Inleiding
Doel
- Inzicht verwerven in begrippenkader van kwantitatief
criminologischonderzoek
- Onderzoekspopulaties, onderzoekseenheden (cases), en steekproeven
(samples)
o Onderzoekspopulatie = de verzameling van individuen waarover we
een uitspraak willen doen
o Steekproef = een deel van uit de onderzoekspopulatie
o Respondenten = de personen die bevraagd worden
deelverzameling van de onderzoekspopulatie
o We kunnen uitspraken doen binnen een bepaalde marge als onze
steekproef toevalsgewijs is samengesteld. Belangrijk is ook het
representatief karakter van de steekproef. Met representativiteit
wordt bedoeld dat een kenmerk in de steekproef evenveel voorkomt
als in de onderzoekspopulatie. Als een steekproef niet representatief
is, is een bepaalde groep oververtegenwoordigd en een andere
groep ondervertegenwoordigd. Zo zijn spijbelaars vaker afwezig dan
niet-spijbelaars in enquêtes die op school worden afgenomen
- Steeds toevalssteekproeven (aselect, willekeurig, at random). ̶
- Belang van afbakening en representativiteit.
- Bv. eerstejaarsstudenten, straatsegmenten. ̶
Variabelen of kenmerken
- De kenmerken van statische eenheden die varieren en die verschillende
scores hebben op een bepaald kenmerk
- Kenmerken zoals leeftijd, geslacht, vooropleiding en studiekeuze zijn de
variabelen in het genoemde onderzoek
o het kan ook een lengte zijn, zoals de lengte van artikelen over
criminaliteit
- Objecten/onderzoekseenheden = de personen of zaken over wie je iets
zegt
o Hoeft dus niet per se een persoon te zijn, maar het kan ook artikelen
over de criminaliteit zijn
Bv: ‘’Televisiekijkers met een hoge opleiding kijken vaker naar het nieuws dan
televisiekijkers met een lage opleiding.’In deze uitspraak wordt iets gezegd over
televisiekijkers. In het onderzoek zijn televisiekijkers de onderzoekseenheden. In
het voorbeeld zijn de kenmerken van de televisiekijkers: opleiding en de
frequentie waarmee naar het nieuws wordt gekeken. ‘’Opleiding’en ‘frequentie’’
zijn de variabelen in het onderzoek.
- Overgeneralisatie = vergeten hoe je de bevolking hebt gedefinieerd
- Enkel kenmerken die verschillen (spreiding, variabiliteit) tussen
onderzoekseenheden in overweging nemen.
1
, o De eenheden waarover uitspraken gedaan worden, dienen bij
voorkeur te verschillen op criminologisch relevante kenmerken. Dit
wil zeggen dat ze variabiliteit of spreiding dienen te vertonen: er is
bijvoorbeeld spreiding in crimineel gedrag wanneer de verschillende
onderzoekseenheden met een verschillende frequentie crimineel
verdrag vertonen.
Voldoende spreiding betekent dat er per kenmerk tenminste 2
verschillende waarden zijn en dat de eenheden verspreid zijn
over deze categorieën of waarden van die kenmerken.
o Als een kenmerk niet varieert is er sprake van een constante. Iets
wat niet varieert, kan niet gebruikt worden in statisch onderzoek
- Verschillen tussen onderzoekseenheden voorspellen (onzekerheid
modelleren, reduceren en verklaren).
- Afhankelijke (te verklaren, 𝑦) en onafhankelijke (verklarende, 𝑥) variabelen.
- Bv. Seksueel slachtofferschap, spreiding van criminaliteit, e.a.
Nieuwsgierigheid en onderzoeksvragen
- Bv. Wie wordt seksueel slachtoffer en in welke mate? (>< Wie wordt geen
seksueel slachtoffer en waarom niet?) ̶
- Bv. Waar wordt criminaliteit gepleegd en waarom? (>< Waar wordt geen
criminaliteit gepleegd en waarom niet?)
BESCHRIJVENDE & INFERENTIËLE STATISTIEK
- Beschrijvende statistiek
— Kwantitatieve samenvatting (beschrijving) van de kenmerken van
een steekproef.
— = Op een overzichtelijke en samenvattende of synthetische
wijze weergeven van kenmerken die voorkomen in een
onderzoekspopulatie of in een steekproef, wanneer we niet
alle eenheden kunnen bevragen
— Gegevens worden in categorieën teruggebracht, gemeten,
samengenomen, vergeleken en tegenover elkaar afgezet
— Klemtoon bij datareductie & focus op steekproef.
— = grote hoeveelheden van gegevens zo overzichtelijk
mogelijk kunnen presenteren, zonder dat er veel info verloren
gaat
— Een momentopname die uitsluitend geldig is voor de
onderzochte groep
— Geen causaliteit
— Bv. maten van centraliteit en spreiding (gemiddelde, variantie).
- Inductieve/inferentiële statistiek
2