Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 5 van de 64 pagina's
Samenvatting

Samenvatting ingevulde studiewijzers Filosofie, geslaagd in 1e zit 16/20

Document preview thumbnail
Voorbeeld 5 van de 64 pagina's

Antwoord op alle studiewijzers (dus van hoofdstuk 1-6) van het vak Filosofie, gedoceerd door prof. Willem Lemmens. Geslaagd in 1e zit (16/20 !). Ik heb alle vragen beantwoord uit de 6 studiewijzers met behulp van het boek. Daarnaast heb ik ook alle begrippen uitgelegd die relevant en te kennen waren.

Voorbeeld van de inhoud

VRAGEN FILOSOFIE
HOOFDSTUK 1


1.​ Wat verstaat Aristoteles onder ‘filosofie’? Leg uit adhv etymologie van het
begrip filosofie / wijsbegeerte.

‘filosofie’ uit Oudgrieks philo-sophia = ‘liefde tot de wijsheid’, in nederland ‘wijsbegeerte’;
volgens etymologische betekenis verwijst filosofie naar verlangen van mens om wijs te
worden en de werkelijkheid in haar diepste waarheid te begrijpen.

In Van Dale-woordenboek: filosofie als leer die zowel alomvattende wetenschap als
levensleer wil zijn = filosofie enerzijds streven is naar kennis die hele werkelijkheid wil
begrijpen (totaliteit van het zijn) en anderzijds ook vorm van levenskunst wil zijn, omdat die
kennis moet bijdragen aan inzicht in het juiste en goede leven.

Volgens Aristoteles, die westerse traditie van filosofie diep heeft beïnvloed, is filosofie in
eerste plaats zoektocht naar kennis van eerste beginselen en oorzaken van werkelijkheid.
Metafysica: “de mens die kennis omwille van haarzelf nastreeft, het meest verlangt naar
perfecte kennis, en dit is de kennis van wat het meest kenbaar is, namelijk de eerste
beginselen en oorzaken.” → de ware filosoof is niet op zoek naar kennis om praktische of
materiële redenen, maar omdat hij of zij uit liefde voor de waarheid wil begrijpen wat de
grond en oorsprong van al het bestaande is.

Deze kennis = metafysica = hoogste wetenschap. Filosofie is voor hem de meest verheven
vorm van weten, omdat zij niet afhankelijk is van nut of voordeel, maar omwille van zichzelf
wordt nagestreefd. Ook leidt filosofie volgens Aristoteles tot gelukzaligheid (Eudaimonia),
want het inzicht in waarheid en in orde van de werkelijkheid bevrijdt de geest en maakt de
mens werkelijk gelukkig.

Praktische betekenis: kennis van het ware en het goede helpt de mens om op een juiste
wijze te leven en om als burger een goed en rechtvaardig leven te leiden binnen de
gemeenschap → filo draagt bij aan zowel individuele geluk van mens als aan welzijn van
samenleving als geheel.

Aristoteles verstaat onder filosofie: de liefde voor wijsheid, het verlangen om dmv rede de
eerste beginselen en oorzaken van de werkelijkheid te kennen → kennis nagestreefd owv
zichzelf en vormt hoogste wetenschap; ook een levensleer, omdat de waarheid die filosofie
onthult de mens leidt naar inzicht, vrijheid en geluk.

Vraag 2: De Griekse filosofie wou in twee opzichten een levenskunst zijn. Leg uit.
Waarom betekende dit ook een breuk met het op mythe en verhaaltraditie gebaseerde
wereldbeeld van de archaïsche cultuur?

Griekse filosofie wilde in twee opzichten levenskunst zijn. Ten eerste beschouwden de
Griekse filosofen, Socrates, Plato en Aristoteles, het streven naar waarheid en kennis als
vorm van innerlijke vorming en geestelijke vervolmaking. Filosofie was voor hen niet enkel
een theoretische bezigheid, maar een manier van leven = weg naar wijsheid, zelfkennis en

,innerlijke vrijheid; doel was dus niet enkel het verwerven van informatie over de wereld,
maar het bereiken van een beter, zinvoller en gelukkiger leven.

Pierre Hadot: “filosofie als levenskunst”: verlangen naar wijsheid was in Oudheid al een
oefening in juiste manier van leven. Wanneer Aristoteles in zijn Metafysica zegt dat de mens
kennis omwille van zichzelf nastreeft, bedoelt hij daarmee dat de waarheid een bevrijdende
kracht heeft: zij verheft menselijke geest boven alledaagse en leidt tot Eudaimonia, het ware
geluk of de volheid van de ziel.

praktische dimensie: filosofische kennis moest niet alleen individuele ziel vervullen, maar
ook bijdragen tot goede leven in samenleving. Aristoteles benadrukt dat mens niet enkel
denkend wezen is, maar ook politiek wezen (zoon politikon). De waarheid die de filosofie
ontdekt, moest daarom ook richting geven aan ethiek (het juiste handelen) en aan politiek
(de juiste inrichting van de gemeenschap of polis) → filosofie = levenskunst in dubbele zin:
persoonlijke zoektocht naar wijsheid en gids voor juiste samenleven.

dubbele betekenis = radicale breuk met mythisch-religieuze wereldbeeld van archaïsche
Griekse cultuur. In die vroegere tijd werd wereld verklaard dmv mythos: verhalen over
goden, helden en bovennatuurlijke krachten; mythologische tradities boden zingeving, maar
berustten op geloof, overlevering en symbolische verbeelding, niet op rationeel onderzoek of
bewijs.

filosofie bracht fundamentele ommekeer teweeg: verving mythos door logos, de rede. Vanaf
6de eeuw voor Christus begonnen Griekse denkers zoals Thales, Anaximander en
Heraclitus de werkelijkheid niet langer te verklaren door wil van de goden, maar door
natuurlijke oorzaken en beginselen die met menselijk verstand konden worden begrepen. →
ontstond overtuiging dat mens zelf, door zijn rede, toegang heeft tot orde van werkelijkheid
en niet langer afhankelijk is van religieuze verhalen om zin te vinden.

overgang van mythos naar logos = echte begin van westerse filosofie, bracht dus niet alleen
nieuw soort kennis voort, maar ook nieuwe manier van leven: leven dat geleid wordt door
inzicht, rede en zelfreflectie ipv door mythe en traditie → filosofie = autonome vorm van
levenswijsheid en één van de fundamentele pijlers van westerse beschaving.

3. De filosofie vormt één van de pijlers van de Westerse cultuur. Leg uit.

omdat zij, samen met Romeinse recht en christelijke religie, basis heeft gelegd voor het
wereldbeeld, denken en waarden van westerse mens; ontstaan in oude Griekenland en
bepalende rol gespeeld in ontwikkeling van de westerse beschaving.

filosofie bracht ontdekking van de rede (logos) als grondprincipe van kennis, moraal en
samenleving. Daarmee onderscheidde zij zich van mythisch-religieuze denken dat
werkelijkheid verklaarde via de wil van goden. In plaats daarvan stelde de filosofie dat de
mens, door zijn verstand, in staat is de wereld rationeel te begrijpen en zijn leven zinvol in te
richten → rede = fundament van wetenschap, ethiek en politiek, en werd filosofie een
blijvende bron van kritisch denken en zingeving.

,filosofie heeft identiteit van westerse mens mee gevormd: bepaald hoe mens zichzelf, de
wereld en samenleving begrijpt. Zelfs vandaag ontlenen wij onze opvattingen over waarheid,
vrijheid, rechtvaardigheid en kennis grotendeels aan westerse filosofische traditie.

filosofie = pijler van Westerse cultuur omdat zij grondslag heeft gelegd van rationele en
zelfreflectieve denken,kenmerkend voor Westen → heeft mens geleerd om zelf na te
denken, waarheid te zoeken via rede, en morele en politieke orde te vinden obv inzicht ipv
traditie of geloof.

4. Wat zijn de 4 centrale doelstellingen van deze cursus? Verhelder het verband
tussen deze doelstellingen.

eerste doelstelling: geven van karakterschets van moderne filosofie = onderzocht hoe
moderne filosofie, vanaf zeventiende tot negentiende eeuw, werd gevormd door
belangrijkste denkers van die periode; cursus bespreekt hoe hun ideeën het gezicht van
Westerse filosofie hebben bepaald en hoe ze nieuwe vormen van rationaliteit en mensbeeld
introduceerden.

tweede doelstelling: aantonen hoe moderne filosofie mee bepalend is geweest voor
moderne cultuur. De moderne tijd, gekenmerkt door wetenschappelijke revolutie,
industrialisering en verstedelijking, kreeg haar identiteit mede door filosofische ideeën over
rede, vrijheid en vooruitgang → filosofie = niet louter theoretisch, maar ook constitutieve
kracht van moderne cultuur.

derde doelstelling: aanscherpen van inzicht in de crisis van verlichte rede = het geloof in
onbeperkte macht en vooruitgang van de rede, dat centraal stond in de Verlichting, in de
moderne tijd zelf onder druk komt te staan. Filosofen Rousseau, Hume, Schopenhauer en
Nietzsche toonden aan dat de rede niet enkel bevrijdt, maar ook vervreemdt, en dat het
moderne rationaliteitsideaal zijn eigen grenzen en spanningen kent.

vierde doelstelling: laten zien hoe verhaal van moderne filosofie kan bijdragen tot een beter
begrip van de uitdagingen van hedendaagse mens. Door inzicht te krijgen in de ontwikkeling
en crisis van de rede, kan moderne mens beter begrijpen hoe zijn eigen cultuur is ontstaan
en welke spirituele, morele en politieke problemen haar kenmerken.

verband: vormen samen één doorlopend verhaal: door eerst te begrijpen wat de moderne
filosofie is en hoe zij de moderne cultuur heeft gevormd, kan men vervolgens inzicht krijgen
in de crisis van het moderne denken en tenslotte proberen antwoorden te vinden op de
hedendaagse vragen waarmee de mens wordt geconfronteerd.

5. Er zijn 2 redenen om de geschiedenis van de moderne filosofie te bespreken
beginnend bij Plato en eindigend in de 20ste eeuw. Geef deze redenen en leg uit.

eerste reden: breuk die in de zeventiende eeuw het moderne denken deed ontstaan enkel te
begrijpen is als men de weg kent die daartoe heeft geleid = begint bij Griekse filosofie, met
Plato. De moderne filosofie presenteert zich als iets radicaal nieuws, maar zij is in vele
opzichten schatplichtig aan Griekse oorsprong van westerse denken. Begrippen waarheid,
kennis, rede en de zoektocht naar het goede leven werden voor eerst systematisch

,ontwikkeld door Plato en Aristoteles. Daarom kan men moderne filosofie enkel begrijpen als
men weet uit welke traditie zij voortkomt.

tweede reden: ondanks radicale vernieuwing in moderne tijd is er ook sprake van continuïteit
met premoderne denken. De moderne filosofen van Descartes en Spinoza tot Kant, Hegel
en Marx bleven in gewijzigde vorm dezelfde fundamentele vragen stellen die ook bij Plato en
Aristoteles centraal stonden: wat is de oorsprong van de werkelijkheid, hoe kan de mens
kennis verwerven, en hoe moet hij leven? Door geschiedenis van moderne filosofie te laten
beginnen bij Plato en te laten eindigen bij Simone Weil in de twintigste eeuw, toont de cursus
dat de oorspronkelijke ambitie van de filosofie als wijsbegeerte – de zoektocht naar een
omvattend weten dat tegelijk een levensleer is – in gewijzigde vorm blijft voortbestaan.

cursus begint bij Plato omdat wortels van het moderne denken in Griekse Oudheid liggen,
en hij eindigt in twintigste eeuw omdat daar duidelijk wordt hoe klassieke zoektocht naar
waarheid en wijsheid voortleeft in een nieuw, postmetafysisch tijdperk.

Vraag 6: Wat zijn de 3 ‘eeuwige’ vragen die de filosofie zich stelt en die in elke cultuur
terugkeren? In welke zin verschilt het antwoord van de filosofie op deze vragen van
dat van de religie?

drie ‘eeuwige’ vragen die filosofie zich stelt, keren in elke cultuur terug, ongeacht tijd of
plaats = fundamentele vragen die aan basis liggen van elk menselijk denken.

-​ Wat is de oorsprong en grond van de werkelijkheid? = metafysische vraag naar het
zijn zelf, naar de eerste beginselen en oorzaken van alles wat bestaat.
-​ Hoe kan de mens kennis verwerven en wat is waarheid? = behoort tot kennistheorie
en onderzoekt hoe onze geest in contact staat met de werkelijkheid en of kennis
betrouwbaar is.
-​ Hoe moet de mens leven om goed en gelukkig te zijn? = morele of ethische vraag,
die betrekking heeft op het juiste handelen en het doel van het menselijk leven.

verschil tussen filosofie en religie ligt in manier waarop deze vragen worden beantwoord. De
religie vertrekt van openbaring, geloof en traditie, biedt antwoorden die gebaseerd zijn op
gezag van goddelijke of heilige bronnen. De religieuze mens vertrouwt op woord van God of
op mythische verhalen om de zin van het bestaan te begrijpen.

filosofie zoekt naar antwoorden via de rede (logos) = wil de werkelijkheid begrijpen dmv
rationele argumentatie en kritisch onderzoek. De filosoof aanvaardt geen waarheid louter op
gezag, maar probeert via redenering, dialoog en reflectie tot inzicht te komen. Waar de
religie dus uitgaat van geloof, baseert de filosofie zich op kennis en redelijke
verantwoording.

filosofie universeel en autonoom: streeft naar waarheid die niet afhankelijk is van culturele of
religieuze overtuigingen, maar toegankelijk is voor iedereen die nadenkt; religie biedt
zingeving via geloof in transcendente; filosofie zoekt zingeving via verstand en vraag naar
rationele orde van het zijn.

Vraag 7: Wat verstaat Ernest Gellner onder de sferen van ploeg, zwaard, boek? In
welke van die sferen hoort de filosofie thuis en waarom?

, Britse filosoof en cultuurtheoreticus Ernest Gellner onderscheidt in zijn boek Plough, Sword,
Book. The Structure of Human History drie fundamentele sferen waarin de menselijke
cultuur zich ontwikkelt: de ploeg, het zwaard en het boek.

sfeer van de ploeg: verwijst naar materiële en biologische bestaansvoorwaarden van de
mens = omgang met natuur, voedselproductie, landbouw en zelfbehoud; mens probeert te
overleven als levend organisme en maakt hij gebruik van zijn kennis om de natuur te
bewerken en te benutten.

sfeer van het zwaard: betrekking op macht, orde en bescherming = omvat nood aan
samenwerking binnen gemeenschap, maar ook nood om zich te verdedigen tegen dreiging
of geweld van anderen; staat symbool voor politiek, sociale organisatie en recht.

sfeer van het boek: verwijst naar het verlangen naar kennis en betekenis = geestelijke en
cognitieve dimensie van de cultuur: de wereld van ideeën, wetenschap, religie en vooral van
taal en symbolische orde; de mens legt zijn kennis vast, geeft hij die door aan volgende
generaties en schept hij de concepten waarmee hij de werkelijkheid begrijpt.

filosofie hoort volgens Gellner thuis in sfeer van het boek, omdat zij uitdrukking is van
menselijk streven naar waarheid, inzicht en zingeving; filosofie = product van denken en
gebruikt taal, redenering en argumentatie om de werkelijkheid te begrijpen; behoort tot
domein van kennis, niet tot dat van biologische overleving (ploeg) of sociale macht (zwaard).

nauwe samenhang tussen drie sferen: kennis uit de sfeer van het boek beïnvloedt hoe de
mens de natuur (ploeg) en de samenleving (zwaard) organiseert. In de moderne tijd, waarin
de verlichte rede de dominante rol heeft gekregen, heeft juist de filosofie als deel van de
sfeer van het boek een beslissende invloed gehad op wetenschap, politiek en cultuur.
Daarom is zij niet enkel een afzonderlijke sfeer, maar ook factor die de andere twee
voortdurend herdefinieert en richting geeft.

8. Leg helder uit wat het cruciale verschil is tussen het ideaal van de klassieke rede en
dat van de verlichte rede.

klassieke rede: fundamenteel vertrouwen in harmonie tussen mens, kosmos en waarheid.
Volgens dit klassieke ideaal, ontwikkeld door Plato en Aristoteles, weerspiegelt de
menselijke rede de universele orde van de werkelijkheid. De mens kan ware kennis
verwerven omdat zijn denken van nature afgestemd is op die kosmische logos. Rede en
werkelijkheid vormen één geheel, en kennis leidt daarom ook tot moreel en spiritueel inzicht
→ visie bleef behouden in christelijk denken, waar rede en geloof elkaar versterkten.

verlichte rede: vanaf 17e eeuw, verbreekt dit vertrouwen in een hogere orde. De mens wordt
nu gezien als autonoom subject dat zelf de bron van kennis is. Rede wordt niet langer
opgevat als deelname aan kosmische harmonie, maar als kritisch instrument om
werkelijkheid te verklaren, te beheersen en te verbeteren. Waar klassieke rede gericht was
op wijsheid en zingeving, richt verlichte rede zich op zekerheid, vooruitgang en methodische
kennis.

Inhoudsopgave

  1. 01 1.​Wat verstaat Aristoteles onder ‘filosofie’? Leg uit adhv etymologie van het begrip filosofie / wijsbegeerte. 1
  2. 02 Vraag 2: De Griekse filosofie wou in twee opzichten een levenskunst zijn. Leg uit. Waarom betekende dit ook een breuk met het op mythe en verhaaltraditie gebaseerde wereldbeeld van de archaïsche cultuur? 1
  3. 03 4. Wat zijn de 4 centrale doelstellingen van deze cursus? Verhelder het verband tussen deze doelstellingen. 3
  4. 04 5. Er zijn 2 redenen om de geschiedenis van de moderne filosofie te bespreken beginnend bij Plato en eindigend in de 20ste eeuw. Geef deze redenen en leg uit. 3
  5. 05 Vraag 6: Wat zijn de 3 ‘eeuwige’ vragen die de filosofie zich stelt en die in elke cultuur terugkeren? In welke zin verschilt het antwoord van de filosofie op deze vragen van dat van de religie? 4
  6. 06 Vraag 7: Wat verstaat Ernest Gellner onder de sferen van ploeg, zwaard, boek? In welke van die sferen hoort de filosofie thuis en waarom? 4
  7. 07 Vraag 12: Geef chronologisch aan wat de drie grote periodes zijn in de geschiedenis van de mensheid volgens Gellner. Waar situeer je het ontstaan van de filosofie? 7
  8. 08 Vraag 13: Leg uit: in het tijdperk van de culturen van jagers-verzamelaars was er nog geen onderscheid tussen ploeg, zwaard en boek. Hoe vertaalt zich dit in hun collectieve denken? 7
  9. 09 14. Wat is volgens Durkheim de rol van rituelen in de eerste vormen van cultuur en samenleving? 8
  10. 10 Vraag 15: Wat zegt Marcel Mauss over de noties van het ‘ik’ of ‘zelf’ en ‘de persoon’ in de eerste culturen en samenlevingen? Vergelijk met de betekenis van de noties ‘ik’, ‘zelf’ en ‘persoon’ in de moderne en hedendaagse cultuur. 8
  11. 11 Vraag 16: Geef aan wat de betekenis is van de ‘axiale tijd’ in het brede tijdperk van Agraria. Hoe kon in dit tijdperk het model van de klassieke rede van de Griekse filosofie ontstaan? 9
  12. 12 ‘axiale tijd’ (of Axiale Periode): verwijst naar belangrijke overgangsperiode in menselijke geschiedenis, 800-200 v.C., binnen tijdperk van Agraria (landbouwsamenlevingen) → ontstonden in Griekenland, India, China en Midden-Oosten nieuwe vormen van denken en religie die mens centraal stelden ipv enkel natuur of goden. 9
  13. 13 Vraag 17: In welke zin verschilt de idee van een cognitieve doctrine in de Griekse filosofie van die van de oudere culturen van de Babyloniërs en de Egyptenaren? 9
  14. 14 18. De Platoonse codificatie van de rede heeft drie cruciale kenmerken. Geef die beknopt weer en leg uit wat het belang is van deze kenmerken. 10
  15. 15 19. De filosofie kon in de Griekse archipel, en meer bepaald in Athene, ontstaan mede dankzij de idee van de democratie. Leg uit en vergelijk met onze idee van democratie. 10
  16. 16 20. In het Christendom wordt de Platoonse codificatie van de rede aangevuld en getransformeerd door het Openbaringsgeloof van het Nieuwe Testament. Leg uit. 11
  17. 17 21. Plato en Aristoteles gaan uit van een statisch mens- en wereldbeeld; in het Christendom staat een historisch en eschatologisch mens- en wereldbeeld centraal. Leg uit. Waarom kunnen beide visies toch enigszins met elkaar worden verzoend? 11
  18. 18 23. in welke zin verschilt visie van Griekse filosofie op individuele heil van mens van christelijke visie? 12
  19. 19 24. drie evoluties in Westerse filosofie en cultuur doen rationaliteitsideaal van verlichte rede ontstaan 13
    1. 1.​renaissance en humanisme - 15de eeuw 13
    2. 2.​reformatie en contra-reformatie - 16de eeuw. 13
    3. 3.​mechanisering van mens- en wereldbeeld - 16de–17de eeuw wetenschappelijke revolutie 13
  20. 20 25. wat verstaat Ernest Gellner onder codificatie van verlichte rede in 17de en 18de eeuw? 13
    1. ●​onttovering van het wereldbeeld (Max Weber) 14
    2. ○​= kernkenmerk van de moderniteit 14
    3. ○​= verdwijnen van magische, religieuze en mythische verklaringen van werkelijkheid → wereld wordt verklaard obv rationele, wetenschappelijke wetten 14
    4. ○​natuur is geen bezield of sacraal geheel meer, maar mechanisch, causale orde die volledig kenbaar en berekenbaar is 14
    5. ○​gevolg = wereld verliest haar intrinsieke zin en symbolische betekenis → waarden en normen liggen niet langer verankerd in kosmos 14
    6. ●​gevolgen voor de mens 14
    7. ○​mens leeft niet langer in vertrouwde, betekenisvolle kosmos 14
    8. ○​staat tegenover koud, onpersoonlijk universum 14
    9. ○​wetenschap verklaart hoe wereld werkt, maar niet waarom we leven of hoe we moeten leven 14
    10. ●​zelfbepaling van moderne mens (Blumenberg) 14
    11. ○​blumenberg spreekt over zelfbepaling (Selbstbehauptung) 14
    12. ○​moderne mens aanvaardt geen vooraf gegeven kosmische of goddelijke orde meer + moet zelf zin, normen en doelen bepalen 14
    13. ○​mens wordt ontwerper van zijn eigen leven + verantwoordelijk voor betekenisgeving 14
    14. ●​verband tussen onttovering en zelfbepaling 14
    15. ○​onttovering maakt zelfbepaling noodzakelijk omdat wereld geen zin meer “aanreikt” 14
    16. ○​zelfbepaling is tegelijk vorm van bevrijding (autonomie), maar ook last (verlies van houvast) 14
    17. ○​spanningsveld vormt kernprobleem van moderne cultuur 14
  21. 21 27. Waarom is volgens Hume filosofie ‘schuilplaats voor rede’? hoe helpt ons dit beeld ook de inzet van deze cursus begrijpen? 14
    1. ●​Humes diagnose van rede 14
    2. ○​Hume is kritisch tegenover moderne rationaliteitsideaal = rede heeft geen absoluut fundament en veel overtuigingen steunen op gewoonte, gevoel en verbeelding 14
    3. ○​→ mens is geen puur rationeel wezen 14
    4. ●​filosofie als ‘schuilplaats voor de rede’ 14
    5. ○​Hume noemt filosofie een “schuilplaats voor de rede” = plaats waar rede zich tijdelijk kan terugtrekken 15
    6. ○​= rede kan niet langer wereld volledig funderen of beheersen → en dus filosofie beschermt de rede tegen dogmatisme, overmoed, ideologische misbruik 15
    7. ●​beperkte rol van rede 15
    8. ○​filosofie garandeert geen ultieme waarheid of levensleer meer → bewaakt de kritische functie van de rede 15
    9. ○​ze leert bescheidenheid, zelfkritiek, inzicht in grenzen van kenni 15
    10. ●​betekenis voor inzet van deze cursus 15
    11. ○​cursus volgt geschiedenis van filosofie als worsteling met rationaliteit 15
    12. ○​filosofie wordt niet gepresenteerd als hoogste wetenschap, sluitend wereldbeeld → maar als reflectie op mogelijkheden en grenzen van de rede 15
    13. ○​filosofie biedt geen definitieve antwoorden, maar helpt tragisch bewustzijn van moderne mens te begrijpen 15
    14. ○​en dus filosofie = oefening in kritisch denken, eerder dan systeem van zekerheden 15
  22. 22 28. waarom is volgens Heidegger filosofie gericht op studie van mens als ‘levend in de tijd’? hoe verschilt benadering van Heidegger van ‘waarheid’ van die van wetenschappen? 15
    1. ●​Heideggers vertrekpunt 15
    2. ○​= verzet zich tegen klassieke en moderne opvatting van filosofie als louter kennisleer → filosofie moet vertrekken van menselijke existentie 15
    3. ○​mens is geen tijdloos rationeel subject, maar wezen dat bestaat, handelt, lijdt, leeft in de tijd. 15
    4. ●​mens als ‘zijn-in-de-tijd’ 15
    5. ○​Heidegger analyseert mens als Dasein (er-zijn) 15
    6. ○​= altijd al gesitueerd in concrete historische context, gericht op de toekomst, getekend door eindigheid en sterfelijkheid 15
    7. ○​tijdelijkheid is geen bijkomstigheid, maar wezen van het menselijk bestaan 15
    8. ●​kritiek op wetenschappen 15
    9. ○​moderne wetenschappen bestuderen objecten, zoeken wetmatigheden, streven naar controleerbare, objectieve kennis 15
    10. ○​→ abstraheren van betekenis, zin, existentiële betrokkenheid. 15
    11. ●​Heideggers waarheidsbegrip 15
    12. ○​waarheid = geen loutere juistheid van uitspraken → ontsluiting (aletheia), het zichtbaar worden van betekenis binnen een levenshorizon 15
    13. ○​filosofie onderzoekt hoe wereld voor ons verschijnt, hoe betekenis mogelijk wordt 15
    14. ●​verschil met de wetenschappen 15
    15. ○​wetenschappen: verklaren wat iets is en hoe het werkt 15
    16. ○​filosofie (Heidegger) bevraagt wat het betekent te zijn en richt zich op zin en verstaan 15
    17. ○​→ filosofie daarom fundamenteel hermeneutisch (interpretatief, verklarend) en existentieel (wat het betekent om te leven), niet technisch of instrumenteel 15
  23. 23 29. geschiedenis van filosofie bestuderen op twee manieren; welke manier de beste? 15
    1. ●​eerste manier: filosofie als opeenvolging van doctrines 15
    2. ○​geschiedenis van de filosofie als reeks theorieën, systemen, antwoorden op abstracte problemen 16
    3. ○​focus op interne logica van ideeën, argumenten en tegenargumenten 16
    4. ○​risico = filosofie losgemaakt van haar historische en culturele context 16
    5. ●​tweede manier: filosofie als cultuurhistorisch fenomeen 16
    6. ○​filosofie begrepen binnen haar tijd, in relatie tot cultuur, religie, politiek en wetenschap 16
    7. ○​filosofische ideeën drukken bepaald mens- en wereldbeeld uit, reageren op historische breuken en crises 16
    8. ○​filosofie = geen tijdloze waarheid, maar historische zoektocht 16
    9. ●​cursus kiest expliciet voor tweede manier 16
    10. ○​filosofie bestudeerd als onderdeel van Westerse cultuurgeschiedenis, nauw verbonden met veranderingen in rationaliteit 16
    11. ○​centrale focus = overgang van klassieke rede → verlichte rede → crisis van de rede 16
    12. ○​filosofen gelezen als getuigen van hun tijd, denkers die reageren op culturele en existentiële problemen. 16
    13. ●​doel van deze benadering 16
    14. ○​inzicht verwerven in zelfverstaan van moderne mens + tragisch bewustzijn van moderniteit 16
    15. ○​filosofie helpt niet door sluitende antwoorden te geven, maar door ons denken te verhelderen en te verdiepen 16
  24. 24 1.​belang van axiale periode voor geschiedenis van mensheid 16
  25. 25 2.​vernieuwing van eerste Griekse filosofen - 2 voorbeelden 17
  26. 26 3.​vergelijking ontologie van Herakleitos en Parmenides + betekenis voor Plato en Aristoteles 17
  27. 27 4.​hoe ziet Plato indeling van ideale staat? Waarom is filosofie hier zo belangrijk? 18
  28. 28 5. Plato’s mythe van wagenmenner. Wat leert dit over rol van rede en filosofie? 19
  29. 29 6. wat is kern van Plato’s allegorie van Grot? 19
  30. 30 7. Platoons dualisme ? 19
  31. 31 8. welke staatsvormen onderscheidt Plato en wat is volgens hem beste? 20
  32. 32 9. welke kritiek had Popper op politieke filosofie van Plato? 20
  33. 33 13. welke kritiek heeft Aristoteles op Platoonse ideeënleer? 21
  34. 34 14. op welke wijze is 4-oorzakenleer van invloed op mensbeeld van Aristoteles? 22
  35. 35 15. Polis is volgens Aristoteles essentieel voor bereiken van Eudaimonia? 22
  36. 36 16. wat verstaat Aristoteles onder phronèsis? Welke rol spelen phronèsis en emoties in morele leven? 23
  37. 37 17. welke staatsvormen onderscheidt Aristoteles — en obv welk criterium onderscheidt hij goede van geperverteerde vormen? 23
  38. 38 18. welke vormen van rechtvaardigheid onderkent Aristoteles? 23
  39. 39 20. in Ethica Nicomachea ontwerpt Aristoteles teleologische ethiek? 24
  40. 40 21. leg band tussen wereldbeeld en levenskunst in epicurisme uit 25
  41. 41 22. wat is de kern van stoïcijnse ethiek? 25
  42. 42 23. welke rol kent scepticisme toe aan filosofie? Vergelijk met Plato. 26
  43. 43 2.​wat bood christendom wel? 26
    1. ●​persoonlijke en relationele God 26
    2. ○​1 almachtige, wijze, liefdevolle God die mens kent, aanspreekt en begeleidt 26
    3. ○​vergeving en genade geeft + antwoord op schuld en zonde 26
    4. ○​filosofie alleen volstaat niet = mens is gebroken en afhankelijk van genade 27
    5. ○​Griekse filosofie (Plato): streeft naar rationele zelfvolmaking, ziet kwade handelen agv onwetendheid, kent geen persoonlijke schuld die vergeven wordt 27
    6. ○​Christendom = vult moreel-existentiële hiaat dat filosofie liet liggen 27
    7. ●​universele waardigheid 27
    8. ○​itt Plato’s en Aristoteles’ elitaire mensbeeld: 27
    9. ○​iedereen is gelijkwaardig voor God, geen onderscheid tussen arm/rijk, slaaf/vrij, man/vrouw in spirituele waarde, gemeenschap (kerk) = plaats van inclusie 27
    10. ○​→ universele gelijkheid = aantrekkelijk voor massa’s die geen plaats hadden in filosofische elite 27
    11. ●​eschatologische hoop (leven na dood, verlossing, toekomstverwachting) 27
    12. ○​Griekse filosofie: eeuwig terugkerende kosmische orde, geen individueel heil of verlossingsgeschiedenis, geen toekomstgericht verhaal dat lijden betekenis geeft 27
    13. ○​Christendom bood: verlossingsverhaal, opstanding en eeuwig leven, God die lijden betekenis geeft, gemeenschap als drager van hoop, heilsgeschiedenis (begin, richting, bestemming) 27
    14. ○​= radicaal nieuw existentieel perspectief 27
  44. 44 ●​contrastering met Grieks/Hellenistisch denken 27
  45. 45 ○​Griekse en Hellenistische scholen (Plato, Aristoteles, Stoa, Epicurisme): accent op rede, zelfbeheersing, natuur, kosmische harmonie - boden ethiek en levenskunst, geen relationeel Godsgeloof - zagen geluk vooral als zelfverwerkelijking, niet ontvangen van genade - gericht op dit leven, niet verlossend einde of nieuwe toekomst 27
  46. 46 ○​→ misten gemeenschap gedragen door liefde, sacramenten, rituelen, troost 27
  47. 47 ○​Christendom vulde existentiële dimensies aan die in filosofie onvervuld bleven: God die redt - gemeenschap die draagt - toekomst die hoop geeft - antwoord op schuld, kwaad en lijden 27
  48. 48 25. waarom was volgens Augustinus manicheïsme niet i.o.m. kern van christendom? 27
  49. 49 26. wat leert leer van erfzonde over menselijke wil? Illustreer met Augustinus’ mensbeeld 28
  50. 50 27. welke centrale idee verdedigt Augustinus in De Stad Gods (De Civitate Dei) over rol van Kerk in wereld? 28
  51. 51 28. “menselijke wil en rede zijn volgens Augustinus gespleten.” Wat bedoelt hij daarmee? 28
  52. 52 29. voor Augustinus helpt filosofie geloof beter te begrijpen? 29
  53. 53 31. op welke wijze illustreren Augustinus’ Belijdenissen kern van christendom? 29
  54. 54 32. hoe ziet Thomas van Aquino verhouding tussen geloof en rede? 30
  55. 55 33. wat is kern van Thomas’ ‘vijf wegen’ (quinque viae)? 30
  56. 56 34. waarom kende Thomisme heropleving in 19de eeuw? 31
  57. 57 35. waarom onderscheidt Thomas van Aquino ‘ego’ en ‘anima’? 31
  58. 58 36. waarom scheppingsidee Thomas radicaal verschillend van kosmologie Aristoteles? 31
  59. 59 37. 3 goddelijke deugden bij Thomas en wat dit zegt over zijn ethiek 32
  60. 60 38. kan mens autonoom tot volkomen geluk komen? 32
  61. 61 39. natuurwet (lex naturalis) vs positieve wet (lex positiva) 32
  62. 62 40. verband tussen erfzonde en genade in christendom? 33
  63. 63 41. kan volgens Willem van Ockham bestaan van God worden bewezen? 33
  64. 64 42. wat is betekenis van nominalisme van Ockham? 34
  65. 65 1. welke kritiek formuleerden Luther en Calvijn op katholieke Kerk? 34
  66. 66 2. welk mensbeeld blijkt uit predestinatieleer van Calvijn? 35
  67. 67 1.​predestinatie + existentiële onzekerheid → behoefte aan innerlijke zekerheid 35
  68. 68 2.​ethos van leven en gemeenschap: soberheid + toewijding 35
  69. 69 4. waarom herleeft scepticisme in late renaissance/humanisme - Montaigne? 36
  70. 70 5. hoe ziet Blaise Pascal verhouding tussen geloof en rede? 36
  71. 71 1.​God van het geloof is niet God van filosofen 36
    1. ●​wat het hart intuïtief weet ontsnapt aan demonstratieve rede 36
    2. ○​= hart kent (intuïtie, existentiële diepte) waarheden die rede nooit bewijzen kan 36
    3. ●​geloof berust op = morele nood, innerlijk inzicht en genade → niet op rationele Godsbewijzen 36
  72. 72 2.​fideïsme & “gok”-argument 36
  73. 73 3.​mensbeeld en genade 37
  74. 74 6. mechanisering van wereldbeeld → instrumenteel antropocentrisme? 37
  75. 75 7. belang van Copernicus – Galilei – Newton voor moderne mens- en wereldbeeld 37
  76. 76 8. primaire vs secundaire kwaliteiten bij Galilei en waarom dit cruciaal is 38
  77. 77 1. welk wetenschapsideaal koesterden zowel Bacon als Descartes? 39
    1. 1.​eenheidswetenschap (rationalisme) als gedeelde ambitie 39
    2. 2.​Descartes: metafysica als fundament van zekere kennis 39
    3. 3.​Spinoza: radicale systematische eenheid (God = Natuur) 39
    4. 4.​Leibniz: optimistische rationalistische synthese 39
    5. ●​Leibniz deelt rationalistische project MAAR 40
    6. ○​= wilt wetenschap, metafysica, theologie, ethiek harmoniseren 40
  78. 78 3. waarom noemt Jonathan Israel Spinoza gangmaker van radicale Verlichting? 40
  79. 79 4. verschil tussen Verlichting als transformatie en Verlichting als periode 40
  80. 80 5. Blumenberg: waarom leidt onttovering tot moderne ideaal van zelfbepaling (Selbstbehauptung)? 40
  81. 81 6. Grotius: waarom natuurrecht funderen alsof “God niet bestond” (etsi Deus non daretur) 41
  82. 82 7. kan volgens Bayle en Shaftesbury mens moreel leven leiden zonder God? 41
  83. 83 8. hoe ontstaat bij Descartes en Hobbes typisch moderne visie op het ‘zelf’? 42
  84. 84 9. Descartes’ “boom der wetenschappen”: welke plaats krijgt metafysica en waarom? 43
    1. 1.​metafoor van boom (Principes de la Philosophie) 43
    2. 2.​waarom staat metafysica aan basis? 43
    3. 3.​metafysica en eenheidswetenschap 43
    4. 4.​gevolg voor moderne wetenschapsideaal 43
  85. 85 10. waarom begint Descartes met radicale twijfel? Waarom is die twijfel methodisch? 43
  86. 86 11. stappen in twijfel-experiment die tot eerste zekerheid leiden. Wat is die zekerheid? 44
    1. 1.​wat is het cogito? 44
    2. 2.​waarom cogito een ‘substantie’? 44
  87. 87 13. hoe komt Descartes tot idee van God? Welke rol speelt idee in zijn metafysica? 45
  88. 88 14. geef 2 a posteriori Godsbewijzen van Descartes. Waarom is zo belangrijk dat God bestaat? 45
  89. 89 15. geef a priori / ontologisch Godsbewijs van Descartes. Hoe verhoudt het zich tot eerdere a posteriori bewijzen? 46
  90. 90 16. hoe maakt Descartes - dankzij God - stap van cogito naar zekere kennis van buitenwereld? 46
  91. 91 17. is kennis van fysieke wereld volgens Descartes even helder en adequaat als die van metafysica? 47
    1. 1.​absolute zekerheid: metafysica 47
    2. 2.​waarom is kennis van fysieke wereld minder zeker? 48
    3. 3.​wat blijft wél zeker over buitenwereld? 48
    4. 4.​“morele zekerheid” bij Descartes 48
  92. 92 18. hoe legt Descartes band lichaam–ziel uit? Waarom heet dit dualisme (zoals bij Plato)? 48
  93. 93 19. wat is rol van passies in menselijk leven volgens Descartes? 49
    1. 1.​wat zijn passies bij Descartes? 49
    2. 2.​positieve functie van passies 49
    3. 3.​risico: verstoring van oordeel en vrijheid 49
    4. ●​passies en instincten gevaarlijk = kunnen oordeel vertroebelen + wil meesleuren 49
    5. ○​ambitie, jaloezie, woede, haat 49
    6. ○​→ mens kan zo onrustig en onvrij worden 49
    7. 4.​rol van rede en wil 49
    8. 5.​voorbeeld Zesde Meditatie 49
  94. 94 20. waarom is generositas (edelmoedigheid) volgens Descartes belangrijkste deugd? 49
    1. 1.​wat is generositas volgens Descartes? 49
    2. 2.​waarom is generositas centraal? 50
    3. 3.​geen stoïcijnse gevoelloosheid, maar zelfbeheersing 50
    4. ●​Descartes wijkt af van Stoa = emoties zijn niet slecht op zich want behoren tot mens-machine 50
    5. ○​→ maar kunnen het oordeel vertroebelen 50
    6. 4.​morele en sociale vruchten van edelmoedigheid 50
    7. 5.​samenhang met Descartes’ ‘voorlopige moraal’ 50
    8. 6.​religieuze component 50
  95. 95 1. wat verstaan Kant en Mendelssohn onder ‘Verlichting’? 50
  96. 96 2. waarom is bij Hume rede afhankelijk van sensibiliteit, en wat is daaraan nieuw in 18e eeuw? 51
    1. 1.​waarom is rede afhankelijk van sensibiliteit bij Hume? 51
    2. 2.​wat betekent ‘sensibiliteit’ bij Hume? 51
    3. 3.​wat is hieraan nieuw in 18e eeuw? 51
    4. ●​breuk met 17e-eeuws rationalisme 51
  97. 97 3. hoe wordt in Britse empirisme het ‘ik’ het ‘sensibele zelf’ (ipv cartesiaanse cogito) 52
    1. 1.​Locke: het ‘ik’ als bewustzijn en geheugen 52
    2. 2.​Hume: radicalisering - geen substantieel ‘ik’ 52
    3. 3.​Thomas Reid: correctie - het robuuste zelf 52
    4. 4.​wat is nieuw tov Descartes? 52
  98. 98 4. Hume en Reid wilden ook onderzoek van menselijke natuur doorvoeren vanuit experimentele methode Newton ? 53
  99. 99 5. welke vraag staat centraal in Humes onderzoek naar oorsprong van religie? 53
  100. 100 6. wat was volgens Hume eerste religievorm en waarom? 53
  101. 101 7. is monotheïsme volgens Hume gebaseerd op Openbaring? 54
  102. 102 8. geef 5 redenen waarom religie volgens Hume schadelijk is voor moraal 54
  103. 103 9. wat is volgens Hume oorsprong van moraal in menselijke natuur? En wat betekent dit voor verhouding moraal–religie? 55
  104. 104 10. wat verstaat Hume onder ‘bijgeloof’ (superstition) en ‘enthousiasme’ (enthusiasm)? 55
  105. 105 11. drie kritische bedenkingen bij Hume’s morele kritiek van religie? 55
  106. 106 1. welke 3 tendenzen in 19de-eeuwse filosofie? 56
  107. 107 1. doorwerking van Verlichting (emancipatieproject ↔ wetenschap/techniek) 56
  108. 108 ●​Kernidee: 18e-eeuwse geloof dat wetenschap en techniek mensheid emanciperen, samenleving hervormen en welzijn verbeteren = in 19e eeuw drijvende kracht 56
  109. 109 ●​praktische vertaling: opkomst van filosofisch radicalisme en positivisme. 56
  110. 110 ○​Bentham (utilitarisme): ethiek rekenkundig (nutsrekening) = sensibiliteit moet door verlichte rede worden gedomesticeerd → “moral sense” is hoogstens startpunt voor calculatie van wetten die maximaal geluk opleveren 56
  111. 111 ○​Mill: zet programma voort, maar extra nadruk op individuele vrijheid en niet-schaden-beginsel als beoordelingsnorm voor wet en beleid 56
  112. 112 ○​Comte: positivisme en sociologie als leidende wetenschap die alle kennis dienstbaar maakt aan rationele inrichting van samenleving 56
  113. 113 ●​Historisch: na 1776 en 1789 eerst restauratie (post-Napoleon), maar revolutionaire élan en moderniseringsvertrouwen drukken alsnog door → einde van 19e eeuw geen “verlicht paradijs” (teleurstelling tov Condorcet-droom) 56
    1. 2. romantische kritiek op vooruitgangsoptimisme en “kille” rede 56
    2. ●​Romantiek relativeert onverdeelde geloof in verlichte rede = waardeert kunst, verbeelding, religie en innerlijke ervaring hoger dan louter calculerende rationaliteit 56
  114. 114 ○​vrijheid blijft kernwaarde, maar nu als individuele beleving en innerlijke vorming = kunst drukt volksgeest uit → men zoekt harmonie mens–natuur, individu–gemeenschap 56
  115. 115 ○​romantiek tegelijk kritiek én voortzetting van Verlichting: corrigeert eenzijdige vooruitgangsgeloof en waarschuwt voor vervreemding in puur wetenschappelijk-technische maatschappij (een zorg die Kant al deelt) 56
    1. 3. synthese-poging van Verlichting én Romantiek (via Kant → Duits idealisme) 56
  116. 116 ●​Kant & Mendelssohn: Verlichting ≠ alleen wetenschap = culturele Bildung en verheffing van hele mens 57
  117. 117 ○​Kant verinnerlijkt sapere aude en waarschuwt voor vervreemdende impact van louter wetenschappelijk gestuurde maatschappij 57
  118. 118 ○​nood aan persoonlijke religie = modern heilsideaal 57
  119. 119 ●​Duits idealisme (Fichte–Schelling–Hegel): maakt van Bildung centrum = Hegel probeert grote synthese 57
  120. 120 ○​rede als kracht die niet alleen natuur kent, maar ook geschiedenis en samenleving vormt naar vrijheid/zelfbewustzijn (Absolute Geest) → verzoent Verlichting (rede, emancipatie) en Romantiek (innerlijke vorming, spiritualiteit) 57
  121. 121 ●​doorwerking naar materialisme/critiek: via Links-Hegelianen komt Marx 57
  122. 122 ○​keert Hegel om (materialisme, naturalisme), maar behoudt dialectische schema en emancipatie-ideaal (vrije, gelijke, rechtvaardige samenleving)​ 57
  123. 123 ●​Darwin (biologische revolutie) en Nietzsche (genealogische kritiek, Umwertung) verdiepen 19e-eeuwse crisisdiagnose over moderniteit = triomf van rede laat mens ook ontheemd achter in mechanische kosmos 57
  124. 124 → 19e-eeuwse filosofie beweegt tussen verlicht emancipatie-project (radicalisme/positivisme), romantische correctie op vooruitgangsoptimisme en kille rede en syntheses (Kant→Hegel) die beide lijnen proberen te verenigen in Bildung, vrijheid en geschiedenis - waaruit ook Marx, Darwin en Nietzsche hun eigen (kritische) wendingen ontwikkelen 57
  125. 125 5. Hegel werd beïnvloed door Bildung-ideaal van Kant en Mendelssohn? 57
  126. 126 6. waarom is voor Hegel filosofie hoogste wetenschap? Welke taak heeft ze? 57
  127. 127 7. hoe speelt Wereldgeest (Weltgeist) rol in Hegels absoluut idealisme? 58
    1. 8. wat is Hegels dialectiek van geschiedenis? 58
    2. 9. waarom is Hegel positief over Verlichting en Franse Revolutie? 59
  128. 128 10. Marx zet Hegel op zijn kop? 59
  129. 129 11. hoe ziet Marx dialectiek van geschiedenis? 60
  130. 130 12. wat verstaat Marx onder proletarische revolutie? 60
    1. 14. waarom volgens Simone Weil filosofie nog betekenisvol in 20ste eeuw? 61
    2. 15. band tussen mystiek en maatschappelijk engagement in denken van Simone Weil? 62
  131. 131 16. hoe beoordeelt Simone Weil marxistische idee dat vervreemding kan/moet worden opgeheven? 62
    1. 1.​kritische uitgangspositie 62
    2. 2.​waarom wijst zij marxistische ‘opheffing’ af? 62
    3. 3.​gevaar van utopisch denken 62
    4. 4.​wat dan wél? spirituele transformatie 62
    5. 17. stadia van mystieke bewustwording bij Simone Weil 63
    6. 1.​zwaarte en lijden → zelfontlediging (dé-création) 63
    7. 2.​inzicht in noodzakelijkheid van lijden → weg naar liefde 63
    8. 3.​ervaring (of honger) naar Absolute Goede → genade (grâce) 63
  132. 132 18. welke rol spelen religies en wijsheidsleren in geschiedenis van mensheid volgens Simone Weil? 64
  133. 133 19. wat verstaat Weil onder ‘zwaarte’ van bestaan, en wat onder ‘genade’? 64

Documentinformatie

Studie
Geüpload op
10 februari 2026
Aantal pagina's
64
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€10,99

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
Verkocht
15
Volgers
1
Items
6
Laatst verkocht
2 weken geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen