HOOFDSTUK 1:
Communicatiewetenschap is een relatief jonge wetenschap die, net als fysica,
theorieën, concepten, modellen en onderzoek gebruikt. Onderzoek kan
kwantitatief zijn, zoals inhoudsanalyse, surveys, experimenten en meta-analyses,
of kwalitatief, zoals diepte-interviews, focusgroepen en inhoudsanalyses. Social
learning theory stelt dat mensen leren door het gedrag van anderen te
observeren en dit te kopiëren als het beloond wordt. Heath & Bryant
onderscheiden vier invalshoeken (bouwstenen van communicatie): retoriek,
propaganda en media-effecten (sociologie en psychologie), informatietheorie
(elektronisch) en groepsdynamica. Retoriek (Aristoteles over publiek spreken)
benadrukt inhoud, taal, publiek, presentatie en drie middelen om te overtuigen:
ethos (persoonlijkheid/charisma van spreker), pathos (inspelen op emoties van
publiek) en logos (logica van argumentatie). Groepsdynamica benadrukt dat
leiderschap en sociale interactie belangrijk zijn (Lewin), en communicatie nodig is
om elkaar als mens te leren kennen (Maed).
Communicatie is de overdracht of uitwisseling van informatie. Overdracht richt
zich op de klemtoon van de zender en is eenrichtingsverkeer. Uitwisseling is het
gemeenschappelijk maken van ideeën, beide partners zijn gelijkwaardig, en is
dynamisch. Definities verschillen door achtergrond of studie.
De processchool ziet communicatie als transmissie van boodschappen: een
zender encodeert/maakt een boodschap, verstuurt deze via een kanaal en de
ontvanger decodeert/begrijpt deze. Het juiste kanaal is cruciaal voor begrip, want
misinterpretatie leidt tot onsuccesvolle communicatie. Communicatie is een
beïnvloedingsproces.
De betekeniscreatieschool ziet communicatie als uitwisseling van betekenissen:
boodschappen interageren met mensen om betekenissen tot stand te brengen.
Interpretatieverschillen zijn geen fouten maar gevolg van persoonlijke biografie
of kennis, en richt zich op communicatieve producten zoals krantenartikelen,
reclames of programma’s. Deze verschillen zijn deel van het proces. Teksten
maken en lezen worden beschouwd als parallelle processen.
Controverses rond communicatie draaien vaak om intentionaliteit en heeft 4
situaties. De teleologische opvatting gaat uit van intentie zowel bij de zender als
bij de ontvanger. De gedragsopvatting bestudeert interpersoonlijke
communicatie, waarbij intentie niet noodzakelijk is, en communicatie kan
plaatsvinden in alle vier de situaties. Een probleem hierbij is dat intentionaliteit
moeilijk vast te stellen is, en soms wordt bedoeld als onbedoeld vermomd.
Het passief-actief model van McQuail illustreert deze situaties: teleologische
opvatting is wanneer zender en ontvanger actief zijn bv. in een bakkerij. In
andere combinaties heb je een gedragsopvatting bv. meeluisteren op de trein,
niet opletten in de les of indrukken doen op straat. Intentionaliteit gaat over of de
communicatie bewust bedoeld is. Teleologische opvatting: communicatie met
bewuste bedoeling bij zender en ontvanger. Gedragsopvatting: ook onbedoelde
communicatie telt mee. Soms lijkt iets onbedoeld, maar is het stiekem wel
bedoeld. Bv. een politicus bestelt een “pintje” in plaats van dure wijn om volkser
over te komen.
VS
,Geslaagde communicatie volgens Fauconnier betekent dat een boodschap correct
overkomt en het gewenste effect heeft. Transmissie alleen is niet genoeg: de
boodschap wordt verstuurd maar dat betekent niet dat iemand hem ontvangt of
het komt bij de foute persoon terecht of het wordt verkeerd geïnterpreteerd of
verkeerd begrepen. Zelfs bij juiste interpretaties kan het effect verkeerd zijn. Pas
wanneer de boodschap juist aankomt, juist geïnterpreteerd wordt en het
gewenste effect heeft, is communicatie geslaagd.
Communicatie kan één- of tweerichtingsverkeer zijn. In processchool start een
nieuw proces bij reactie op communicatie, terwijl ik gedragscommunicatie is
interactie dynamisch waarbij zender en ontvanger op elkaar reageren. Feedback
kan een nieuw proces vormen. Nieuwe technologie doet deze communicatie
verschuiven. Observatieniveaus zijn intrapersoonlijk, interpersoonlijk, groeps-,
organisatie- en massacommunicatie, met technologische evoluties zoals ChatGPT
die grenzen vervagen.
Communicatieproces omvat bron/zender, die encodeert en zendt, en
ontvanger/bestemmeling, die decodeert en interpreteert. Bij een onderscheid
tussen zender en bron verwijst de bron naar de communicator en de zender naar
het medium. Evenzo verwijst de ontvanger naar het ontvangen van een
boodschap en bestemmeling naar wie ze ontvangt. Vroeger bij een vaste telefoon
was de zender de telefoon en de bron degene die belt, en de ontvanger de
telefoon en de bestemmeling degene die opneemt, maar tegenwoordig wordt de
persoon zelf zowel als zender als ontvanger gezien en ligt de nadruk op hoe de
ontvanger de boodschap verwerkt.
Een boodschap is wat de zender wil overbrengen naar de ontvanger. Een
boodschap bestaat uit tekens, die weer bestaan uit een signifiant (het woord of
teken dat gebruikt wordt) en een signifié (het idee of concept waar het naar
verwijst). Tekens kunnen verbaal of niet-verbaal zijn. Symbolen hebben een
afgesproken betekenis, zoals het woord “hond”, terwijl iconen fysiek lijken op wat
ze bedoelen, zoals een foto van een hond, en indices een aanwijzing geven door
een verband, zoals een donkere wolk die regen voorspelt. Signalen zijn de
dragers van tekens. Primaire signalen zijn natuurlijke signalen, zoals een
gezichtsexpressie bij face-to-face communicatie, terwijl secundaire signalen
technisch of mechanisch zijn zoals een brief of sms.
Het kanaal is de weg waardoor signalen van zender naar ontvanger gaan en
overbrugt tijd en ruimte. Het medium is het object of technisch middel dat de
boodschap draagt en omzet in signalen die via het kanaal kunnen reizen. Dit kan
een gesprek zijn, een brief, een telefoontje, of een online platform.
Media kunnen volgens Bordewijk en Van Kaam worden ingedeeld op basis van
controle over tijd en informatie: bij allocutie is tijd en informatie centraal
geregeld, zoals bij lineaire televisie; bij registratie is tijd centraal maar informatie
kies je zelf bv. enquêtes; bij consultatie kies je zelf tijd, maar informatie is
centraal beschikbaar bv. Wikipedia of Netflix; bij conversatie bepaal je alles zelf
bv. WhatsApp. Sociale media combineren al deze vormen op één platform.
HOOFDSTUK 2:
Communicatiemodellen zijn vereenvoudigde grafische of verbale weergaven van
het communicatieproces, die de belangrijkste elementen en hun relaties tonen.
VS
, Ze dienen om communicatie te organiseren, verklaren en voorspellen. Modellen
kunnen structureel zijn, gericht op het analyseren van de onderdelen, of
functioneel, gericht op de relaties en volgorde van processen.
Communicatieformule van Lasswell (1948)
o Ontstond vanuit zijn interesse in WOII-propaganda, zoals affiches die
het nationale leger verheerlijken en angst voor de tegenstander
creëren. Het model is structureel: het somt de elementen van
communicatie op zonder de onderlinge verbanden te beschrijven.
De formule luidt: wie (zender), zegt wat (boodschap), via welk
kanaal (medium), tegen wie (ontvanger) en met welk effect (effect).
Het hoort bij de processchool, waarin communicatie
eenrichtingsverkeer is met een doelgerichte zender, en valt op
massacommunicatieniveau, bijvoorbeeld propaganda via kranten,
pamfletten of radio.
Bv. verkiezingscampagnes of ‘blijf in uw kot’
Mathematisch model van Shannon & Weaver (1949)
o Een functioneel model dat ontstond toen de telefoon het
belangrijkste communicatiemiddel was. Ruis verwijst hier naar
mechanische of fysieke storingen, zoals een verbroken telefoonlijn.
Het model hoort bij de processchool, waarin communicatie
eenrichtingsverkeer is met een doelgerichte zender, en het valt op
het niveau van interpersoonlijke communicatie via de telefoon.
Bv. telefoneren maar de lijn kraakt
DeFleur (1970) – uitbreiding S&W
o Breidt het model uit door ruis niet alleen bij het kanaal te plaatsen,
maar op alle niveaus, zoals psychologische ruis bij de bron of fysieke
ruis bij het luisteren. In dit model wordt het kanaal expliciet en wordt
de betekenis door de bron omgezet in een boodschap en vervolgens
in informatie door de zender verzonden. Ook is er een relatie tussen
bron en bestemmeling. Het model is functioneel, behoort tot de
processchool en lijkt op tweerichtingsverkeer door feedback, en is
toepasbaar op zowel interpersoonlijke als massacommunicatie.
Bv. leerkracht geeft les maar leerling let niet op want is moe
(ruis)
Circulair model Osgood & Schramm (1954)
o Communicatie is een wisselwerking: gedachten worden omgezet in
tekens (encoderen) en via signalen overgedragen, waarna de
ontvanger deze tekens weer omzet in gedachten (decoderen). Het
model is functioneel en hoort bij de betekeniscreatieschool, waarbij
beide partijen op hetzelfde niveau samenwerken om betekenis te
creëren. Het richt zich op interpersoonlijke communicatie zonder
medium.
Bv. 2 vrienden praten over hun vakantie
Spiraal van Dance (1967)
o Communicatie is een dynamisch proces dat voortdurend groeit: elk
communicatiepunt bouwt voort op het vorige en de banden tussen
partijen worden groter naarmate ze meer over elkaar te weten
komen. Het model is functioneel en hoort bij de
betekeniscreatieschool, waarbij beide partijen op hetzelfde niveau
VS