toetsen”. Omdat hij wel
gelooft in de kracht van de waarneming wil hij eigenlijk weten of er een
samenhang bestaat tussen een score op een IQ-toets en de score op
een wiskundetoets. Hij vergelijkt de scores van de IQ-toets met die van
de wiskundetoets.
b) Een arts-homeopaat kampt met een tweestrijd. Als homeopaat is zij er
rotsvast van overtuigd dat stress een hele sterke impact heeft op de vat-
baarheid voor een gewone verkoudheid (keelpijn, loopneus, hoest, stram-
heid in de spieren). Als geneeskundige gelooft ze echter dat dit moet kun-
nen worden aangetoond. Daarom tracht ze de mate van stress op te
meten onder de vorm van een Likert-schaal met 9 items. Daarnaast meet
ze de mate van verkoudheid door middel van een index (de aanwezigheid
van een aantal symptomen: afwezig/licht aanwezig/zwaar aanwezig).
Beide maten blijken een acceptabele interne consistentie te vertonen
(Cronbach's alpha boven de 0,70) bij een steekproef van 120 patiënten. De
arts-homeopaat wil echter weten in welke mate de kans op een verkoud-
heid zou toenemen bij de aanwezigheid van diverse stress-symptomen
c) Een Brusselse chocolatier wil de ideale prijs bepalen voor zijn exclusieve
chocolade. Hij wil weten of er een verband bestaat tussen enerzijds de
hoeveelheid chocoladevormen die hij verkoopt en anderzijds de prijs van
zijn chocolade kunstwerkjes'. Hij merkt dat als hij de prijs verhoogt de ver-
koopscijfers van zijn chocolade dalen.