Theoretische en historische grondslagen van de psychologie | Jill N.
Theoretische en historische grondslagen van de psychologie
H1: kenmerken van de moderne wetenschap
1. Wat is wetenschap?
1.1. Wetenschap, geschiedenis en psychologie
Oorsprong en ontwikkeling
• Verwondering en nieuwsgierigheid vormen de basis van filosofie en wetenschap.
• Psychologie werd in de 19e eeuw een zelfstandige wetenschap, los van filosofie.
• Psyche-logos = studie van de ziel/ geest.
Filosofische vragen
• Aard en functies van de ziel: denken, voelen, waarnemen, geheugen.
• Relatie lichaam-geest: hoe beïnvloeden ze elkaar?
• Epistemologie: hoe kennen we de wereld? Basis voor cognitieve psychologie
(waarneming, geheugen, denken).
Ethiek en mensbeeld
• Onderzoek naar goed gedrag en menselijke motieven.
• Vragen: zijn mensen van nature goed of slecht, sociaal, welke motieven zijn heilzaam?
• Psychologie bestudeert ethiek in motivatie, emotie, sociaal en seksueel gedrag.
Wetenschap en toepassing
• Wetenschappelijke psychologie = empirisch onderzoek (observatie, experiment).
• Toegepaste psychologie in overheid, bedrijfsleven en klinische praktijk.
Invloed van biologie
• Hersenen verklaren de werking van de geest.
• Evolutietheorie verklaart de aanpassingswaarde van gedrag en mentale functies.
• Dit leidde tot cognitieve neurowetenschappen.
• Psychologie vindt wortels in filosofie (kennis, ethiek, mensbeeld) en biologie (hersenen,
gedrag, evolutie).
1.2. Beeld van de moderne wetenschap
• Newtoniaanse stijl:
o Wetenschap gebaseerd op een beperkt aantal algemene wetten.
o Geobserveerde regelmatigheden in de natuur worden afgeleid uit deze wetten.
o Newton verzint geen mechanistische verklaring voor de wet van de zwaartekracht;
hij beschrijft alleen het verschijnsel.
• Positivisme (Comte):
o Focus op observeerbare feiten; hypothetische verklaringen worden vermeden.
o Wetten zijn samenvattingen van observaties, niet de essentie van de natuur.
o Doel: voorspellen (predictie) en controleren van verschijnselen.
o Toepassing niet alleen in natuurwetenschap, maar ook op de samenleving (basis
van sociologie).
1
, Theoretische en historische grondslagen van de psychologie | Jill N.
1.3. Soorten verklaringen
• Deductief-nomologische verklaring
• Hermeneutisch begrijpen
• Functionele en teleologische verklaringen
• Causale benadering: achterliggende mechanismen
1.3.1. Deductief-nomologische verklaring
Nomologische benadering (wetmatigheden afleiden)
• Logisch positivisme
o Wiener Kreis (1920-1938)
o Focus op strikte scheiding tussen wetenschap en non-wetenschap
o Alleen theorieën en verklaringen die aan strikte voorwaarden voldoen, worden als
wetenschappelijk gezien
• Deductief-Nomologisch model (Hempel & Oppenheim, 1948)
o Verklaren = fenomeen onder algemene wet plaatsen
o Explanans → explanandum
▪ Explanans: verklaring van het fenomeen
▪ Explanandum: fenomeen dat verklaard moet worden
o Belangrijk: Het explanandum mag niet al begrepen of impliciet aanwezig zijn in
het explanans (om circulariteit te voorkomen)
▪ Voorbeeld: “Dit kind leest zwak omdat het dyslexie heeft.” → fout, want de
conclusie (zwak lezen) wordt gebruikt om de verklaring (dyslexie) te
veronderstellen
• Correcte aanpak: eerst vaststellen dat het kind dyslexie heeft via een test, daarna zwak lezen
verklaren
• Verklaren = voorspellen Onderscheid tussen correlatie en oorzaak
• Operationalisatie: theoretische begrippen moeten meetbaar worden gemaakt
o Voorbeeld: intelligentie → operationaliseren via een intelligentietest
• Verificatie/confirmatieprincipe: Theorieën moeten empirisch getoetst kunnen worden
• Instrumentalisme / Operationalisme: Theorieën zijn hulpmiddelen om verschijnselen te
beschrijven, niet per se om ze te verklaren
Problemen met het Deductief-Nomologisch (D-N) model
• Algemene wetten vinden: Hoe vinden we de wetten nodig voor deductie? Inductie lijkt
nodig: observaties samenvoegen om wetten af te leiden.
• Inductieprobleem
o Inductie geeft waarschijnlijkheid, geen zekerheid.
o Voorbeeld: “Alle kraaien zijn zwart” kan nooit volledig bewezen worden.
o Vereist onderliggende wetmatigheden.
• Echte vs. accidentele veralgemening: Voorbeeld: “Alle munten in mijn zak zijn koper” →
toevallige generalisatie, geen echte wet.
• Beperkingen in noodzakelijkheid en causatie
o D-N model beschrijft deductief, maar mist noodzakelijkheid.
o Geen expliciete causale of modale termen → echte verklaring vereist
oorzaak/werking. 2
, Theoretische en historische grondslagen van de psychologie | Jill N.
• Observaties zijn niet theorie-neutraal
o Theorieën bepalen wat we als fenomeen zien en creëren soms eigen fenomenen.
• Verificatieproblemen
o Dispositionele termen (breekbaar, oplosbaar, brandbaar, intelligent) moeilijk
direct toetsbaar.
o Vandaar focus op confirmatie: uitspraken moeten empirische consequenties
hebben.
• Deductie vs. verklaring
o Deductie is puur formeel; niet elke deductie is een echte verklaring.
o Voor echte verklaring zijn causale en modale termen nodig.
• Kort overzicht inductie vs. deductie
o Inductie: observaties → veralgemening → wet (probabilistisch)
o Deductie: wet → hypothese → toetsbare voorspelling
Redeneren vs. Verklaren
• Redeneren: Mensen geven redenen voor hun gedrag (bijv. "Ik sloeg de deur dicht omdat
ik boos was").
o Dit is typisch folk psychology of common sense.
o Redenen zijn vaak intentioneel en subjectief.
• Verklaren: Wetenschap wil objectieve oorzaken vaststellen (bijv. neuronale processen,
stimulus-responsrelaties).
o Doel: gedrag verklaren op een manier die onafhankelijk is van persoonlijke
interpretaties.
Waarom is dit moeilijk in de psychologie?
1. Gedrag is contextafhankelijk: Voorbeeld: "arm opheffen" kan groeten, stemmen of
rekken betekenen.
2. Psychologische termen zijn theoriegeladen: Begrippen zoals attitude, rol, onbewuste
zijn niet neutraal.
3. Redenen ≠ verklaringen: Redenen zijn narratieven, geen wetenschappelijke oorzaken.
4. Radicaal materialisme: Zegt: redenen zijn overbodig, alleen neuronale processen
verklaren gedrag.
5. Probleem: Kunnen redenen oorzaken zijn? Of zijn ze onherleidbaar tot fysische
processen?
Wetenschappelijk probleem
• Psychologie wil objectieve verklaringen, maar:
o Gedrag is moeilijk operationeel te definiëren.
o Verklaringen zijn vaak vermengd met interpretaties.
o Redenen blijven belangrijk in ons dagelijks begrijpen, maar zijn niet altijd
wetenschappelijk.
1.3.2. Hermeneutisch begrijpen
Wat is hermeneutisch begrijpen?
• Kernidee: Menselijk gedrag is betekenisvol en moet worden begrepen in zijn culturele en
sociale context.
3
, Theoretische en historische grondslagen van de psychologie | Jill N.
• ‘Thick description’ (Geertz): Niet alleen beschrijven wat iemand doet, maar ook wat het
betekent binnen een cultuur.
Methodestrijd: Naturwissenschaften vs. Geisteswissenschaften
• Naturwissenschaften (natuurwetenschappen): verklaren via causale wetten
(nomothetisch: algemene wetten).
• Geisteswissenschaften (geesteswetenschappen): begrijpen via interpretatie
(ideografisch: unieke gevallen).
• Dilthey, Rickert, Windelband: pleitten voor een aparte methode voor humane
wetenschappen.
Verstehen als methode
• Begrijpen van intenties, betekenissen, context.
• Voorbeeld: Geschiedenis → niet alleen feiten, maar ook motieven van personen in hun
tijd.
• Hermeneutische cirkel: Begrip van details ↔ begrip van geheel (context ↔ specifieke
handeling).
Probleem en toepassing
Psychologie zit op de grens:
o Wetenschap wil objectieve verklaringen, maar psychotherapie (Rogeriaans,
psychoanalyse) gebruikt hermeneutische interpretatie.
o Gedragstherapie daarentegen blijft meer natuurwetenschappelijk.
1.3.3. Functionele en teleologische verklaringen
Wat is een functie?
• Een functie : Zegt wat iets doet, niet wat het is.
• Complexere functionele verklaring:
o Analyseer hoe een systeem werkt door de organisatie van componenten te
tonen.
o Functie draagt bij aan de capaciteit van het systeem.
• Voorbeelden:
o Cognitieve psychologie: werking van geheugen.
o Biologie: hart pompt bloed → draagt bij aan circulatie.
• Kenmerk: Niet gericht op algemene wetten, maar op bijdrage aan systeemwerking.
Teleologische verklaringen
• Kern: Verklaren door te verwijzen naar een doel of eindpunt.
• Problemen:
o Aristoteles: gebruikte teleologie voor natuurverschijnselen (bv. zwaartekracht,
eik → eikeboom).
o Circulair: doel wordt oorzaak.
o Past niet in causale fysische wereld (oorzaken komen vóór gevolgen).
• In biologie:
o Termen als design, doel, adaptieve functie (bv. oog om te zien).
o Evolutietheorie: verklaart functies zonder doelgerichtheid → via blinde,
mechanische processen.
4
• Gevaar = adaptationisme: alles zien als optimaal aangepast → overschatting van
natuurlijke selectie (veel kenmerken zijn bijproducten of toeval).
Theoretische en historische grondslagen van de psychologie
H1: kenmerken van de moderne wetenschap
1. Wat is wetenschap?
1.1. Wetenschap, geschiedenis en psychologie
Oorsprong en ontwikkeling
• Verwondering en nieuwsgierigheid vormen de basis van filosofie en wetenschap.
• Psychologie werd in de 19e eeuw een zelfstandige wetenschap, los van filosofie.
• Psyche-logos = studie van de ziel/ geest.
Filosofische vragen
• Aard en functies van de ziel: denken, voelen, waarnemen, geheugen.
• Relatie lichaam-geest: hoe beïnvloeden ze elkaar?
• Epistemologie: hoe kennen we de wereld? Basis voor cognitieve psychologie
(waarneming, geheugen, denken).
Ethiek en mensbeeld
• Onderzoek naar goed gedrag en menselijke motieven.
• Vragen: zijn mensen van nature goed of slecht, sociaal, welke motieven zijn heilzaam?
• Psychologie bestudeert ethiek in motivatie, emotie, sociaal en seksueel gedrag.
Wetenschap en toepassing
• Wetenschappelijke psychologie = empirisch onderzoek (observatie, experiment).
• Toegepaste psychologie in overheid, bedrijfsleven en klinische praktijk.
Invloed van biologie
• Hersenen verklaren de werking van de geest.
• Evolutietheorie verklaart de aanpassingswaarde van gedrag en mentale functies.
• Dit leidde tot cognitieve neurowetenschappen.
• Psychologie vindt wortels in filosofie (kennis, ethiek, mensbeeld) en biologie (hersenen,
gedrag, evolutie).
1.2. Beeld van de moderne wetenschap
• Newtoniaanse stijl:
o Wetenschap gebaseerd op een beperkt aantal algemene wetten.
o Geobserveerde regelmatigheden in de natuur worden afgeleid uit deze wetten.
o Newton verzint geen mechanistische verklaring voor de wet van de zwaartekracht;
hij beschrijft alleen het verschijnsel.
• Positivisme (Comte):
o Focus op observeerbare feiten; hypothetische verklaringen worden vermeden.
o Wetten zijn samenvattingen van observaties, niet de essentie van de natuur.
o Doel: voorspellen (predictie) en controleren van verschijnselen.
o Toepassing niet alleen in natuurwetenschap, maar ook op de samenleving (basis
van sociologie).
1
, Theoretische en historische grondslagen van de psychologie | Jill N.
1.3. Soorten verklaringen
• Deductief-nomologische verklaring
• Hermeneutisch begrijpen
• Functionele en teleologische verklaringen
• Causale benadering: achterliggende mechanismen
1.3.1. Deductief-nomologische verklaring
Nomologische benadering (wetmatigheden afleiden)
• Logisch positivisme
o Wiener Kreis (1920-1938)
o Focus op strikte scheiding tussen wetenschap en non-wetenschap
o Alleen theorieën en verklaringen die aan strikte voorwaarden voldoen, worden als
wetenschappelijk gezien
• Deductief-Nomologisch model (Hempel & Oppenheim, 1948)
o Verklaren = fenomeen onder algemene wet plaatsen
o Explanans → explanandum
▪ Explanans: verklaring van het fenomeen
▪ Explanandum: fenomeen dat verklaard moet worden
o Belangrijk: Het explanandum mag niet al begrepen of impliciet aanwezig zijn in
het explanans (om circulariteit te voorkomen)
▪ Voorbeeld: “Dit kind leest zwak omdat het dyslexie heeft.” → fout, want de
conclusie (zwak lezen) wordt gebruikt om de verklaring (dyslexie) te
veronderstellen
• Correcte aanpak: eerst vaststellen dat het kind dyslexie heeft via een test, daarna zwak lezen
verklaren
• Verklaren = voorspellen Onderscheid tussen correlatie en oorzaak
• Operationalisatie: theoretische begrippen moeten meetbaar worden gemaakt
o Voorbeeld: intelligentie → operationaliseren via een intelligentietest
• Verificatie/confirmatieprincipe: Theorieën moeten empirisch getoetst kunnen worden
• Instrumentalisme / Operationalisme: Theorieën zijn hulpmiddelen om verschijnselen te
beschrijven, niet per se om ze te verklaren
Problemen met het Deductief-Nomologisch (D-N) model
• Algemene wetten vinden: Hoe vinden we de wetten nodig voor deductie? Inductie lijkt
nodig: observaties samenvoegen om wetten af te leiden.
• Inductieprobleem
o Inductie geeft waarschijnlijkheid, geen zekerheid.
o Voorbeeld: “Alle kraaien zijn zwart” kan nooit volledig bewezen worden.
o Vereist onderliggende wetmatigheden.
• Echte vs. accidentele veralgemening: Voorbeeld: “Alle munten in mijn zak zijn koper” →
toevallige generalisatie, geen echte wet.
• Beperkingen in noodzakelijkheid en causatie
o D-N model beschrijft deductief, maar mist noodzakelijkheid.
o Geen expliciete causale of modale termen → echte verklaring vereist
oorzaak/werking. 2
, Theoretische en historische grondslagen van de psychologie | Jill N.
• Observaties zijn niet theorie-neutraal
o Theorieën bepalen wat we als fenomeen zien en creëren soms eigen fenomenen.
• Verificatieproblemen
o Dispositionele termen (breekbaar, oplosbaar, brandbaar, intelligent) moeilijk
direct toetsbaar.
o Vandaar focus op confirmatie: uitspraken moeten empirische consequenties
hebben.
• Deductie vs. verklaring
o Deductie is puur formeel; niet elke deductie is een echte verklaring.
o Voor echte verklaring zijn causale en modale termen nodig.
• Kort overzicht inductie vs. deductie
o Inductie: observaties → veralgemening → wet (probabilistisch)
o Deductie: wet → hypothese → toetsbare voorspelling
Redeneren vs. Verklaren
• Redeneren: Mensen geven redenen voor hun gedrag (bijv. "Ik sloeg de deur dicht omdat
ik boos was").
o Dit is typisch folk psychology of common sense.
o Redenen zijn vaak intentioneel en subjectief.
• Verklaren: Wetenschap wil objectieve oorzaken vaststellen (bijv. neuronale processen,
stimulus-responsrelaties).
o Doel: gedrag verklaren op een manier die onafhankelijk is van persoonlijke
interpretaties.
Waarom is dit moeilijk in de psychologie?
1. Gedrag is contextafhankelijk: Voorbeeld: "arm opheffen" kan groeten, stemmen of
rekken betekenen.
2. Psychologische termen zijn theoriegeladen: Begrippen zoals attitude, rol, onbewuste
zijn niet neutraal.
3. Redenen ≠ verklaringen: Redenen zijn narratieven, geen wetenschappelijke oorzaken.
4. Radicaal materialisme: Zegt: redenen zijn overbodig, alleen neuronale processen
verklaren gedrag.
5. Probleem: Kunnen redenen oorzaken zijn? Of zijn ze onherleidbaar tot fysische
processen?
Wetenschappelijk probleem
• Psychologie wil objectieve verklaringen, maar:
o Gedrag is moeilijk operationeel te definiëren.
o Verklaringen zijn vaak vermengd met interpretaties.
o Redenen blijven belangrijk in ons dagelijks begrijpen, maar zijn niet altijd
wetenschappelijk.
1.3.2. Hermeneutisch begrijpen
Wat is hermeneutisch begrijpen?
• Kernidee: Menselijk gedrag is betekenisvol en moet worden begrepen in zijn culturele en
sociale context.
3
, Theoretische en historische grondslagen van de psychologie | Jill N.
• ‘Thick description’ (Geertz): Niet alleen beschrijven wat iemand doet, maar ook wat het
betekent binnen een cultuur.
Methodestrijd: Naturwissenschaften vs. Geisteswissenschaften
• Naturwissenschaften (natuurwetenschappen): verklaren via causale wetten
(nomothetisch: algemene wetten).
• Geisteswissenschaften (geesteswetenschappen): begrijpen via interpretatie
(ideografisch: unieke gevallen).
• Dilthey, Rickert, Windelband: pleitten voor een aparte methode voor humane
wetenschappen.
Verstehen als methode
• Begrijpen van intenties, betekenissen, context.
• Voorbeeld: Geschiedenis → niet alleen feiten, maar ook motieven van personen in hun
tijd.
• Hermeneutische cirkel: Begrip van details ↔ begrip van geheel (context ↔ specifieke
handeling).
Probleem en toepassing
Psychologie zit op de grens:
o Wetenschap wil objectieve verklaringen, maar psychotherapie (Rogeriaans,
psychoanalyse) gebruikt hermeneutische interpretatie.
o Gedragstherapie daarentegen blijft meer natuurwetenschappelijk.
1.3.3. Functionele en teleologische verklaringen
Wat is een functie?
• Een functie : Zegt wat iets doet, niet wat het is.
• Complexere functionele verklaring:
o Analyseer hoe een systeem werkt door de organisatie van componenten te
tonen.
o Functie draagt bij aan de capaciteit van het systeem.
• Voorbeelden:
o Cognitieve psychologie: werking van geheugen.
o Biologie: hart pompt bloed → draagt bij aan circulatie.
• Kenmerk: Niet gericht op algemene wetten, maar op bijdrage aan systeemwerking.
Teleologische verklaringen
• Kern: Verklaren door te verwijzen naar een doel of eindpunt.
• Problemen:
o Aristoteles: gebruikte teleologie voor natuurverschijnselen (bv. zwaartekracht,
eik → eikeboom).
o Circulair: doel wordt oorzaak.
o Past niet in causale fysische wereld (oorzaken komen vóór gevolgen).
• In biologie:
o Termen als design, doel, adaptieve functie (bv. oog om te zien).
o Evolutietheorie: verklaart functies zonder doelgerichtheid → via blinde,
mechanische processen.
4
• Gevaar = adaptationisme: alles zien als optimaal aangepast → overschatting van
natuurlijke selectie (veel kenmerken zijn bijproducten of toeval).