Cursusmateriaal: HCO, slides, teksten lezen (niet vanbuiten kennen, wel begrijpen en kunnen koppelen
aan de college’s)
– Hoofdstuk 0: Situering en centrale begrippen
– Hoofdstuk 1: The media and modernity: processes, consequences and contours
– Hoofdstuk 2: The media and everyday life
– Hoofdstuk 3: The media, the public and the private
– Hoofdstuk 4: The media and community
– Hoofdstuk 5: The media and morality
Leerdoelen & eindcompetenties
• Inzicht hebben in mediasociologische theorievorming, concepten en denkkaders
• Theoretische inzichten kunnen begrijpen, kunnen uitleggen en kunnen toepassen op andere
voorbeelden
Het examen à Mondeling met schriftelijke voorbereiding ; twee vragen
– 1 vraag gericht op kennisreproductie en inzicht , kunnen aantonen dat je
• (1) een theorie of een concept begrepen hebt
• (2) de theorie of het concept kunt uitleggen in de woorden van de auteur en in je eigen woorden
• (3) de theorie of het concept kunt situeren in de context waarin zij/het tot ontwikkeling is gekomen
– 1 verband- of 1 toepassingsvraag gericht op zelfstandige uitdieping , kunnen aantonen dat je
• (1) elementen uit de cursus die afzonderlijk behandeld werden, met elkaar in verband kan brengen
• (2) zelf een voorbeeld kan uitwerken om een bepaalde theorie/concept toe te passen
HOOFDSTUK 0: Situering en centrale begrippen
HOOFDSTUK 1: The media and modernity – Features, contours and consequences
HOOFDSTUK 3: The media, the public and the private
HOOFDSTUK 2 – The media and everyday life
HOOFDSTUK 5 – The media and morality
1
,2
,*Mediasociologie (B)
à Is een onderdeel van de sociologie dat zich richt op de rol van media in de samenleving: het gaat niet
alleen over televisie, radio of internet, MAAR over alle vormen van communicatie en symbolische
systemen die een samenleving verbinden.
!!! Mediasociologie bouwt voort op sociale theorie à *Sociale theorie probeert antwoorden te geven op
drie grote vragen (Reckwitz & Rosa):
In wat voor samenleving leven we? → (disclaimer: we gaan het hebben over de samenlevingen in de
westerse wereld) Beschrijven hoe de maatschappij nu is.
Voorbeeld: leven we in een kapitalistische, digitale of netwerksamenleving?
In welke richting is de samenleving aan het evolueren? → Ontwikkelingen voorspellen of duiden.
! Voor mediasociologen is het vraagstuk welke rol media daarin spelen heel belangrijk.
Voorbeeld: van industriële samenleving naar een digitale netwerksamenleving.
Wat is ‘la condition sociale moderne’? → Wat betekent het om modern te zijn? Wat is de sociale
conditie van onze tijd?
Mediasociologen stellen vragen als: ‘Hoe beïnvloeden media onze manier van samenleven?’ ; ‘Hoe
dragen media bij aan sociale veranderingen?’ ; ‘Kun je een moderne samenleving voorstellen zonder
media?’
Richard Barbrook zegt hierover: “There can be no modernity without the media. There can be no media
without modernity.”
*Moderniteit een super belangrijk begrip voor mediasociologen ; BELANGRIJK argument: ‘Neen, de wereld
die we kennen is nog altijd een moderne wereld: de basisprincipes waarrond ons leven georganiseerd is
grijpt terug naar de basiskenmerken van de moderniteit.’
De komst van media, die op een georganiseerde / grootschalige manier met behulp van technologie en
techniek een grote groep van mensen bereikt: ze zijn volwaardige instelling in onze maatschappij.
à Er werken mensen, speelt een actieve rol, er zijn regels, belangrijke actor in de samenleving, etc.
Gevolg? We zien snel dat er een sterke relatie is tussen MEDIA en MODERNITEIT
- Media geven vorm aan de moderniteit.
- Moderniteit maken nieuwe media mogelijk / creëert nieuwe media.
! Dit betekent dat modern-zijn (B) en media onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: het bereikt veel
mensen, waardoor een hele transformatie van de samenleving plaatsvind.
è Samenvallen van introductie van media en verandering in de samenleving – Synchrone ontwikkeling
• Wat betekent “modern-zijn?”
à Moderniteit is de sociale toestand waarin wij sinds de 16e eeuw (ongeveer 1500) leven.
Moderne samenleving 20ste – 21ste samenleving
!!! Belangrijk iets historisch te kunnen situeren – EXAMEN
3
, • ‘Zijn we nog modern?’ – Veel auteurs zeggen, JA dat zijn we nog steeds want er zijn een aantal
taken onveranderd gebleven.
Verschillende fasen in de moderniteit:
a) Vroege moderniteit (1500-1800) – ‘bourgeois modernity’ ; de oorsprong
*Economisch: *Mercantilisme (B) (handel en kolonisatie als motor) à Een economische politiek die erop
gericht is om de rijkdom van het eigen land te vergroten door import te verkleinen en export te vergroten.
+ oorsprong van een vroeg kapitalistische organisatie.
*Innovaties: Drukpers, overzeese reizen, wetenschappelijke vooruitgang. – Interessant samenspel tussen
economische ontwikkeling en wetenschappelijke / technologische vooruitgang.
*Cultureel: Renaissance, reformatie, begin van secularisering (onttovering van de wereld : de dominante
positie van religie worden onttrokken uit de verschillende domeinen in de samenleving – “onttovering van
de wereld” : de wereld wordt gezien als materieel, niet magisch).
*Politiek: Opkomst van staten (ook vandaag blijft het idee van een natiestaat: het idee dat een land recht
heeft op een eigen staat blijft vandaag super relevant en belangrijk)
📌 Voorbeeld: de ontdekking van Amerika (1492) en de verspreiding van kennis via de drukpers
veranderden hoe mensen naar de wereld keken.
b) Industriële moderniteit (1800-1970)
*Economisch: Industriële revolutie (stoommachines, staal, mijnbouw, fabrieken, wapens worden
alsmaar effectiever) komt volop op gang.
*Denken: Verlichtingsdenken → Mens als rationeel wezen, gelijkheid belangrijk (is sterk doorgesijpelt in de
manier waarop we over onszelf denken als mensen)
! Een filosfie die geprobeerd heeft de mens te ontvoogden / bevrijden: autonoom denken los van kaders
die hen vastzetten.
(in het dagdagelijks leven, de manier waarop mensen zichzelf beschouwen is zeer sterk doorgedrongen)
Dus, duidelijk dat het streven naar gelijkheid als duidelijk kenbaar is in deze periode.
*Industrieel kapitalisme → Fabrieken waar grote groepen van mensen aan de slag gaan: massaproductie
van goederen (voeding, brandstoffen, consumptie).
- Massaproductie: alles wordt op masale schaal geproduceerd.
*Politiek: Liberale democratieën groeien (veel landen maken een einde aan regimes waar er weinig
inspraak is van de bevolking).
Gevolg? Het tijdperk waarin participatie van de bevolking toeneemt (media belangrijke rol: zoals kranten
die als belangrijkste missie zien het publiek voeden en betrekken, vervolgens ook radio en tv)
📌 Voorbeeld: De lopende band van Henry Ford veranderde productie en consumptie wereldwijd.
4
,c) Late moderniteit (1970-heden) ; age of anger & ‘deep uncertainty’
*Economisch: Postindustrieel → Focus op diensten en kennis i.p.v. alleen fabrieken.
! De zware industrie is verdwenen in veel westerse landen en heeft zich verplaatst, Bv: wij weten niet meer
wat het is om te werken in mijnen, genoeg andere landen ontginnen nog altijd masaal grondstoffen.
Dus, we blijven er nood aan hebben, maar vindt vooral plaats in zuidelijke wereld.
*Technologisch: IT-revolutie (computers, internet, sociale media) ; materiële steeds minder belangrijk,
draait om informatie en communicatie.
Bv: Het internet in eerste instantie gezien als iets functioneel (1995), heel snel wordt het meer dan iets
functioneel waar we info mee opzoeken maar iets waar we ook mee kunnen communiceren.
(idee moderniteit? : Thompson ; reordening van space of time = compression) – Ontdekking van
gelijktijdigheid: ongeacht waar mensen zich bevinden konden ze op eenzelfde moment toegang krijgen
tot inhoud.
! Het gebeurt in de huiselijke sfeer waardoor we een connectie krijgen tussen individuen (ze zijn niet
samen, maar voelen zich verbonden: heeft een enorme impact gehad op veel domeinen in de
samenleving zoals politiek, dagelijks leven, tijdsindeling, overheden)
à Men moest niet meer altijd iedereen bij elkaar krijgen, maar kon elkaar ook versnipperd bereiken.
*Sociaal: Globalisering versnelt het transport (nu hebben we steps, vliegtuigen, elektrische fiets, etc.)
transnationale bedrijven (Google, Apple), migratie en diaspora.
Dus, de snelheid om iets te bereiken wordt steeds hoger opgedreven.
*Religie: Geen vanzelfsprekendheid meer, maar een individuele keuze (een soort supermarkt van religies:
mensen kiezen en combineren).
! De secularisatie zet zich sterk door: de beleving van religie vloeit NIET MEER voort uit de gedachte van
‘dit is het altijd geweest dus ik doe het ook’, ó Veel mensen beginnen het te zien als een soort
‘supermarkt’ waar je zelf kan bepalen waarin je wilt geloven.
Dus, meer en meer mensen zien relgie als een individueel levensproject.
📌 Voorbeeld: Sociale media zoals Facebook of TikTok verbinden mensen wereldwijd en maken identiteit
steeds meer een persoonlijke keuze.
5
, • “Zijn we nog modern?”
à Volgens sociologen wel, MAAR de moderniteit ziet er steeds anders uit ; typisch voor de moderniteit /
kenmerken die blijven terugkomen:
1. Het in vraag stellen van tradities (we volgen niet vanzelf tradities, we kiezen).
→ Bv: Huwelijken, genderrollen of religie worden niet meer klakkeloos overgenomen.
2. Blijvende rol van industrialisering (machines en technologie blijven een motor).
→ Bv: AI en robotica nemen de rol van fabrieken over.
3. Kapitalisme als drijvende kracht (geld en markten sturen de samenleving) is niet verdwenen, is
uitgedaagd, maar is een veerkrachtige economische logica die je niet makkelijk onderuit krijgt.
→ Bv: gig-economie (Uber, Deliveroo).
4. Democratie als doorslaggevende kracht (burgerparticipatie, stemmen, rechten).
→ Bv: Discussies over fake news en sociale media beïnvloeden democratische processen.
!!! Bovenstaande 4 elementen zien we nog altijd in de late moderniteit (1970-nu)
Waarom is mediasociologie belangrijk? à Omdat media en moderniteit elkaar nodig hebben:
- Enerzijds - Media geven vorm aan moderniteit: zonder drukpers geen Reformatie, zonder televisie
geen massademocratie, zonder internet geen globalisering zoals nu.
- Anderzijds - Moderniteit creëert nieuwe media: elke fase van de moderniteit brengt
technologische en communicatieve innovaties voort.
Concreet voorbeeld:
De drukpers (vroege moderniteit) → kennisverspreiding, wetenschap, religieuze veranderingen.
De krant en radio (industriële moderniteit) → massapolitiek, propaganda, democratie.
Het internet en sociale media (late moderniteit) → globalisering, identiteitspolitiek, fake news.
6