KIJKEN NAAR KINDEREN EN SCHOLEN
HOOFDSTUK 1; VISIES OP ONDERWIJS
1. Visie krachtige leeromgeving
Leeromgeving = de omgeving waar geleerd wordt en het geheel van context en
omstandigheden waarin onderwijsleeractiviteiten plaatsvinden. Het omvat de
fysieke ruimte, pedagogische en didactische benaderingen, en de sociale
dynamiek.
Fysiek, pedagogisch/didactisch, sociaal (leerkracht–leerling & leerlingen
onderling)
1.1. Definitie krachtige leeromgeving
Krachtige Leeromgeving (Algemeen) = een leeromgeving waarin gestreefd
wordt de lerenden geleidelijk aan steeds beter in staat te stellen het leren
zelfstandig vorm te geven (Raes, 2009).
Krachtige Leeromgeving (De Corte, 1998) = biedt enerzijds ruimte voor
zelfstandig exploreren in wisselwerking met medeleerlingen en anderzijds
systematische begeleiding rekening houdend met individuele mogelijkheden en
behoeften.
Kenmerken:
Ruimte voor zelfstandig exploreren
Samenwerking met medeleerlingen
Systematische begeleiding op maat
Uitdagend en realistisch
Afgestemd op behoeften en mogelijkheden van elke leerling
1.1.1. Actor leerling
Kernactor: De leerling/het kind. De dagelijkse leefwereld (inclusief multiculturele
en democratische samenleving) is de context.
Kerntaak van onderwijs: Kinderen kennis, vaardigheden en attitudes
meegeven om de wereld te begrijpen, er effectief in te handelen en er met een
open en positieve blik in te staan.
Competenties: Het samenspel van kennen, kunnen en zijn leidt tot de
ontwikkeling van competenties, die het kind in staat stellen om te gaan met de
uitdagingen van de dagelijkse werkelijkheid.
Minimumdoelen (Vlaamse overheid): Beschrijven wat kinderen in herkenbare
situaties zouden moeten kennen en kunnen (basiscompetenties). Door hieraan te
1
,werken, effent het onderwijs het pad voor de harmonische ontwikkeling van
kinderen.
Bijvoorbeeld: de weg naar de bibliotheek uitleggen, instructies van de
leerkracht begrijpen, wisselgeld controleren, spelregels maken, muziek
beluisteren, …
Leergebieden (Lager onderwijs): Wiskunde, Nederlands, wetenschap &
techniek, Frans, geschiedenis, aardrijkskunde, muzische vorming, lichamelijke
opvoeding, ICT en attitudes.
1.1.2. Actor leerkracht
Verantwoordelijkheid: Het scheppen van een krachtige leeromgeving waarin
leerling en leerkracht optimaal kunnen functioneren.
Complexiteit: Leraar-zijn is een complexe opdracht met een serieuze
verantwoordelijkheid, die gelijke tred moet houden met de snel evoluerende
samenleving. Ze beïnvloeden als het ware de maatschappij van morgen.
Profielen: Domeinspecifieke leerresultaten (DLR’s) / Opleidingsspecifieke
leerresultaten (OLR’s): Voor beginnende leerkrachten & Beroepsprofiel: Voor
ervaren leerkrachten.
1.1.3. Didactische pijlers
Leeromgeving is enkel een krachtige leeromgeving als ze aan deze zeven
didactische pijlers voldoet.
Betekenisvol: Leeractiviteiten vertrekken vanuit de leef- en belevingswereld van
de leerlingen. Leren voelt nuttig en functioneel.
(inter) Activiteit: De lerende wordt zo actief mogelijk aan het denken en aan
het werk gezet (individueel of samenwerkend).
Aanschouwelijk: Leerinhouden worden aangeboden met behulp van concreet
materiaal zoals met voorbeelden, visuele ondersteuning.
Leerlingeninitiatief: De lerende wordt aangezet tot het nemen van initiatief in
de leeractiviteiten.
Differentiatie: Leeractiviteiten worden, waar nodig, geïndividualiseerd en
aangepast op maat van het kind.
Positief en motiverend klasklimaat: De lerende leert in een klimaat dat
positief en motiverend is.
Herhaling en geleidelijkheid: Leeractiviteiten worden in een logische volgorde
aangeboden, sluiten aan bij de beginsituatie en worden voldoende herhaald.
2
,1.2. Aanpak, proces en effect:
Centrale opdeling: Deze driedeling, ontwikkeld door Ferre Laevers (grondlegger
van het ervaringsgericht onderwijs), is centraal in het model van de krachtige
leeromgeving.
Invalshoeken: Er zijn drie mogelijke invalshoeken om naar onderwijs te kijken
en zich over de kwaliteit ervan uit te spreken.
Aanpak: wat de leerkracht doet, hoe het
onderwijs wordt georganiseerd.
Proces: hoe leerlingen het leren beleven
(betrokkenheid, welbevinden…).
Effect: wat leerlingen uiteindelijk bereiken.
2. Visie van de directe instructie
Kernprincipe: Leerlingen leren het meest wanneer de leraar het leerproces
gestructureerd, doelgericht en expliciet begeleidt.
Rol van de leraar: Centraal als expert en gids (in tegenstelling tot
leerlinggestuurde benaderingen).
Kenmerken van effectief onderwijs (Rosenshine, Brophy & Good):
Duidelijke uitleg en modelleren: Lesstof in kleine stappen met
expliciete instructies.
Geleidelijke inoefening: Oefenen met begeleiding en regelmatige
controle op begrip.
Actieve verwerking: Gerichte vragen, verwoorden van antwoorden,
onmiddellijke feedback.
Herhaling en consolidatie: Regelmatige herhaling voor verankering in
het lange termijngeheugen.
Expliciete aandacht voor succeservaringen: Alle leerlingen krijgen de
kans de basis onder de knie te krijgen (versterkt motivatie en
zelfvertrouwen).
Succes: Bijzonder succesvol voor cognitieve leerresultaten, vooral voor
leerlingen die extra structuur nodig hebben.
Kwaliteitscriterium: De mate van beheersing van de leerdoelen (duurzaam
verwerven van kennis en vaardigheden). Accent ligt op effectiviteit, duidelijkheid
en resultaatgerichtheid.
Aansluiting: Sluit nauw aan bij het kennisgerichte onderwijsparadigma. Leren is
effectief wanneer de leerkracht de leerlingen strak begeleidt, uitlegt en opbouwt.
3
, Verdere uitwerking: Expliciete Directe Instructie (EDI) van Hollingsworth en
Ybarra (2009) is een uitgewerkt model voor het effectief opbouwen en geven van
lessen.
Visie op goed onderwijs binnen deze aanpak: kennis en vaardigheden
worden systematisch, expliciet en doelgericht aangeboden.
Focus: effectiviteit – duidelijkheid – resultaatgerichtheid.
3. Ervaringsgerichte visie op onderwijs
Grondlegger: Ferre Laevers.
Kernovertuiging: Kinderen komen pas écht tot leren en ontwikkeling wanneer
hun ervaringen centraal staan.
Motor voor leren: Goed voelen (welbevinden) én diepgaand betrokken raken
zijn de motor voor duurzaam leren en brede ontwikkeling.
Doel van goed onderwijs: Leerlingen niet alleen kennis laten verwerven, maar
hen ook laten groeien op sociaal, emotioneel en creatief vlak.
Accent: Ligt op het scheppen van een krachtige leeromgeving die aansluit bij de
leefwereld van de leerling met ruimte voor exploratie, initiatief en betekenisvolle
betrokkenheid (in plaats van efficiënte kennisoverdracht).
Kernprincipes:
Aansluiten bij de leefwereld: Vertrekken vanuit interesses, ervaringen
en vragen.
Rijke leeromgeving creëren: Gevarieerde materialen, activiteiten en
werkvormen die uitnodigen tot exploratie.
Ruimte voor keuze en initiatief: Leerlingen krijgen autonomie en
eigenaarschap.
Observeren en inspelen: De leraar volgt welbevinden en betrokkenheid
op en past de leeromgeving daarop aan.
Rol van de leraar: Verandert van kennisoverdrager naar begeleider en coach
(schept voorwaarden voor optimale ontwikkeling).
Kwaliteitscriterium: Niet primair via cognitieve resultaten, maar wel volgens
de mate waarin ze welbevinden en betrokkenheid ervaren. Het is procesgericht,
wat betekent dat de kwaliteit afhangt van wat er in de leerling gebeurt tijdens
het leren.
4
HOOFDSTUK 1; VISIES OP ONDERWIJS
1. Visie krachtige leeromgeving
Leeromgeving = de omgeving waar geleerd wordt en het geheel van context en
omstandigheden waarin onderwijsleeractiviteiten plaatsvinden. Het omvat de
fysieke ruimte, pedagogische en didactische benaderingen, en de sociale
dynamiek.
Fysiek, pedagogisch/didactisch, sociaal (leerkracht–leerling & leerlingen
onderling)
1.1. Definitie krachtige leeromgeving
Krachtige Leeromgeving (Algemeen) = een leeromgeving waarin gestreefd
wordt de lerenden geleidelijk aan steeds beter in staat te stellen het leren
zelfstandig vorm te geven (Raes, 2009).
Krachtige Leeromgeving (De Corte, 1998) = biedt enerzijds ruimte voor
zelfstandig exploreren in wisselwerking met medeleerlingen en anderzijds
systematische begeleiding rekening houdend met individuele mogelijkheden en
behoeften.
Kenmerken:
Ruimte voor zelfstandig exploreren
Samenwerking met medeleerlingen
Systematische begeleiding op maat
Uitdagend en realistisch
Afgestemd op behoeften en mogelijkheden van elke leerling
1.1.1. Actor leerling
Kernactor: De leerling/het kind. De dagelijkse leefwereld (inclusief multiculturele
en democratische samenleving) is de context.
Kerntaak van onderwijs: Kinderen kennis, vaardigheden en attitudes
meegeven om de wereld te begrijpen, er effectief in te handelen en er met een
open en positieve blik in te staan.
Competenties: Het samenspel van kennen, kunnen en zijn leidt tot de
ontwikkeling van competenties, die het kind in staat stellen om te gaan met de
uitdagingen van de dagelijkse werkelijkheid.
Minimumdoelen (Vlaamse overheid): Beschrijven wat kinderen in herkenbare
situaties zouden moeten kennen en kunnen (basiscompetenties). Door hieraan te
1
,werken, effent het onderwijs het pad voor de harmonische ontwikkeling van
kinderen.
Bijvoorbeeld: de weg naar de bibliotheek uitleggen, instructies van de
leerkracht begrijpen, wisselgeld controleren, spelregels maken, muziek
beluisteren, …
Leergebieden (Lager onderwijs): Wiskunde, Nederlands, wetenschap &
techniek, Frans, geschiedenis, aardrijkskunde, muzische vorming, lichamelijke
opvoeding, ICT en attitudes.
1.1.2. Actor leerkracht
Verantwoordelijkheid: Het scheppen van een krachtige leeromgeving waarin
leerling en leerkracht optimaal kunnen functioneren.
Complexiteit: Leraar-zijn is een complexe opdracht met een serieuze
verantwoordelijkheid, die gelijke tred moet houden met de snel evoluerende
samenleving. Ze beïnvloeden als het ware de maatschappij van morgen.
Profielen: Domeinspecifieke leerresultaten (DLR’s) / Opleidingsspecifieke
leerresultaten (OLR’s): Voor beginnende leerkrachten & Beroepsprofiel: Voor
ervaren leerkrachten.
1.1.3. Didactische pijlers
Leeromgeving is enkel een krachtige leeromgeving als ze aan deze zeven
didactische pijlers voldoet.
Betekenisvol: Leeractiviteiten vertrekken vanuit de leef- en belevingswereld van
de leerlingen. Leren voelt nuttig en functioneel.
(inter) Activiteit: De lerende wordt zo actief mogelijk aan het denken en aan
het werk gezet (individueel of samenwerkend).
Aanschouwelijk: Leerinhouden worden aangeboden met behulp van concreet
materiaal zoals met voorbeelden, visuele ondersteuning.
Leerlingeninitiatief: De lerende wordt aangezet tot het nemen van initiatief in
de leeractiviteiten.
Differentiatie: Leeractiviteiten worden, waar nodig, geïndividualiseerd en
aangepast op maat van het kind.
Positief en motiverend klasklimaat: De lerende leert in een klimaat dat
positief en motiverend is.
Herhaling en geleidelijkheid: Leeractiviteiten worden in een logische volgorde
aangeboden, sluiten aan bij de beginsituatie en worden voldoende herhaald.
2
,1.2. Aanpak, proces en effect:
Centrale opdeling: Deze driedeling, ontwikkeld door Ferre Laevers (grondlegger
van het ervaringsgericht onderwijs), is centraal in het model van de krachtige
leeromgeving.
Invalshoeken: Er zijn drie mogelijke invalshoeken om naar onderwijs te kijken
en zich over de kwaliteit ervan uit te spreken.
Aanpak: wat de leerkracht doet, hoe het
onderwijs wordt georganiseerd.
Proces: hoe leerlingen het leren beleven
(betrokkenheid, welbevinden…).
Effect: wat leerlingen uiteindelijk bereiken.
2. Visie van de directe instructie
Kernprincipe: Leerlingen leren het meest wanneer de leraar het leerproces
gestructureerd, doelgericht en expliciet begeleidt.
Rol van de leraar: Centraal als expert en gids (in tegenstelling tot
leerlinggestuurde benaderingen).
Kenmerken van effectief onderwijs (Rosenshine, Brophy & Good):
Duidelijke uitleg en modelleren: Lesstof in kleine stappen met
expliciete instructies.
Geleidelijke inoefening: Oefenen met begeleiding en regelmatige
controle op begrip.
Actieve verwerking: Gerichte vragen, verwoorden van antwoorden,
onmiddellijke feedback.
Herhaling en consolidatie: Regelmatige herhaling voor verankering in
het lange termijngeheugen.
Expliciete aandacht voor succeservaringen: Alle leerlingen krijgen de
kans de basis onder de knie te krijgen (versterkt motivatie en
zelfvertrouwen).
Succes: Bijzonder succesvol voor cognitieve leerresultaten, vooral voor
leerlingen die extra structuur nodig hebben.
Kwaliteitscriterium: De mate van beheersing van de leerdoelen (duurzaam
verwerven van kennis en vaardigheden). Accent ligt op effectiviteit, duidelijkheid
en resultaatgerichtheid.
Aansluiting: Sluit nauw aan bij het kennisgerichte onderwijsparadigma. Leren is
effectief wanneer de leerkracht de leerlingen strak begeleidt, uitlegt en opbouwt.
3
, Verdere uitwerking: Expliciete Directe Instructie (EDI) van Hollingsworth en
Ybarra (2009) is een uitgewerkt model voor het effectief opbouwen en geven van
lessen.
Visie op goed onderwijs binnen deze aanpak: kennis en vaardigheden
worden systematisch, expliciet en doelgericht aangeboden.
Focus: effectiviteit – duidelijkheid – resultaatgerichtheid.
3. Ervaringsgerichte visie op onderwijs
Grondlegger: Ferre Laevers.
Kernovertuiging: Kinderen komen pas écht tot leren en ontwikkeling wanneer
hun ervaringen centraal staan.
Motor voor leren: Goed voelen (welbevinden) én diepgaand betrokken raken
zijn de motor voor duurzaam leren en brede ontwikkeling.
Doel van goed onderwijs: Leerlingen niet alleen kennis laten verwerven, maar
hen ook laten groeien op sociaal, emotioneel en creatief vlak.
Accent: Ligt op het scheppen van een krachtige leeromgeving die aansluit bij de
leefwereld van de leerling met ruimte voor exploratie, initiatief en betekenisvolle
betrokkenheid (in plaats van efficiënte kennisoverdracht).
Kernprincipes:
Aansluiten bij de leefwereld: Vertrekken vanuit interesses, ervaringen
en vragen.
Rijke leeromgeving creëren: Gevarieerde materialen, activiteiten en
werkvormen die uitnodigen tot exploratie.
Ruimte voor keuze en initiatief: Leerlingen krijgen autonomie en
eigenaarschap.
Observeren en inspelen: De leraar volgt welbevinden en betrokkenheid
op en past de leeromgeving daarop aan.
Rol van de leraar: Verandert van kennisoverdrager naar begeleider en coach
(schept voorwaarden voor optimale ontwikkeling).
Kwaliteitscriterium: Niet primair via cognitieve resultaten, maar wel volgens
de mate waarin ze welbevinden en betrokkenheid ervaren. Het is procesgericht,
wat betekent dat de kwaliteit afhangt van wat er in de leerling gebeurt tijdens
het leren.
4