4.1. Wat is ventilatie:
ademhalingsproces:
wet van Boyle: P x V = constante
⇒ druk in de long (Pal) verandert door
volumeverandering v/d thorax
Vthorax stijgt ⇒ Pal daalt
Pal < Pm: inademing
Vthorax daalt ⇒ Pal stijgt
Pal > Pm: uitademing
DUS: als de borstkas groter wordt (volume neemt
toe) dan neemt de druk af: als de druk lager wordt
dan de atmosferische druk: verplaatsing van lucht
ventilatie: lucht van buitenaf naar de longen
borstkas wordt groter → buik beweegt naar buiten
→ diafragma opspannen: naar beneden getrokken om borstkas zo groot mogelijk te maken
→ kan ook wel andersom (niet de juiste manier)
inspiratie:
begint lichtjes negatief, bij inademing zet de borstkas uit dus de druk wordt negatiever
→ lucht stroomt naar binnen: op einde v/d ademhaling houden we de spieren opgespannen
→ er zit meer lucht in onze longen: druk in het longweefsel is terug gelijk aan de
atmosferische druk: kunnen we alleen aanhouden als we actief spieren opspannen
expiratie:
lucht stroomt naar buiten omdat de borstkas kleiner wordt en de druk minder negatief is,
druk in longweefsel stijgt
,4.2. Ademhalingssysteem:
functie:
in stand houden van adequate gaswisseling (O₂, CO₂, producten van metabolisme)
structuur van de long:
ademhalingspomp = borstkas, ademhalingsspieren en diafragma
- kenmerken: statische longvolumes, ademminuutvolume
(AMV = 𝑉'𝐸= bf (breathing frequency) x 𝑉𝑇 (teugvolume))
- gaswisselingsorgaan met groot oppervlak (75 m²) en dunne alveolo-capillaire wand
(0,5 µm)
statische longvolumes: wat is de max. en min? wanneer is de pomp in rustpositie?
→ je behoudt een bepaald niveau als je volledig ontspannen bent: functionele residuele
capaciteit
totale longcapaciteit: heeft zijn beperkingen:
- thoraxdeformatie
- stijfheid (compliantie): bij bv fibrose
- neuromusculaire aandoeningen
→ invloed van de leeftijd: borstkas wordt stijver, spierkracht neemt af
restvolume: = minimum, buikspieren en tussenribspieren voor nodig om dit te bereiken
→ er is een grens van samenduwen
→ residueel volume wordt bepaald door afsluiten v/d luchtwegen door de druk
→ rond de grootste LW zit KB, dus niet alle LW worden platgedrukt (enkel de kleine)
→ er zijn aandoeningen waarbij dit sneller gebeurt: als longweefsel er rond is aangetast
𝑉𝑇 = gemiddeld 500 ml, bf = gemiddeld 15x per minuut
4.3. De ideale long:
ideale long:
we ademen 500ml in, maar er blijft 150 in LW zitten, maar 350 komt in de longen
→ ventilatie in alveoli: ong 5 L/min
→ 2 à 3 l blijft in de long na rustige uitademing
→ ventilatie en perfusie is ongeveer gelijk aan elkaar
, Wet van Dalton:
de partiële druk van een gas X (𝑃𝑥) in een
gasmengsel is gelijk aan:
totale gasdruk (𝑃𝐵) X volumefractie van dat gas (𝐹𝑥)
𝑃𝑥 = 𝐹𝑥 x 𝑃𝐵
voor vochtige ingeademde lucht moet totale gasdruk
verminderd worden met de waterdampspanning:
𝑃𝐼, 𝑋 = 𝐹𝐼, 𝑋 x ( 𝑃𝐵 - 𝑃𝐻₂𝑂)
Pb = standaard barometerdruk = 760 mmHg of 101.3 kPa
PH₂O = waterdampspanning bij 37°C en vochtigheidsgraad 100% = 47 mmHg
Fi O₂ = 0,21
alveolaire partieel druk is 100 mmHg, omdat
→ het bloed loopt er langs, heeft een lagere zuurstofspanning dus zuurstof wordt onttrokken
uit de alveoli, 150 verminderd door die onttrekking
→ bij elke teug gaat er maar 350 in het reservoir v/d longen, waar al 2 à 3L zit, dus maar 3%
van die alveolaire lucht wordt ververst
4.4. Luchtvolumes:
volumeverplaatsing kan aan de mond gemeten worden, maar residueel volume niet
→ dus andere volumes bv totale longcapaciteit, functionele residuele capaciteit kunnen niet
berekend worden met de spirometer
, als FRC en IC geweten zijn: totale longcapaciteit ook
dan volledig uitademen: TRC - VC = RV
helemaal uitademen: FRC - ERV = RV
→ vervolgens terug volledig inademen: VC (zo kan TLC ook berekend worden)
IRV = IC - Vt (stukje dat bovenop een gewone inademing nog kan worden ingeademd)
statische longvolumes:
FRC:
- bij gezonde personen = relaxatievolume
- bepaald door elastische eigenschappen van long (inwaartse retractiekracht of elastic
recoil pressure) en thorax (uitwaartse kracht)
RV en TLC:
- bepaald door elastische eigenschappen van long en thorax
- bepaald door kracht van inademings- (TLC) en uitademingsspieren (RV)
compliantie:
- neemt toe met het ouder worden
- neemt af bij longfibrose, alveolair oedeem, atelectase, …
- neemt toe bij longemfyseem
4.5. Elastische eigenschappen van long en borstkas:
op FRC: elastische retractiekracht vd long = kracht waarmee borstkas naar buiten trekt
→ als negatieve intrapleurale druk wegvalt (= atmosferische druk): long klapt in en thorax
veert naar buiten