Ba2 - sem1
Een overzicht van de fysiopathogenese
Zuurstofradicalen
Ziekteprocessen, medicijnen of toxines → verhoogde vrije
radicalen → membraan lipideperoxidatie → cel-/weefselschade →
verdere toename van de aanmaak van vrije radicalen
Telkens opnemen van 1 elektron:
Zuurstofradicalen tasten zeer veel delen van de cellen aan →
enzymen proberen te detoxificeren / van de zuurstofradicalen weg
te raken → accepteren/weggeven van een elektron om meer stabiel te worden
Zuurstofradicalen beschadigen zowat alles wat de molecule
tot beschikking heeft:
● Nucleïnezuren: erfelijke schade aanbrengen
● Eiwitten: verstoring van cellulaire enzymen als
gevolg van fragmentatie
● Lipiden: celmembraan is minder vloeibaar →
selectieve permeabiliteit neemt af en membraan lekt
→ verstoringen
NO bindt met zuurstofradicalen bv. tyrosine → geeft hogere permeabiliteit
➢ Als de permeabiliteit vermindert zullen cellen zwellen
We moeten voldoende natuurlijke antioxidantia
innemen (vitE, C, A) en voldoende enzymen
hebben die kunnen antioxideren (superoxide
dismutase, catalase, glutathione peroxidase)
→ enzymen moeten de beschadiging die
radicalen aanbrengen tegengaan
1
,Necrose-apoptose
Veranderingen in de omgeving → ziekte of celdood → 2 mechanismen:
● Necrose: onomkeerbare beschadiging, gevolg van extreme fysiologische
veranderingen, target is meestal DNA of membraan
● Apoptose: geprogrammeerde celdood, gebeurt in normale fysiologische
omstandigheden
○ Bij normale cel turnover = regeneratie
○ Weefselhomeostase
○ Embryogenese
○ Inductie en instandhouding van immuuntolerantie
○ Ontwikkeling van het zenuwstelsel
○ Endocriene weefselatrofie
Apoptose Necrose
Histologisch Beïnvloedt verspreide individuele Treft meestal reeksen van
cellen (ver van elkaar gelegen) aaneengesloten cellen (dicht bij
elkaar)
Er is geen sprake van ontsteking
(fagocytose van apoptotische Ontsteking is meestal aanwezig
lichamen)
Nucleus en Calcium dependent Activatie van lysosomale enzymen
celmembraan transglutaminases zorgen voor en phospholipases
cross-linking van eiwitten → breekt celmembraan af →
ongecontroleerde afbraak met
→ stabiliseert celstructuur
ontsteking
(celmembraan blijft intact)
Cytoplasma Dichter opeengepakte organellen Sterke zwelling van organellen +
(condensatie) + structureel intacte vlokvormige verdichtingen in de
kernen matrix van mitochondriën
Chromatine Chromatine condensatie Chromatine condensatie
Goed afgebakende dichte massa's Slecht afgebakende chaotische
in de periferie van de kern massa’s
Gekliefd door calcium afhankelijke Veroorzaakt: pH-veranderingen +
endonucleasen afname van ATP
2
,Caspases:
● Grote familie van enzymen die in de mitochondriën voorkomen
● Geactiveerd door cytochroom c
● Ontmantelt de celstructuur direct door kernlamina te vernietigen = stijve structuur die
onder het kernmembraan ligt en betrokken is bij de organisatie van chromatine
● Wanneer de lamina wordt gesplitst, condenseert het chromatine
Samenvatting:
Inflammatie-biomarkers
● Eerste seconden: directe vasoconstrictie
● Eerste uur:
○ Geleidelijke vasodilatatie
○ Hemostase begint
○ Degranulatie van mestcellen
○ Marginalisatie van witte bloedcellen
○ Grootschalige neutrofiele respons begint
● Na het eerste uur
○ Hemoconcentratie door oedeem
○ Ischemie
○ Toenemende interactie van chemische mediatoren
○ Emigratie van grotere witte bloedcellen
○ Complementsysteem
Gram+ vs. gram-
● Lipopolysaccharide = LPS = endotoxine → zit in de buitenkant van de wand van
gram- bacterie → hierdoor andere gramkleuring dan gram+
● Gram+ bacteriën hebben vergelijkbaare toxines specifiek per bacterie
○ Super AG → massale afgave van cytokines → induceert toxic shock
syndroom (meer uitleg nodig)
➔ Bacteriën geven toxines vrij wat ontstekings induceert
Sepsis: infectie → systemische inflammatoire respons → inflammatoire mediatoren worden
gesecreteerd → accelereren de cascade opnieuw → sepsis (bloedvergiftiging)
3
, Cascade bij gram- bacteriën:
Inflammatoire cascade
Welke moleculen worden geactiveerd in de inflammatoire cascade:
● Granulocyten (PMN): degranuleren, superoxide en proteolytische enzymen
● Macrofagen: cytokinen
● Complement
● Stollingsstoornis: bloedplaatjesaggregatie en TF
● Eicosanoïden: prostaglandine, leukotriënen
● iNO
Acute fase respons:
● Niet specifieke respons op weefselschade (verwonding, inflammatie, infectie)
● Karakteristieke veranderingen in de concentraties van bepaalde eiwitten:
○ Positieve acute fase eiwitten (neemt toe in concentratie):
■ Alfa-1-antitrypsine (in long)
■ Haptoglobine
■ Orosomucoid (zure alfa-1-glycoproteïne)
■ C-reactive protein
■ Complement
■ Eventueel Ig
■ Fibrinogeen: stolling
○ Negatieve acute fase eiwitten (neemt af in concentratie):
■ Albumine
■ Transferrine
Acute fase proteïnen:
● Gestimuleerd door cytokinen, met name IL-6
○ Glucocorticoïden stimuleren cytokinen om APP te produceren
○ Insuline vermindert dit effect
4