HOOFDSTUK 3A
LEERTHEORIEEN EN LEERPARADIGMA
-
VAN EEN BEHAVIORISTISCHE VISIE OP LEREN
NAAR HET ONTWERPEN VAN INSTRUCTIES
1
, DEEL 1: SKINNER; DE EERSTE BEHAVIORIST DIE BEHAVIORISTISCHE LEERPRINCIPES VERTAALT NAAR EEN
AANPAK VOOR INSTRUCTIES
1. OVERGANG NAAR OPERANTE CONDITIONERING: SKINNER; DE EERSTE BEHAVIORIST DIE
BEHAVIORISTISCHE LEERPRINCIPES VERTAALT NAAR EEN AANPAK VOOR INSTRUCTIES
• Voor Skinner waren de meeste eerdere behavioristen (zoals Pavlov en Watson) gefocust op klassieke
conditionering.
→ Dit betekent dat ze onderzochten hoe een neutrale stimulus (zoals een bel) een automatische,
onvrijwillige reactie (zoals speekselproductie bij honden) kan uitlokken door herhaling. Dit
proces heet stimulusverschuiving.
• Skinner introduceerde een nieuw idee: operante conditionering. Hierbij gaat het niet om
automatische reacties, maar om bewust gedrag dat beïnvloed wordt door de gevolgen ervan.
→ Gedrag dat beloond wordt, zal vaker voorkomen, en gedrag dat geen beloning of straf krijgt, zal
afnemen. Dit is een belangrijke stap vooruit in de leerpsychologie.
1.1 SKINNER’S BIJDRAGE
• Skinner wordt beschouwd als de eerste behaviorist die leerprincipes rechtstreeks vertaalde naar
onderwijs en instructie. Enkele van zijn bekendste bijdragen:
→ De Skinner Box → Een experimentele opstelling waarbij dieren (zoals duiven of ratten) beloond
werden voor gewenst gedrag.
o Dit hielp om leerprocessen te begrijpen en toe te passen op mensen.
→ Geprogrammeerde Instructie (GI) → Een methode waarbij leerlingen stap voor stap leren en
direct feedback krijgen op hun antwoorden.
→ Teaching Machines → Apparaten die GI mogelijk maakten en waarmee leerlingen op hun eigen
tempo konden werken.
→ Walden Two → Een boek waarin Skinner een utopische samenleving beschrijft, waarin
opvoeding en zelfdiscipline centraal staan.
o Een voorbeeld uit het boek: kinderen moeten vijf minuten wachten voordat ze
mogen eten, wat hen discipline aanleert.
2
, 1.2 INVLOED EN KRITIEK
• In de jaren ‘50 en ‘60 waren de ideeën van Skinner enorm populair en hadden ze veel invloed op
onderwijsmethoden.
• In de jaren ‘70 kwam er steeds meer kritiek op het behaviorisme.
→ Men vond het te simplistisch, omdat het vooral keek naar waarneembaar gedrag en niet naar
interne denkprocessen.
→ Dit leidde tot de opkomst van het cognitivisme, dat zich meer richt op geheugen, aandacht en
begrip.
• Toch verdwenen Skinner's ideeën nooit helemaal. Vooral het positief bekrachtigen van gewenst gedrag
en het geven van feedback blijven belangrijke principes binnen het onderwijs.
HUIDIGE INVLOED
• In de jaren ‘80 kwamen zijn ideeën opnieuw in de belangstelling door de opkomst van Computer
Assisted Instruction (CAI), waarbij computers gebruikt werden om gepersonaliseerde leerervaringen te
bieden.
→ Ook nu nog blijven behavioristische principes terugkomen in moderne educatieve methoden.
2. LEREN VOLGENS SKINNER
2.1 LEREN ALS OBSERVEERBAAR GEDRAG
• Skinner definieert leren als het ontstaan van een observeerbare gedragsverandering (Skinner, 1968).
→ Hij stelt dat alleen observeerbaar gedrag wetenschappelijk bestudeerd kan worden. Hoewel
interne leer- en denkprocessen niet ontkend worden, worden ze genegeerd omdat ze niet
direct meetbaar zijn.
→ Skinner vergelijkt deze interne processen met een black box, waarover onderzoekers niets
kunnen zeggen.
2.2 OPERANTE CONDITIONERING: LEREN DOOR CONSEQUENTIES
• Skinner legt de nadruk op de consequenties van gedrag. Niet de stimulus of de respons zelf staan
centraal, maar wat er na de respons gebeurt, namelijk de bekrachtiging (reinforcement).
→ Dit vormt de kern van zijn theorie van operant leren, waarbij bekrachtigers de frequentie van
bepaald gedrag beïnvloeden.
1. Positieve bekrachtiging: Het toedienen van een aangename stimulus na gewenst gedrag om dat
gedrag te versterken.
2. Negatieve bekrachtiging: Het wegnemen van een onaangename stimulus na gewenst gedrag om dat
gedrag te versterken.
→ Bekrachtiging werkt alleen effectief als deze contingent is, wat betekent dat de beloning
onmiddellijk volgt op het gewenste gedrag (Joyce & Weil, 1992).
→ Dit principe sluit aan bij klassieke associatieprincipes.
3
LEERTHEORIEEN EN LEERPARADIGMA
-
VAN EEN BEHAVIORISTISCHE VISIE OP LEREN
NAAR HET ONTWERPEN VAN INSTRUCTIES
1
, DEEL 1: SKINNER; DE EERSTE BEHAVIORIST DIE BEHAVIORISTISCHE LEERPRINCIPES VERTAALT NAAR EEN
AANPAK VOOR INSTRUCTIES
1. OVERGANG NAAR OPERANTE CONDITIONERING: SKINNER; DE EERSTE BEHAVIORIST DIE
BEHAVIORISTISCHE LEERPRINCIPES VERTAALT NAAR EEN AANPAK VOOR INSTRUCTIES
• Voor Skinner waren de meeste eerdere behavioristen (zoals Pavlov en Watson) gefocust op klassieke
conditionering.
→ Dit betekent dat ze onderzochten hoe een neutrale stimulus (zoals een bel) een automatische,
onvrijwillige reactie (zoals speekselproductie bij honden) kan uitlokken door herhaling. Dit
proces heet stimulusverschuiving.
• Skinner introduceerde een nieuw idee: operante conditionering. Hierbij gaat het niet om
automatische reacties, maar om bewust gedrag dat beïnvloed wordt door de gevolgen ervan.
→ Gedrag dat beloond wordt, zal vaker voorkomen, en gedrag dat geen beloning of straf krijgt, zal
afnemen. Dit is een belangrijke stap vooruit in de leerpsychologie.
1.1 SKINNER’S BIJDRAGE
• Skinner wordt beschouwd als de eerste behaviorist die leerprincipes rechtstreeks vertaalde naar
onderwijs en instructie. Enkele van zijn bekendste bijdragen:
→ De Skinner Box → Een experimentele opstelling waarbij dieren (zoals duiven of ratten) beloond
werden voor gewenst gedrag.
o Dit hielp om leerprocessen te begrijpen en toe te passen op mensen.
→ Geprogrammeerde Instructie (GI) → Een methode waarbij leerlingen stap voor stap leren en
direct feedback krijgen op hun antwoorden.
→ Teaching Machines → Apparaten die GI mogelijk maakten en waarmee leerlingen op hun eigen
tempo konden werken.
→ Walden Two → Een boek waarin Skinner een utopische samenleving beschrijft, waarin
opvoeding en zelfdiscipline centraal staan.
o Een voorbeeld uit het boek: kinderen moeten vijf minuten wachten voordat ze
mogen eten, wat hen discipline aanleert.
2
, 1.2 INVLOED EN KRITIEK
• In de jaren ‘50 en ‘60 waren de ideeën van Skinner enorm populair en hadden ze veel invloed op
onderwijsmethoden.
• In de jaren ‘70 kwam er steeds meer kritiek op het behaviorisme.
→ Men vond het te simplistisch, omdat het vooral keek naar waarneembaar gedrag en niet naar
interne denkprocessen.
→ Dit leidde tot de opkomst van het cognitivisme, dat zich meer richt op geheugen, aandacht en
begrip.
• Toch verdwenen Skinner's ideeën nooit helemaal. Vooral het positief bekrachtigen van gewenst gedrag
en het geven van feedback blijven belangrijke principes binnen het onderwijs.
HUIDIGE INVLOED
• In de jaren ‘80 kwamen zijn ideeën opnieuw in de belangstelling door de opkomst van Computer
Assisted Instruction (CAI), waarbij computers gebruikt werden om gepersonaliseerde leerervaringen te
bieden.
→ Ook nu nog blijven behavioristische principes terugkomen in moderne educatieve methoden.
2. LEREN VOLGENS SKINNER
2.1 LEREN ALS OBSERVEERBAAR GEDRAG
• Skinner definieert leren als het ontstaan van een observeerbare gedragsverandering (Skinner, 1968).
→ Hij stelt dat alleen observeerbaar gedrag wetenschappelijk bestudeerd kan worden. Hoewel
interne leer- en denkprocessen niet ontkend worden, worden ze genegeerd omdat ze niet
direct meetbaar zijn.
→ Skinner vergelijkt deze interne processen met een black box, waarover onderzoekers niets
kunnen zeggen.
2.2 OPERANTE CONDITIONERING: LEREN DOOR CONSEQUENTIES
• Skinner legt de nadruk op de consequenties van gedrag. Niet de stimulus of de respons zelf staan
centraal, maar wat er na de respons gebeurt, namelijk de bekrachtiging (reinforcement).
→ Dit vormt de kern van zijn theorie van operant leren, waarbij bekrachtigers de frequentie van
bepaald gedrag beïnvloeden.
1. Positieve bekrachtiging: Het toedienen van een aangename stimulus na gewenst gedrag om dat
gedrag te versterken.
2. Negatieve bekrachtiging: Het wegnemen van een onaangename stimulus na gewenst gedrag om dat
gedrag te versterken.
→ Bekrachtiging werkt alleen effectief als deze contingent is, wat betekent dat de beloning
onmiddellijk volgt op het gewenste gedrag (Joyce & Weil, 1992).
→ Dit principe sluit aan bij klassieke associatieprincipes.
3