Hfdst Essentieel om te vermelden:
1 Sociaaleconomische machtsverhoudingen hebben meebepaald hoe de
1830- Belgische grondwet werd opgesteld
1848 o Het cijnskiesrecht = als je minimumaantal belastingen betaalt
mag je stemmen “Het is je eigen fout dat je arm bent, geen
succes hebt in het leven, geen vrije tijd hebt waardoor je dus
niet geëigend bent om iets van politiek te begrijpen (vrije tijd =
nodig om krant/boeken te lezen,…)”
o Bescherming van het eigendomsrecht elites hadden belang
om eigendom juridisch sterk te beschermen omdat hun
eigendom (kapitaal, grond, fabrieken,…) hun machtsbasis was
Wordt mee in stand gehouden door coalitieverbod (=
werknemers mocht zich niet organiseren) en de
nachtwakersstaat (= staat bemoeide zich niet met sociale
bescherming)
Lagere burgerij kreeg geen politieke macht eigendom =
macht, heb je geen eigendom dan heb je geen macht of
toegang tot de politiek
We zitten in een overgangsperiode maar landbouw blijft erg belangrijk
(La Flandre, L’Irlande de La Belgique) MAAR in 1845-1847 is er
landbouwcrisis
o Oogsten mislukken wat zorgt voor hogere prijzen armoede
groeit maar lonen en pachtprijzen blijven hetzelfde
o Oplossing: om centje bij te verdienen doet men aan
huisnijverheid (= men maakt producten thuis)
o In diezelfde periode groeide de industrie en werd
fabrieksnijverheid de norm (= sneller en goedkoper veel
producten maken en verkopen) huisnijverheid stortte volledig
in wat zorgde voor werkloosheid en armoede in Vlaanderen
o Door huisnijverheidscrisis migreren velen naar de steden (er
was geen werk of inkomen meer op platteland dus zocht men
naar werk in fabrieken)
o Hoge pachtprijzen en hoge graanprijzen blijven gegarandeerd
macht van grootgrondbezitters blijft intact terwijl armoede bij
boeren groeit
De industrie groeit industrie is booming business in Wallonië
o Industrie moet worden gefinancierd: Société Générale + Banque
de Belgique (= libérale tegenhanger van SG)
o Industrie krijgt hulp wegen, spoorwegen, kanalen +
handelsverdragen (handelsvrijheid wordt beperkt door
verplichte neutraliteit)
Conservatieve tegenwerking van De Theux: hij vond dat
overheid niet te veel moest tussenkomen in de sociale of
economische zaken
o Sociale politiek is onbestaand
Overheid gaf voorrang aan economische groei, niet aan
sociale rechtvaardigheid
Arbeiders worden uitgebuit (lage lonen, lange dagen,
geen bescherming, gevaarlijke werkomstandigheden) +
1
, kinderarbeid
Zogezegde vrijheid van arbeid vrijheid voor patroons
om arbeiders uit te buiten
Arbeiders werden enkel gesteund door liefdadigheid (=
sociale hulp van Kerk of rijke burgers, niet van de staat)
Stakingen = verboden en worden onderdrukt
Coalitieverbod geldt nog steeds
Vroegsocialisme treedt op = reactie op de industriële revolutie en de
slechte omstandigheden voor de arbeiders
o Saint-Simon: samenleving moet worden bestuurd door
ingenieurs (volgeling in eigen gewaden it’s giving cult)
o Fourier: klaagt egoïstische gebruik/misbruik v/h eigendomsrecht
aan
o Baboeuf/babouvisme: streven naar totale gelijkheid door
privébezit af te schaffen en de goederen gemeenschappelijk
verdelen
Arbeiders zijn vaak niet politiek bewust geen tijd voor politiek, ze
moeten focussen op overleven DUS sluiten ze zich niet echt aan bij
deze ideeën
o De uitzondering is Jacob Kats: stimuleerde politiek actie onder
arbeiders over dagelijkse noden zoals lage lonen, slechte
werkomstandigheden etc.
Hij sprak in de volkstaal (het Nederlands) wat beter te
begrijpen was voor de Vlaamse arbeiders dan de
abstracte Franse ideeën van de andere vroegsocialisten
De liberale overwinning in 1847: Regering Frère-Orban en Rogier
o In 1848 was er in Frankrijk de Februarirevolutie (afschaffing
monarchie, invoering AES, afschaffing slavernij in Franse
kolonies) preventieve maatregelen werden door de liberale
regering genomen opdat dit in België niet zou gebeuren (daar
hadden ze immers schrik voor)
Daling van de kiescijns tot het grondwettelijk minimum in
de steden (lat ligt gelijk tussen katholieke platteland en de
meer liberale stedelijke hogere middenklasse) ook
afschaffing v/d kieswijkenwet
Afschaffing v/d zegelbelasting op kranten voorheen was
het duur om kranten uit te brengen (propaganda middel),
nu is pers werkelijk vrij, iedereen kan kranten uitgeven
Afschaffing v/h ambtenarenparlement:
ambtenaren/magistraten konden niet tegelijk ook
parlementslid zijn parlement werd afhankelijker van de
regering en de koning waardoor de regering en de koning
meer invloed kregen op wetten en de politiek
Extra om te vermelden:
Hoge verkiesbaarheidscijns voor de Senaat zorgt er natuurlijk voor dat
enkel hele rijke mensen in de Senaat konden zetelen
De industriëlen hadden niet meteen een probleem met Willem 1
aangezien Willem 1 de industrie wou stimuleren (overgang van
landbouwland naar jong industrieland was een succes onder Willem 1)
VOOR 1830: staatsbestel van Willem 1 = rijke grondbezitters en de
koning hadden politieke macht + landbouw lag aan de basis v/d
2
, welvaart
2 oppositiegroepen: middenklasse (liberale eisen zoals bij de Franse
Revolutie) + adel en clerus (wouden hun macht herstellen) beiden
willen macht v/d koning beperken
Revolutie wordt gerechtvaardigd door de term vrijheidslievende Belg
(= Belg is van nature altijd al vrijheidslievend geweest, er wordt dan
verwezen naar de Blijde Inkomst 1356 wat in zekere zin de voorloper
van de Belgische Grondwet is)
Ook denkt met voor de revolutie terug aan de Brabantse Omwenteling
(= opstand in 1789-1790 in de Oostenrijkse Nederlanden, tegen Jozef
II, een verlicht despoot progressieve maar autoritaire vorst ~Willem
1
1845: Karl Marx in Brussel verspreidt ideeën over
arbeidersopstanden, klassenstrijd, gelijkheid
Hfdst Industriële export bloeit (heeft te maken met wereld rondom)
2 o België is een klein land dat veel produceert
18148 Kolen, zink, glas, machines, wapens, textielindustrie (Gent
-1884 en Verviers)
o Periode van 1850-1860 = meer vrijhandel (= internationale
handel zonder belemmeringen zoals importheffingen, waardoor
goederen en diensten vrij kunnen worden verhandeld tss
landen) doordat Fr, GB en Dl meer verdragen sluiten die
markten openen
Veel maatschappelijke gevolgen van de industriële revolutie
o Industrieel kapitalisme (= economie waarin winst door
massaproductie van grote fabrieken centraal staat en daarbij
ingaat tegen belangen v/d arbeiders) breekt door en kent na
1850 zij hoogtepunt
o Naamloze vennootschappen worden geliberaliseerd (=
bedrijfsvorm waarin kapitaal wordt verdeeld in aandelen die vrij
verhandelbaar zijn, aandeelhouders zijn niet persoonlijk
aansprakelijk voor schulden v/h bedrijf ENKEL voor eigen
inbreng) makkelijker om NV’s op te richten en aandelen te
verhandelen: stimuleerde economische groei en privé-initiatief
Kapitaal begon zicht te concentreren in handen van kleine
elitegroepen creëerde financieel kapitaal (= systeem
waarin geld en financiële transacties centraal staan, in
plaats van fabrieken of productie. Banken, aandelen,
obligaties en investeringen worden gebruikt om meer
winst uit geld te halen)
Captains of industry (= nieuwe economische elites die
enorme winsten genereerden + maakte Belgische
econome groot)
John Cockerill = pionier in staal, ijzer en
machinebouw‚ ‘Vader van de Belgische zware
industrie’, bouwde in Seraing eerste grootschalige
staal- en machinebouwindustrie uit
Ernest Solvay = scheikundig industrieel, bekend
van Solvay-soda-fabrieken, introduceerde nieuwe
productiemethode en maakte België wereldleider in
soda-productie
3
, Édouard Empain = pionier v/h financieel
kapitalisme, industrieel en ingenieur actief in
elektriciteit, spoorwegen en stedelijke infrastructuur
Economisch liberalisme + liberaal interventionisme domineerden in
deze periode
o Economisch liberalisme
Overheid grijpt zo min mogelijk in
Vrije marktwerking levert beste resultaten op
Prijzen, lonen en productie worden bepaald door vraag en
aanbod NIET door overheid
o Liberaal interventionisme
Indirect ondersteunen v/d economie
Investeren in infrastructuur zoals spoorwegen, kanalen en
havens
Wetgeving voor NV’s aanpassen zodat privéondernemers
grotere bedrijven kunnen oprichten zo kan expansie
plaatsvinden
Economie groeit sneller MAAR winsten gaan naar
privépersonen
Aanleg van nieuwe spoorwegen vergemakkelijkt
transport voor steenkool, staal en textiel
Kanalen en havens vergemakkelijken import van
grondstoffen en export van producten (1863 wordt
Scheldetol afgeschaft)
Door nieuwe wetgeving rond NV’s konden
ondernemers hun privékapitaal vergroten
o Hiërarchie
Elites = katholieken (= oude elite met landbouw) en
liberalen (nieuwe elite met industrie) aanvaarden
vrijhandel + zien in dat bevordering van bedrijven de
basis is om rijk te blijven
Situatie hulpklasse (= middenklasse) verbetert
intellectuele beroepen, kleine zelfstandigen, etc.
Verstedelijking door plattelandsvlucht (door
huisnijverheidscrisis hfdst 1) mensen trokken naar
steden om werk te vinden in fabrieken en mijnen
Onderaan de ladder is het industrieel proletariaat (=
arbeiders)
Super slechte werkomstandigheden: lange
werkdagen, lage lonen, kinder- en vrouwenarbeid,
slechte hygiëne, etc.
! Overheid hield laissez-faire politiek vol = geen
interventie in lonen of prijzen
Werkgevers controleren werknemers via werkboekje (= boekje met
arbeidsverleden, werkplek, soms looninformatie opgesteld per
gemeente), coalitieverbod tot 1866 (= vakbonden waren illegaal),
bewijsregel (= wnnr er conflict is tss WG en WN, wordt WG op woord
geloofd en moet WN moet bewijs leveren) en rijkswacht/leger wordt
gebruikt om betogingen te beëindigen
Overheid mag economie helpen/ondersteunen maar NIET ingrijpen in
hoe bedrijven werken of regels opleggen
4