Biologie
Begrip sociaal agogisch werk
SAW = Wetenschap over de oorzaken en gevolgen van menselijk gedrag , Complexe
interactie tussen biologie, psychologie en sociale.
Bio, psy en sociale factoren die een invloed hebben op pijn
→sociale = familie – vrienden -…
→ biologische = ziekte – symptonen -…
→ psychologische = stress – depressie -…
Verklaring chronische pijn
Niet alleen door lichamelijke factoren of aandoeningen maar ook door psychologische,
biologische en sociale factoren zoals bewegingsangst, depressie en catastroferen.
Chronische pijn heeft een negatieve invloed op de kwaliteit van het leven en welzijn
Voorbeelden biologische factoren in de praktijk
→ genetica
→ medische aandoeningen
→ voeding, levensgewoonten en middelengebruik
→ hersenchemie
Hoe kijken naar gedrag en de verklaring geeft insteken over hoe ermee om te gaan
• Genetische aanleg: niets aan te doen
• Psychologie : psychotherapie
• Slechte vrienden : inzicht geven
Evolutie van biologische inzichten
→ vergevordere technieken
• Hersenen bekijken terwijl ze aan het werk zijn → fascinerende inzichten
• Eerste symptomen van Parkinson = in de darmen niet de hersenen
= hersenen zijn plastisch = elk deel heeft een bepaalde functie maar andere delen
kunnen de functie overnemen
Beschadigingen
,H1: De mens al biologisch organisme
Anatomie = vorm - studie van inwendige en uitwendige structuur en de fysieke relatie
tussen lichaamsdelen
Fysiologie = functie & werking van de anatomie - Studie van levensfuncties van levende
organismen
Pathologie = ziekteleer - Oorzaak, mechanismen en gevolgen van ziektes
Neurofysiologie = werking van het zenuwstelsel - Neuro zijn neuronen of zenuwcellen
Anatomische beelden van het lichaam en hersenen in verschillende doorsnedes:
- Sagittale doorsnede = scheidt rechter van linker helft
- Coronale of frontale snede = anterieure deel gescheiden van posterieure deel
- Horizontale of transversale snede = bovenste en onderste deel van het lichaam
Algemeen = cel
Bijzonder = weefsels, organen, stelsel
Toegepast = hersenen → inspanningen, omgeving, leeftijd, geslacht, ziekte,…
1.1 Het organisme mens
• Organen → opgebouwd uit weefsels, cellen en moleculen
moleculen = veelheid van cellen op het laagste/ kleinste organisatie niveau
→ zien er verschillend uit en hebben bepaalde functie
→ anatomie sluit aan bij de fysiologische werking van de cel
Spermacel heeft een zwiepende staart ( anatomie) om snel bij de eicel te
geraken en te bevruchten (fysiologie)
Weefsel = organen opgebouwd hieruit en de cellen zijn ozdanig gerangschaikt in dat
weefsel waardoor het zijn functie kan uitoefenen
Orgaansystemen = opgebouwd uit minstens 2 organen en ondersteunen een functie in
het lichaam → organen die begoren tot eenzelfde organaastelsel staan in voor een
biologische functie
→ 12 orgaanstelseks met 1 zenuwstelsel
bv. hart- en bloedvatenstelsel met ademhalingsstelsel en zenuwstelsel voorzien
van zuurstof.
= Organen van het zenuwstelsel zijn hersenen, ruggenmerg en zenuwen
,Verschillende cellen → orgaansystemen
Pigmentcel De huid
Beencel Skelet
Spiercellen Spierstelsel
Kliercel Edocrien stelsel
Bloedcellen Hart en bloedvaten stelsel
Zaadcel Voortplantingstelsel
- Zaad om te zwemmen
Zenuwcel Zenuwstelsel
- Vertakking om prikkels op te
vangen en door te sturen
Stamcellen = cel die nog geen specifieke functie heeft
(eerste fase van de cel) moet nog uitgroeien tot
specifieke cel
→ komen uit het beenmerg
= Menselijke ontwikkeling → stamcellen
• omnipotent = kan nog elke cel worden
• pluripotent = kan nog veel cellen worden maar niet elke
leukemie → kanker in bloed, te weinig witte bloedcellen en te veel rode bloedcellen
= behandelen met stamcellen → eerst alle witte bloedcellen vernietigen, dan
stamcellen inbrengen via infuus en hopen dat stamcellen uitgroeien tot witte
bloedcellen
1.2 op basis van het leven = de menselijke cel
→ kleinste onderdeel van de mens
Cel = basisbouwsteen van een mens en meer algemeen van elk levend organisme
- cel is een functionele eenheid en een morfologische eenheid van een levend
organisme
verschillende onderdelen uit de cel
Celmembraan = scheidt de binnenkant van de cel af van de buitenkant
- vliesje rond de cel, met kleine gaatjes erin
- rond de kern → kernmembraan
- eiwitten die beslissen welke stoffen binnen en buiten kunnen = portiers
, Cytoplasma = geleiachtige vloeistof die binnenin het celmembraan zit die nodig zijn
voor de cel om te kunnen functioneren
- water, eiwitten, suikers, vetten en mineralen
- vloeistof → zit in de cel zodat alles in de cel rond kan bewegen
grootste deel van de cel: celkern = bestaat uit kernplasma = vloeistof gelijkaardig aan
het cytoplasma
- in de celkern zit het DNA en erfelijk materiaal
- kernmembraan omsluit dit en door de kernporiën kkan informatie uitgewissels
worden tussen de binnen en buitenkant
DNA = code opgeslagen van alle onderdelen van de cel zoals bouwstenen, verschillende
enzymen, neurotransmitters, hormonen en organellen
Belangrijkste organellen
Organellen = kleine organen van de cel die voorzien in het levensonderhoud ervan
- in cytoplasma → zorgen dat cel kan functioneren
1. Mitochondriën = energiecentrales van de cel
- zorgen voor energie om taken te kunnen uitvoeren
- bevat klein stukje DNA van moeder of kind
2. Centriolen = 2 bundeld microtubuli loodrecht op elkaar
- belangrijk bij celdeling voor haargroei, herstellen wondjes
- microtubuli = holle buisjes die ontstaan uit eiwitten en die zorgen voor de
stevigheid van de cel en dat ze hun vorm behouden ( lijkt op penne pasta)
- vormen bouwsteen van centrosoom → verantwoordelijk voor microtubuli
en celdeling
3. endoplastisch reticulum
- ruw ER = bezaaid met ribsomen → aanmaak van eiwitten
- glad ER = productie van vetten en ontgifting van schadelijke stoffen
4. Golgi-apparaat = verzend- en ontvangstkantoor van de cel
- eiwitten verpakken en verzenden naar uiteindelijke locatie
cytoskelet = zorgt voor de stevigheid van de cel ( wegnetwerk waar transport gebeurt)
- rode draadjes, geeft stevigheid aan de cel
- langs cytoskelet verplaatsen eiwitten zich
- bestaat uit microtubuli
Ribosomen = zetten erfelijke code om naar eiwitten (eiwitsynthese)
Begrip sociaal agogisch werk
SAW = Wetenschap over de oorzaken en gevolgen van menselijk gedrag , Complexe
interactie tussen biologie, psychologie en sociale.
Bio, psy en sociale factoren die een invloed hebben op pijn
→sociale = familie – vrienden -…
→ biologische = ziekte – symptonen -…
→ psychologische = stress – depressie -…
Verklaring chronische pijn
Niet alleen door lichamelijke factoren of aandoeningen maar ook door psychologische,
biologische en sociale factoren zoals bewegingsangst, depressie en catastroferen.
Chronische pijn heeft een negatieve invloed op de kwaliteit van het leven en welzijn
Voorbeelden biologische factoren in de praktijk
→ genetica
→ medische aandoeningen
→ voeding, levensgewoonten en middelengebruik
→ hersenchemie
Hoe kijken naar gedrag en de verklaring geeft insteken over hoe ermee om te gaan
• Genetische aanleg: niets aan te doen
• Psychologie : psychotherapie
• Slechte vrienden : inzicht geven
Evolutie van biologische inzichten
→ vergevordere technieken
• Hersenen bekijken terwijl ze aan het werk zijn → fascinerende inzichten
• Eerste symptomen van Parkinson = in de darmen niet de hersenen
= hersenen zijn plastisch = elk deel heeft een bepaalde functie maar andere delen
kunnen de functie overnemen
Beschadigingen
,H1: De mens al biologisch organisme
Anatomie = vorm - studie van inwendige en uitwendige structuur en de fysieke relatie
tussen lichaamsdelen
Fysiologie = functie & werking van de anatomie - Studie van levensfuncties van levende
organismen
Pathologie = ziekteleer - Oorzaak, mechanismen en gevolgen van ziektes
Neurofysiologie = werking van het zenuwstelsel - Neuro zijn neuronen of zenuwcellen
Anatomische beelden van het lichaam en hersenen in verschillende doorsnedes:
- Sagittale doorsnede = scheidt rechter van linker helft
- Coronale of frontale snede = anterieure deel gescheiden van posterieure deel
- Horizontale of transversale snede = bovenste en onderste deel van het lichaam
Algemeen = cel
Bijzonder = weefsels, organen, stelsel
Toegepast = hersenen → inspanningen, omgeving, leeftijd, geslacht, ziekte,…
1.1 Het organisme mens
• Organen → opgebouwd uit weefsels, cellen en moleculen
moleculen = veelheid van cellen op het laagste/ kleinste organisatie niveau
→ zien er verschillend uit en hebben bepaalde functie
→ anatomie sluit aan bij de fysiologische werking van de cel
Spermacel heeft een zwiepende staart ( anatomie) om snel bij de eicel te
geraken en te bevruchten (fysiologie)
Weefsel = organen opgebouwd hieruit en de cellen zijn ozdanig gerangschaikt in dat
weefsel waardoor het zijn functie kan uitoefenen
Orgaansystemen = opgebouwd uit minstens 2 organen en ondersteunen een functie in
het lichaam → organen die begoren tot eenzelfde organaastelsel staan in voor een
biologische functie
→ 12 orgaanstelseks met 1 zenuwstelsel
bv. hart- en bloedvatenstelsel met ademhalingsstelsel en zenuwstelsel voorzien
van zuurstof.
= Organen van het zenuwstelsel zijn hersenen, ruggenmerg en zenuwen
,Verschillende cellen → orgaansystemen
Pigmentcel De huid
Beencel Skelet
Spiercellen Spierstelsel
Kliercel Edocrien stelsel
Bloedcellen Hart en bloedvaten stelsel
Zaadcel Voortplantingstelsel
- Zaad om te zwemmen
Zenuwcel Zenuwstelsel
- Vertakking om prikkels op te
vangen en door te sturen
Stamcellen = cel die nog geen specifieke functie heeft
(eerste fase van de cel) moet nog uitgroeien tot
specifieke cel
→ komen uit het beenmerg
= Menselijke ontwikkeling → stamcellen
• omnipotent = kan nog elke cel worden
• pluripotent = kan nog veel cellen worden maar niet elke
leukemie → kanker in bloed, te weinig witte bloedcellen en te veel rode bloedcellen
= behandelen met stamcellen → eerst alle witte bloedcellen vernietigen, dan
stamcellen inbrengen via infuus en hopen dat stamcellen uitgroeien tot witte
bloedcellen
1.2 op basis van het leven = de menselijke cel
→ kleinste onderdeel van de mens
Cel = basisbouwsteen van een mens en meer algemeen van elk levend organisme
- cel is een functionele eenheid en een morfologische eenheid van een levend
organisme
verschillende onderdelen uit de cel
Celmembraan = scheidt de binnenkant van de cel af van de buitenkant
- vliesje rond de cel, met kleine gaatjes erin
- rond de kern → kernmembraan
- eiwitten die beslissen welke stoffen binnen en buiten kunnen = portiers
, Cytoplasma = geleiachtige vloeistof die binnenin het celmembraan zit die nodig zijn
voor de cel om te kunnen functioneren
- water, eiwitten, suikers, vetten en mineralen
- vloeistof → zit in de cel zodat alles in de cel rond kan bewegen
grootste deel van de cel: celkern = bestaat uit kernplasma = vloeistof gelijkaardig aan
het cytoplasma
- in de celkern zit het DNA en erfelijk materiaal
- kernmembraan omsluit dit en door de kernporiën kkan informatie uitgewissels
worden tussen de binnen en buitenkant
DNA = code opgeslagen van alle onderdelen van de cel zoals bouwstenen, verschillende
enzymen, neurotransmitters, hormonen en organellen
Belangrijkste organellen
Organellen = kleine organen van de cel die voorzien in het levensonderhoud ervan
- in cytoplasma → zorgen dat cel kan functioneren
1. Mitochondriën = energiecentrales van de cel
- zorgen voor energie om taken te kunnen uitvoeren
- bevat klein stukje DNA van moeder of kind
2. Centriolen = 2 bundeld microtubuli loodrecht op elkaar
- belangrijk bij celdeling voor haargroei, herstellen wondjes
- microtubuli = holle buisjes die ontstaan uit eiwitten en die zorgen voor de
stevigheid van de cel en dat ze hun vorm behouden ( lijkt op penne pasta)
- vormen bouwsteen van centrosoom → verantwoordelijk voor microtubuli
en celdeling
3. endoplastisch reticulum
- ruw ER = bezaaid met ribsomen → aanmaak van eiwitten
- glad ER = productie van vetten en ontgifting van schadelijke stoffen
4. Golgi-apparaat = verzend- en ontvangstkantoor van de cel
- eiwitten verpakken en verzenden naar uiteindelijke locatie
cytoskelet = zorgt voor de stevigheid van de cel ( wegnetwerk waar transport gebeurt)
- rode draadjes, geeft stevigheid aan de cel
- langs cytoskelet verplaatsen eiwitten zich
- bestaat uit microtubuli
Ribosomen = zetten erfelijke code om naar eiwitten (eiwitsynthese)