Samenvatting: biologische psychologie I
Hoofdstuk 1: evolutie en gedragsgenetica
1.1 Evolutie
1.1.1 Definiëring perspectief
3 grondvoorwaarden natuurlijke selectie:
• Overerving: Er zijn overerfbare eigenschappen
o Vb.: lijken op biologische ouders
• Variatie: Er bestaat variabiliteit in deze eigenschappen (o.a. via mutatie)
o Vb.: groene, blauwe, bruine ogen of mannen, vrouwen
• Selectie: Sommige van deze eigenschappen hangen in een bepaalde context samen met
groter reproductief succes (aantal geslachtsrijpe nakomelingen)
• → Genen die samenhangen met deze eigenschappen zullen in frequentie toenemen in de
volgende generatie
• → Ontstaan van genetische verschillen tussen vorige en volgende generaties: evolutie
• → Natuurlijke selectie is een proces dat leidt tot evolutie
Voorbeeld kevertjes:
• Groen frequenter dan oranje, want valt minder op tussen blaadjes en gras en
worden dus minder snel gevonden en dus opgegeten
• Er komt een nieuwe predator (vogel) in het gebied van de kevertjes en die eet
vooral de groene want vind deze lekkerder
• Ineens is een oranje kever zijn een groot voordeel want dan laten de vogels je
met rust → dus na enkele generaties worden ze allemaal oranje
• Vroeger meestal groen en nu meestal oranje, dat is de evolutie!
Selectie:
• ≠ Survival of the fittest”
o Niet per se de sterkste / slimste / ...
o Fit van een individu met veranderlijke omgeving cruciaal
▪ vb. peper-en-zout vlinder: veranderen over generaties vaak van kleur, 99% is nu wit
▪ vb. obesitas
o Vermogen om te overleven in een bepaalde omgeving → impact op reproductief succes
– het aantal geslachtsrijpe nakomelingen dat je voortbrengt
• Dragen bij tot fitness/reproductief succes van een individu:
o Overleven (mortaliteitsselectie)
o Aantal nakomelingen (vruchtbaarheidsselectie)
o Gelegenheid tot voortplanten (seksuele selectie)
• Tot nu toe allemaal vormen van directe fitness
• Inclusieve fitness: directe fitness + indirecte fitness
o Directe fitness = je eigen nakomelingen
o Indirecte fitness = nakomelingen van je verwanten, die ook jouw genen dragen
1
, • Verwantenselectie: ook genen geassocieerd met het reproductief succes van verwanten
zullen meer voorkomen in volgende generaties
o Selectie gebeurt niet op het niveau van individuen, maar van genen
o Kosten/baten: mate van verwantheid + kost voor het eigen reproductief succes
o “Ik zou met plezier het leven geven voor twee broers, twee kinderen of acht kozijnen”
o vb. steriele honingbij (werkers)
o Belangrijke psychologische implicaties: herkennen van verwanten, psychologie van het
altruïsme, zorg, ...
Psychologische relevantie:
• Indien belangrijke psychische kenmerken ook geworteld zijn in ons lichaam: rechtstreekse
erfelijke invloed op deze kenmerken
o vb. grootte brein in belangrijke mate genetisch bepaald, correleert met IQ
• Erfelijke invloed kan ook lopen via “banale” fysieke eigenschappen
o vb. link extraversie met lichaamslengte en/of attractiviteit (Lukaszewski & Roney, 2015)
• Leer van de overerfbaarheid van gedrag = gedragsgenetica
o Sterke negatieve connotaties via o.a. eugenetica en andere racistische theorieën
o vb. nazi: individuen worden op basis van hun afkomst geselecteerd
1.1.2 Primaten
• Zoogdieren (subgroep)
• Generalisten: kunnen allemaal op 2 voeten lopen
• Groot brein
• Aangepast aan leven in bomen
o Grijphanden (/-voeten)
o Schoudergewricht → slingeren
o Frontaal ingeplante ogen (dieptezicht)
o Typisch relatief goed zicht, relatief slechte geur
• Halfapen, lemuren en spookdiertjes niet kennen!
• LET OP!
o Aap in het Engels = monkey
o Mensaap in het Engels = ape
2
,1.1.3 Homo sapiens sapiens
• Schattingen van gedeeld DNA:
o +/- 98,8% gedeeld met chimpansee
▪ (= ongeveer 35 miljoen verschillende baseparen in elke cel)
o +/- 99,7% gedeeld met neanderthaler
o +/- 99,9% gedeeld met willekeurige andere mens
• Ontstaan teruggevoerd op +/- 100,000 jaar geleden,
Oost-Afrika
• Geruime tijd overlap met andere soorten (vb.
neanderthaler +/- 40,000 jaar geleden uitgestorven)
o +/- 1-4% van ons DNA geschat van Neanderthaler-
oorsprong
• Migratie in verschillende fasen
Kenmerken:
• Tweevoeter
o overzicht tijdens trekken
o transport van werktuigen en buit
o versmald geboortekanaal
• Groot / exceptioneel brein
Exceptioneel brein?:
• Zeker niet absoluut grootste massa (vb. Potvis: 9 kg
versus mens 1,2-1,4 kg)
• Ook niet grootste relatieve massa tov. lichaamsgewicht
(vb. spitsmuis: 3,3% versus mens 2%)
• Noch meeste neuronen (vb. olifant: 3x zo veel)
• Ook niet meest rimpelige hersenen: vb. olifanten,
walvissen, zebra’s, lama’s: rimpeliger dan de onze
o X-as = lichaamsgewicht hoe meer naar rechts, hoe
groter het gewicht
o Y-as = massa van het brein
o De driehoeken = primaten (=overkoepelend).
o De lijn = verband tussen lichaamsmassa en
hersenmassa specifiek voor de primaten.
➢ De verhouding tussen ons lichaams- en
hersengewicht is hetzelfde als andere primaten, we zijn
wel de grootste.
➢ We volgen het patroon van verhouding tussen lichaams- en hersengewicht
Voor de meeste dieren is de toename van lichaams- en hersengewicht
minder groot dan de primaten, m.a.w. de primaten hebben per kg
lichaamsgewicht redelijk veel hersengewicht.
3
, o X-as = aantal neuronen in het brein van dieren (in miljoenen)
➢ Neuronen = cellen in het zenuwstelsel die het meeste info
bevatten (hoe meer hoe beter)
o Y-as = massa van het brein “Hoeveel neuronen in een brein
kunnen in dezelfde massa?”
➢ Hoe lager naar rechts → hoe groter de toename in aantal
neuronen en een kleine toename in lichaamsgewicht
➢ Mens; helemaal vanboven → er zijn op deze grafiek geen
dieren die meer neuronen hebben dan wij.
o X-as = massa van het brein
o Y-as = welk percentage van het gewicht van de brein bestaat
uit cortex/schors
➢ Mensen → groot percentage van ons brein
terugvinden/toewijzen aan cortex.
• CONCLUSIE van 3 grafieken:
o In al deze opzichten zijn mensen zoals primaten, dus ons brein is niet exceptioneel
o We vallen binnen het brein van primaten
• Relatieve breinmassa, neuronen / breinmassa en proportie cortex / breinmassa allemaal in
het verlengde van de primaten
• Maar:
o Primaten scoren echter om te beginnen zeer goed op al deze parameters
o ! + Mens is bij de grootste primaten
▪ Wat dan met gorilla’s en orang-oetans? Brein gorilla slechts +/- 33% volume mens -
disproportioneel klein brein in verhouding tot andere primaten
• Voor zover geweten: homo sapiens grootste aantal corticale neuronen van alle dieren, in het
bijzonder prefrontaal (ook al is de prefrontale cortex van vb. een potvis veel groter)
• Bovendien dicht op elkaar → snelle communicatie mogelijk
o Prefrontale cortex belangrijk voor taal, plannen, strategieën, sociaal contact = dat maakt
ons tot mens
• Alles heeft zijn prijs (super groot brein heeft ook zijn nadelen)
o Neuronen, ih. bijzonder corticale zijn erg duur: met 2% van de lichaamsmassa verbruikt
het brein +/- 20% van onze energie (vergelijk: +/- 5% bij katten)
▪ Invloedrijke theorie: mogelijk gemaakt door koken van voedsel
o Obstetrisch dilemma-hypothese
▪ Evolutionaire druk in twee richtingen: smal bekken versus wijd bekken
▪ Groot brein + smal geboortekanaal → complicaties bij baren
▪ Verklaring voor rijpingsvertraging: kinderen geboren met een zeer immatuur brein
(typisch niet voltooid op 19j!)
4
Hoofdstuk 1: evolutie en gedragsgenetica
1.1 Evolutie
1.1.1 Definiëring perspectief
3 grondvoorwaarden natuurlijke selectie:
• Overerving: Er zijn overerfbare eigenschappen
o Vb.: lijken op biologische ouders
• Variatie: Er bestaat variabiliteit in deze eigenschappen (o.a. via mutatie)
o Vb.: groene, blauwe, bruine ogen of mannen, vrouwen
• Selectie: Sommige van deze eigenschappen hangen in een bepaalde context samen met
groter reproductief succes (aantal geslachtsrijpe nakomelingen)
• → Genen die samenhangen met deze eigenschappen zullen in frequentie toenemen in de
volgende generatie
• → Ontstaan van genetische verschillen tussen vorige en volgende generaties: evolutie
• → Natuurlijke selectie is een proces dat leidt tot evolutie
Voorbeeld kevertjes:
• Groen frequenter dan oranje, want valt minder op tussen blaadjes en gras en
worden dus minder snel gevonden en dus opgegeten
• Er komt een nieuwe predator (vogel) in het gebied van de kevertjes en die eet
vooral de groene want vind deze lekkerder
• Ineens is een oranje kever zijn een groot voordeel want dan laten de vogels je
met rust → dus na enkele generaties worden ze allemaal oranje
• Vroeger meestal groen en nu meestal oranje, dat is de evolutie!
Selectie:
• ≠ Survival of the fittest”
o Niet per se de sterkste / slimste / ...
o Fit van een individu met veranderlijke omgeving cruciaal
▪ vb. peper-en-zout vlinder: veranderen over generaties vaak van kleur, 99% is nu wit
▪ vb. obesitas
o Vermogen om te overleven in een bepaalde omgeving → impact op reproductief succes
– het aantal geslachtsrijpe nakomelingen dat je voortbrengt
• Dragen bij tot fitness/reproductief succes van een individu:
o Overleven (mortaliteitsselectie)
o Aantal nakomelingen (vruchtbaarheidsselectie)
o Gelegenheid tot voortplanten (seksuele selectie)
• Tot nu toe allemaal vormen van directe fitness
• Inclusieve fitness: directe fitness + indirecte fitness
o Directe fitness = je eigen nakomelingen
o Indirecte fitness = nakomelingen van je verwanten, die ook jouw genen dragen
1
, • Verwantenselectie: ook genen geassocieerd met het reproductief succes van verwanten
zullen meer voorkomen in volgende generaties
o Selectie gebeurt niet op het niveau van individuen, maar van genen
o Kosten/baten: mate van verwantheid + kost voor het eigen reproductief succes
o “Ik zou met plezier het leven geven voor twee broers, twee kinderen of acht kozijnen”
o vb. steriele honingbij (werkers)
o Belangrijke psychologische implicaties: herkennen van verwanten, psychologie van het
altruïsme, zorg, ...
Psychologische relevantie:
• Indien belangrijke psychische kenmerken ook geworteld zijn in ons lichaam: rechtstreekse
erfelijke invloed op deze kenmerken
o vb. grootte brein in belangrijke mate genetisch bepaald, correleert met IQ
• Erfelijke invloed kan ook lopen via “banale” fysieke eigenschappen
o vb. link extraversie met lichaamslengte en/of attractiviteit (Lukaszewski & Roney, 2015)
• Leer van de overerfbaarheid van gedrag = gedragsgenetica
o Sterke negatieve connotaties via o.a. eugenetica en andere racistische theorieën
o vb. nazi: individuen worden op basis van hun afkomst geselecteerd
1.1.2 Primaten
• Zoogdieren (subgroep)
• Generalisten: kunnen allemaal op 2 voeten lopen
• Groot brein
• Aangepast aan leven in bomen
o Grijphanden (/-voeten)
o Schoudergewricht → slingeren
o Frontaal ingeplante ogen (dieptezicht)
o Typisch relatief goed zicht, relatief slechte geur
• Halfapen, lemuren en spookdiertjes niet kennen!
• LET OP!
o Aap in het Engels = monkey
o Mensaap in het Engels = ape
2
,1.1.3 Homo sapiens sapiens
• Schattingen van gedeeld DNA:
o +/- 98,8% gedeeld met chimpansee
▪ (= ongeveer 35 miljoen verschillende baseparen in elke cel)
o +/- 99,7% gedeeld met neanderthaler
o +/- 99,9% gedeeld met willekeurige andere mens
• Ontstaan teruggevoerd op +/- 100,000 jaar geleden,
Oost-Afrika
• Geruime tijd overlap met andere soorten (vb.
neanderthaler +/- 40,000 jaar geleden uitgestorven)
o +/- 1-4% van ons DNA geschat van Neanderthaler-
oorsprong
• Migratie in verschillende fasen
Kenmerken:
• Tweevoeter
o overzicht tijdens trekken
o transport van werktuigen en buit
o versmald geboortekanaal
• Groot / exceptioneel brein
Exceptioneel brein?:
• Zeker niet absoluut grootste massa (vb. Potvis: 9 kg
versus mens 1,2-1,4 kg)
• Ook niet grootste relatieve massa tov. lichaamsgewicht
(vb. spitsmuis: 3,3% versus mens 2%)
• Noch meeste neuronen (vb. olifant: 3x zo veel)
• Ook niet meest rimpelige hersenen: vb. olifanten,
walvissen, zebra’s, lama’s: rimpeliger dan de onze
o X-as = lichaamsgewicht hoe meer naar rechts, hoe
groter het gewicht
o Y-as = massa van het brein
o De driehoeken = primaten (=overkoepelend).
o De lijn = verband tussen lichaamsmassa en
hersenmassa specifiek voor de primaten.
➢ De verhouding tussen ons lichaams- en
hersengewicht is hetzelfde als andere primaten, we zijn
wel de grootste.
➢ We volgen het patroon van verhouding tussen lichaams- en hersengewicht
Voor de meeste dieren is de toename van lichaams- en hersengewicht
minder groot dan de primaten, m.a.w. de primaten hebben per kg
lichaamsgewicht redelijk veel hersengewicht.
3
, o X-as = aantal neuronen in het brein van dieren (in miljoenen)
➢ Neuronen = cellen in het zenuwstelsel die het meeste info
bevatten (hoe meer hoe beter)
o Y-as = massa van het brein “Hoeveel neuronen in een brein
kunnen in dezelfde massa?”
➢ Hoe lager naar rechts → hoe groter de toename in aantal
neuronen en een kleine toename in lichaamsgewicht
➢ Mens; helemaal vanboven → er zijn op deze grafiek geen
dieren die meer neuronen hebben dan wij.
o X-as = massa van het brein
o Y-as = welk percentage van het gewicht van de brein bestaat
uit cortex/schors
➢ Mensen → groot percentage van ons brein
terugvinden/toewijzen aan cortex.
• CONCLUSIE van 3 grafieken:
o In al deze opzichten zijn mensen zoals primaten, dus ons brein is niet exceptioneel
o We vallen binnen het brein van primaten
• Relatieve breinmassa, neuronen / breinmassa en proportie cortex / breinmassa allemaal in
het verlengde van de primaten
• Maar:
o Primaten scoren echter om te beginnen zeer goed op al deze parameters
o ! + Mens is bij de grootste primaten
▪ Wat dan met gorilla’s en orang-oetans? Brein gorilla slechts +/- 33% volume mens -
disproportioneel klein brein in verhouding tot andere primaten
• Voor zover geweten: homo sapiens grootste aantal corticale neuronen van alle dieren, in het
bijzonder prefrontaal (ook al is de prefrontale cortex van vb. een potvis veel groter)
• Bovendien dicht op elkaar → snelle communicatie mogelijk
o Prefrontale cortex belangrijk voor taal, plannen, strategieën, sociaal contact = dat maakt
ons tot mens
• Alles heeft zijn prijs (super groot brein heeft ook zijn nadelen)
o Neuronen, ih. bijzonder corticale zijn erg duur: met 2% van de lichaamsmassa verbruikt
het brein +/- 20% van onze energie (vergelijk: +/- 5% bij katten)
▪ Invloedrijke theorie: mogelijk gemaakt door koken van voedsel
o Obstetrisch dilemma-hypothese
▪ Evolutionaire druk in twee richtingen: smal bekken versus wijd bekken
▪ Groot brein + smal geboortekanaal → complicaties bij baren
▪ Verklaring voor rijpingsvertraging: kinderen geboren met een zeer immatuur brein
(typisch niet voltooid op 19j!)
4