Hoofdstuk 13: Staatsrecht
13.5 Algemene kenmerken van de Belgische staatsstructuur (7)
13.2.1 De nationale soevereiniteit
art. 33 Gw.: “Alle machten gaan uit van de Natie. Zij worden uitgeoefend op de wijze bij de Grondwet
bepaald.” = idee vd nationale soevereiniteit :
Soevereiniteit= hoogste macht die van niets is afgeleid en aan niets ondergeschikt is. DUS:
- geen van de gestelde machten is soeverein (WM, RM, UM)
- soevereiniteitsoverdracht in internationale context => art. 34 Gw.: “De uitoefening van
bepaalde machten kan door een verdrag of door een wet worden opgedragen aan
volkenrechtelijke instellingen.” = beperking op uitoef van nationale soevereiniteit.
13.2.2 Een rechtsstaat
Staat is onderworpen aan het recht en staatsmacht is beperkt door het recht.
Deze beperkingen:
- Bevoegdheidsbeperkingen
o Horizontale scheiding der machten
o Verticale verdeling van bevoegdheden: federaal, gemeenschaps- en gewestelijk
bevoegdheidsniveau
- Grondrechten
o Grondwet: titel II
o Mensenrechtenverdragen
Fundamenteel voor materieel-democratische rechtsstaat
Bevat klassieke liberale vrijheidsrechten maar ook sociale grondrechten.
13.2.3 De scheiding der machten
Trias politica: machten gescheiden ter voorkoming van machtsconcentratie: MONTESQUIEU: “Tout
homme qui a du pouvoir, est porté a en abuser” => elkaar in evenwicht houden.
geen strikte scheiding, maar checks and balances
- Samenwerken
Totstandkoming van wetgeving: parlement en regering
Rechters en uitvoerende macht bij strafvordering en uitvoering
- Controle:
parlementaire meerderheid (controle opportuniteit)
artikel 159 Gw. (controle legaliteit)
Rekenhof (controle legaliteit)
1
,= van belang voor onafhankelijkheid vd rechterlijke macht. Rechterlijke macht moet wettigheid
bestuursbeslissingen beoordelen, niet opportuniteit => uitvoerende macht (onder politieke controle
WM)
13.2.4 Een representatieve en parlementaire democratie
Regering ‘van, door en voor het volk’ = via onrechtstreekse vertegenwoordiging: door volk verkozen
vertegenwoordigers oefenen WM uit door goedkeuring bij aannnemen van wetten in formele zin.
- Regering heeft vertrouwen nodig van parlement in vorm van steun van meerderheid in
volksvertegenwoordiging, pol verantwoord voor schulden parlement
parlement + Koning & regering: wetgevende macht
Koning & regering: uitvoerende macht
13.2.5 Erfelijke constitutionele monarchie
Staatshoofd door erfopvolging via nakomelingschap in rechte lijn van Leopold I (art. 85 Gw.)
- Koning der Belgen
- 1991: afschaffing Salische wet (koningschap voorbehouden mannelijke erfgenamen)
- bij gebrek erfgenaam: Koning benoemt opvolger met instemming van parlement
onverantwoordelijk:
- handelt onder politieke verantwoordelijkheid (“dekking”) van minister
- medeondertekening minister (art. 106 Gw.) => kan hier niet voor verantwoording geroepen
worden en zonder handtekening kan akte van koning geen gevolg hebben
onschendbaar: art 88 GW.
13.2.6 Federale staat
De staatsvormen:
o Eenheidsstaat/unitaire staat: wm, um, rm = 1 centrale overheid (op uitvoerend vlak
kan wel decentralisatie)
o Confederatie/statenbond: samenwerkingsvorm tussen soevereine staten, vastgelegd
bij verdrag. Bepaalde bevoegdheden worden uitgeoefend (geen afzonderlijke staat)
· Mogelijke stap voor BE: hogere autonomie voor deelstaten en aandacht voor
cohesie en integratie op federaal niveau is veel minder sterk.
o Federale staat of statenbond: deelentiteiten hebben eigen WM, UM, RM die niet
kunnen worden uitgeoefend door federaal niveau. Geen enkele federale staat is
identiek maar toch aantal gemeenschappelijke kenmerken
1) onderscheiden bevoegdheidsniveaus met macht en instellingen
2) grondwettelijk verankerde verdeling van bevoegdheden in
bevoegdheidsdomeinen. Deze bevoegdheden kunnen:
exclusief toegewezen worden
parallel toegewezen worden
2
, concurrerend zijn: beide niveaus zijn bevoegd om zelfde materie te
regelen (federal paramountcy)
meeste bevoegdheden zijn toegewezen; residuaire komen aan ene
of andere niveau toe meeste gevallen : deelstatenniveau.
3) participatie van deelstaten aan federale wetgeving en herziening van
Grondwet
4) specifieke regeling voor fiscaliteit en financiering
5) regeling voor beslechting van bevoegdheidsconflicten
· BE: BI-DIMENSIONEEL FEDERALISME: drie gewesten, drie gemeenschappen
( DUI: Länder, VS: states, CA: provinces)
· Verklaring?: historische oorsprong BE federalisme
Historische oorsprong federale staat BE: van unitaire staat naar federale staat
2) Het unitaire BE:
o 1831 Franstalige Unitaire staat + besluit Voorlopig Bewind 1830= Frans is enige
officiële taal voor wetten en besluiten => ambachtelijk en rechterlijk leven gebeurt
volledig in Frans
o Tweede helft 19e eeuw: De zaak Coucke en Goethals => ned in:
1873: strafzaken
1878: bestuurszaken
1883: onderwijs
1898: Ned als offciële taal op gelijke voet met FR erkent.
o 1962: vastlegging vier taalgebieden a.d.h.v territorialiteitsbeginsel (bestuurstaal is de
taal van gebied waar bestuur zich bevindt.)
o 1960: Eenheidswet ; zou staatsuitgaven verlagen door besparingen en belastingen
te verhogen met oog op meer creatie van werk: algemene staking breekt uit.
Op aansporing van ABVV (fr socialistische vakbond) MAAR stakingen
mislukken: Volgens de Franstalige socialistische vakbond (ABVV) kwam dat
door het ‘reactionaire’ (conservatieve, tegenwerkende) optreden in
Vlaanderen, waar de christelijke vakbond (ACV) zich van de staking had
afgekeerd en er niet aan deelnam.: geen eenheid van vakbonden
Mouvement Populaire Wallon opgericht:
· tegen kapitalistische hervormingen en wilde federale herinrichting
BE
· meer socio economische beslissingsmacht voor WALL.
Deze twee bewegingen= staatshervormingen (6) dmv wijzigingen grondwet en bijzondere
meerderheidswetten
3) 1970: DE EERSTE STAATSHERVORMING
Grendelgrondwet: grendels die beletten dat VL meerderheid op basis van gewone
meerderheidsregeling de belangen van FR minderheid zou miskennen
o techniek van de bijzondere meerderheidswet
o communautaire alarmbelprocedure in het (toen nog nationale) parlement
o pariteit van N- en F-talige ministers (eerste minister uitgezonderd)
cultuurgemeenschappen= voorlopers huidige gemeesnchappen (FR en NED) en krijgen
beperkte autonomie op vlak van taal, onderwijs en cultuur
3
, o wetgevende bevoegdheid: decreten
o wetgevend orgaan= cultuurraden (nationale parlementsleden + respectieve
taalgroep) ( geen afzonderlijke regering: ministers v Cultuur op nationaal
niveau)
o duitse cultuurgemeenschap (wel eigen verkozen raad)
o 1974: voorlopige gewestraden geïnstalleerd
4) 1980 DE TWEEDE STAATSHERVORMING
Omvorming drie cultuurgemeenschappen naar gemeenschappen: bevoegdheid =
uitgebreid naar persoonsgebonden aangelegenheden
Gewestelijk niveau:
o VL en Waalse Gewestraad: eigen wetgevende bevoegdheden in plaatsgebonden
aangelegenheden
Eigen parlement en regering:
o parlementsleden: nationaal verkozen uit overeenstemmende taalgroep
(dubbelmandaat)
procedure belangenconflicten: uitgebreid + ARBITRAGEHOF om bevoegdheidsconflicten
te beslechten
5) 1988-1989: DE DERDE STAATSHERVOMING
Onderwijs: gemeenschappen krijgen gehele bevoegdheid (enkele uitzondering)
Uitbreiding bevoegdheid arbitragehof: art 10 en 11 GW + Art 24 GW: waarborgen
onderwijsvrijheid binnen gemeenschappen
Brussels hoofdstekelijk gewest: inrichting geregeld
o Vergelijkbare bescherming voor Nederlandstaligen in Brussel als Franstalige in
nationale regering: samenwerkingsakkoorden erkend.
6) 1993: DE VIERDE STAATSHERVORMING: SINT-MICHIELSAKKOORDEN
Federale staat: BE als federale staat erkent in grondwet
o Samenstelling Senaat wijzigt naar vertegenwoordigingskamer
Bevoegdheden:
o Rol in internationale forum: bevoegdheid om verdragen te sluiten met
betrekking tot bevoegdheden (bevoegdheid exportpromotie)
o Raden van gemeensch en gewesten: rechtstreeks verkozen (einde
dubbelmandaat)
o Beperkt constitutieve autonomie van gemeenschappen en gewesten
7) 2001-2003: DE VIJFDE STAATSHERVORMING (LAMBERMONT – EN LOMBARD-AKKOORDEN)
Enkel herziening bij bijzondere wet
Bevoegdheden:
o Uitgebreid met buitenlandse handel, landbouw, administratief toezicht
ondergschikte besturen
4