Hoofdstuk 1 Waarom sociaal-wetenschappelijk onderzoek?
The rotting Big Apple (criminaliteit in New York, jaren 90)
- Probleem: hoge criminaliteitscijfers, gebrek aan sociaal weefsel.
- Theorie: Broken Windows Theory → kleine tekenen van wanorde leiden tot meer
criminaliteit.
- Beleid: Giuliani → daling criminaliteit.
- Causaal verband?
Relatie tussen A en B.
A gaat vooraf aan B.
Relatie blijft bestaan na controle van andere factoren (C).
- Examensignaal: dit voorbeeld illustreert hoe moeilijk het is om causaliteit vast te
stellen in sociaal onderzoek.
Wat is wetenschap?
- Alledaagse kennis: gebaseerd op ervaring, traditie, intuïtie.
Regels om de kwaliteit te waarborgen en zo tot een geldige en
betrouwbare kennis te komen
- Wetenschappelijke kennis/aanpak:
o Systematisch (methodisch, herhaalbaar).
Opnieuw kunnen toepassen
Testen zodat het weldegelijk juist is
Empirische observatie
o Objectief (onbevooroordeeld! Al is volledige neutraliteit onmogelijk).
Relatief: mate van subjectiviteit aanwezig
o Toetsbaar en falsifieerbaar (moet kunnen worden weerlegd).
Verifieerbaar zijn in realiteit
(data verzamelen, interviews..)
Gedeeld + openbaar voor onjuistheid te controleren
, Theorie ook kunnen ontkrachten
Peer review
o Volgt een cyclus.
Gestructureerde vorm + Herhaalbaar
1. Onderwerp kiezen.
2. Onderzoeksvraag formuleren.
3. Onderzoeksplan opstellen.
4. Dataverzameling.
5. Data-analyse.
6. Interpretatie.
7. Rapporteren.
- Doel: gefundeerde kennis die geldig én betrouwbaar is.
- Geaccumuleerde kennis: opgebouwd in theorieën, gebaseerd op empirische
gegevens.
Alfa, beta- en gammawetenschappen
Natuur en betawetenschap
Natuurwetten
In strijd met elkaar
- Alfa (geesteswetenschappen):
menselijk handelen, cultuur, interpretatie.
- Beta (natuurwetenschappen):
natuurwetten, experimenten.
3de methodologie nodig om kritischer te zijn tegen fenomenen:
- Gamma (sociale wetenschappen):
menselijk handelen bestuderen in sociale context (sociologie, economie,
psychologie).
Kenmerk: gammawetenschappen modelleren zich methodologisch vaak op de
natuurwetenschappen, maar hun object (menselijk handelen) overlapt met
geesteswetenschappen.
,Methodenstrijd
W. Dilthey (1833–1911):
Sociale wetenschappen hebben eigen methodologische basis.
- Kan niet benaderd worden via experimentele methode of introspectie
Menselijke vrije wil kan niet in wetmatigheden gevangen worden.
E. Durkheim (1858–1917):
Sociale fenomenen volgen onderliggende wetmatigheden.
- verborgen regels ofz die het verloop van menselijk gedrag en maatschappelijke processen sturen.
- Voorbeelden van zulke wetmatigheden:
Onderwijsongelijkheid: kinderen van ouders met een lager opleidingsniveau scoren
gemiddeld lager → dit patroon herhaalt zich systematisch.
Criminaliteit: stijgt of daalt vaak samen met sociale factoren zoals werkloosheid, armoede of
sociale cohesie.
Sociale mobiliteit: de kans dat iemand hoger op de sociale ladder komt, hangt sterk samen
met de positie van de ouders.
M. Weber (1864–1924):
Tussenfiguur: combinatie van de twee
Sociale verschijnselen zijn deels bepaald door wetmatigheden, deels door
menselijke wil.
Examensignaal: deze drie denkers tonen de kern van de methodenstrijd → kunnen
sociale wetenschappen dezelfde methodes gebruiken als natuurwetenschappen, of
niet?
Hoofdstuk 2 Bouwstenen van sociaal-wetenschappelijk onderzoek
Wat is theorie?
Definities:
o Bailey (1987): theorie = verklaringen en voorspellingen, antwoord op
waarom en hoe.
o Brodbeck (1968): theorie = logisch samenhangend systeem van uitspraken
(axioma’s → theorema’s).
o In gewone taal: een verhaal dat uitlegt hoe en waarom verschijnselen
optreden.
3 Kenmerken van een theorie:
o Logisch geheel: relaties tussen concepten = bouwstenen.
o Voorbeeld: Broken Windows Theory (criminaliteit ↔ verloedering).
o Social Learning Theory (gedrag ↔ observatie).
Empirisch toetsbaar: theorie + realiteit op basis van data
o Verifieerbaar (observeerbare gevolgen).
o Weerlegbaar/falsifieerbaar (moet ontkracht kunnen worden).
Veralgemeenbaar: verklaringen voor terugkerende patronen, niet enkel één
situatie + opnieuw testbaar
, Types theorieën
1. Richting van theoretisering:
o Deductie (vertrekt v theorie → toepassen in werkelijkheid).
o Inductie (van observatie → theorie maken).
2. Niveau:
o Micro (individuen).
o Meso (groepen, organisaties).
o Macro (samenlevingen).
o ⚠️ Ecological fallacy: conclusies op groepsniveau niet zomaar toepassen op
individuen.
Vaak gebruikt in politiek als tactiek
3. Reikwijdte: gaat over hoe breed/smal een theorie toepasbaar is
Grand theory: breed, abstract, vaag (bv. structureel functionalisme/samenleving als
geheel werkt als een systeem met functies).
Formele theorie: smal, concreet, toetsbaar (bv. rational choice/mensen maken
keuzes door Kosten en baten af te wegen).
Middle-range theory (Merton): brug tussen abstracte theorie en empirische
waarneming.
Door meerdere middel range theorieën te combineren bouw je uiteindelijk
een groter theoretischer kader
Examensignaal: Merton benadrukt dat grand theories vaak te abstract zijn → middle-range
theorieën zijn bruikbaarder in onderzoek.