H1: Inleiding (HB H1) 6
1.1 Aangeboren taalvermogen en taalaanbod (HB p. 16) 6
1.2 Componenten van de taalontwikkeling (HB p. 18) 6
1.3 Fasen van de taalontwikkeling (HB p. 21) 7
1.4 Mijlpalen van de normale taalontwikkeling 8
1.5 Verloop van de taalontwikkeling 8
1.6 Binnen ICF 9
1.7 Fasen in het logopedisch proces 9
H2: Spraak- en taalontwikkelingsproblemen (HB H2) 10
2.1 Secundaire spraak- en taalontwikkelingsproblemen (HB p.27-34) 10
2.2 Primaire spraak- en taalontwikkelingsproblemen (HB p.34) 11
2.2.1 Vertraagde spraak- en taalontwikkeling (VSTO) (HB p.35) 12
2.2.2 Spraak- en taalontwikkelingsstoornis (STOS) (HB p.36, p.42) 12
2.2.3 Ontwikkelingsdysfasie (OD) (HB p.38) 13
2.2.3.1 Protocol Diagnostiek Ontwikkelingsdysfasie (PDOD) (HB p.46) 14
2.2.3.2 RIZIV 18
2.2.3.3 Taalprofielen (HB p.57) 18
2.2.3.4 Co-morbide ontwikkelingsproblemen (HB H4) 19
2.2.3.5 Oorzaak (HB H5) 20
2.2.3.6 Diagnose (HB p.83-84) 21
2.2.3.7 Begeleiding bij OD 21
1. RIZIV 21
2. M-decreet – criteria voor ondersteuningsnetwerk/taalklas 23
H3: Multidisciplinaire diagnostiek (HB H6) 24
3.1 Intake en anamnese (HB p. 84) 24
3.1.1 Intake- en ananmesegesprek 24
3.1.2 Vragenlijst MUCLA, zinvolheid - oudervragenlijst -> logische zaken: 25
3.1.3 Observatielijst kleuters: zinvolheid 25
3.1.4 Belang intake en anamnesegesprek 25
3.1.5 The language-screening instrument (SNEL, Luinge, 2005) 26
3.2 Multidisciplinaire diagnostiek (HB H6) 27
3.2.1 Medisch onderzoek en gehooronderzoek (HB p.85) 27
3.2.2 (Psycho)motorische onderzoek (HB p.86) 28
3.2.3 Sociaal-emotioneel onderzoek (HB p.86) 28
3.2.4 (Ortho)pedagogisch/psychologisch onderzoek 30
3.2.4.1 Cognitieve ontwikkeling 31
3.2.4.2 Nieuwe trend in beoordeling cognitieve functies: CHC-model (cognitieve
profielen) 32
3.2.4.3 Specifieke intelligentietests 33
1. Bayley Scales of Infant Development-III-NL (0 - 3;6) 34
2. SON-R 2–8: Snijders-Oomen Niet-Verbale intelligentietest-Revised (2017) 34
3. SON-R 6 – 40 (2011) 34
4. WNV-NL: Wechsler Non Verbal - NL (2008) 35
5. WPPSI-III-NL: Wechsler Preschool and Primary Scale of Intelligence (2009) 35
1
, 6. WISC-V-NL: Wechsler Intelligence Scale for Children-V, 2018) 35
3.2.4.4 Aandacht, concentratie en executieve functies 36
H4: Diagnostiek taalontwikkelingsproblemen (logopedist) 37
4.1 Schlichting Test voor Taalbegrip (STTB) 38
4.1.1 Sectie A en B 38
4.1.2 Sectie C 38
4.1.3 Sectie D en E 38
4.1.4 Sectie F en G 39
4.2 Schlichting Test voor Taalproductie (STTP-II) 39
4.2.1 Test voor Woordontwikkeling 39
4.2.2 Zinsontwikkeling 39
4.2.3 Pseudowoorden 40
4.2.4 Auditief Geheugen 40
4.2.5 Verhaaltest 40
4.3 Reynell Taalontwikkelingsschalen (RTOS) 40
4.3.1 Achtergrond RTOS 40
4.3.2 Taalbegripsschaal 41
4.3.3 Taalproductieschaal 41
4.4 CELF Preschool-2-NL 42
4.4.1 Actieve Woordenschat (AW) 43
4.4.2 Zinnen Begrijpen 43
4.4.3 Woordstructuur 43
4.4.4 Begrippen en Aanwijzingen Volgen (BAV) 43
4.4.5 Zinnen Herhalen (ZH) 44
4.4.6 Zinnen Herhalen in Context (ZHC) 44
4.4.7 Elementaire concepten 44
4.4.8 Woordcategorieën (WC-R, WC-E, WC-T) 45
4.4.9 Fonologisch Bewustzijn 45
4.4.10 Optionele vragenlijsten 45
4.4.11 Interpretatie 45
4.5 CELF-5NL 47
4.5.1 Handleiding 47
4.5.2 Observatieschaal 47
4.5.3 Subtests 47
4.5.3.1 Zinnen herhalen 47
4.5.3.2 Zinnen formuleren 47
4.5.3.3 Zinnen begrijpen 48
4.5.3.4 Woordstructuur 48
4.5.3.5 Semantische relaties 48
4.5.3.6 Woordcategorieën 48
4.5.3.7 Tekstbegrip 49
4.5.3.8 Aanwijzingen volgen 49
4.5.3.9 Linguïstische concepten 49
4.5.3.10 Definities van woorden 49
2
, 4.5.3.11 Zinnen samenstellen 49
4.5.3.12 Pragmatiekprofiel 50
4.5.3.13 Checklist pragmatiek in activiteiten 50
4.5.4 Analyse van de opgaven per subtest 50
4.6 Test die specifieke taalcomponenten meten 50
4.6.1 Renfrew Taalschalen Nederlands Aanpassing (RTNA) 50
4.6.1.1 Woordvinding Woordenschat Test (WWT) 50
4.6.1.2 Actie Platen Test 51
4.6.1.3 Bus Verhaal Test 52
4.6.1.4 Meerwaarde van de RTNA 52
4.6.2 Peabody Picture Vocabulary Test III-NL 52
4.6.3 Nijmeegse pragmatiektest (NPT, 2005) 53
4.6.3.1 Communicatieve functies (CF) 53
4.6.3.2 Conversatievaardigheden 53
4.6.3.3 Verhaalopbouw 54
4.6.4 Serieel benoemen en woorden lezen (SB & WL) 54
4.7 Diagnose van taalontwikkelingsproblemen bij anderstaligen 54
4.7.1 Meertaligheid 54
4.7.2 Taaltoets Alle Kinden (TAK) 55
4.7.2.1 Passieve woordenschat 56
4.7.2.2 Woordomschrijving 56
4.7.2.3 Woordvorming 56
4.7.2.4 Zinsbegrip (functiewoorden) 56
4.7.2.5 Zinsbegrip II (zinspatronen) 56
4.7.2.6 Tekstbegrip 56
4.7.2.7 Verteltaak 56
4.7.2.8 Voor- en nadelen van de TAK 57
4.8 Screeningsinstrument 57
4.8.1 Definities 57
4.8.2 N-CDIs: Lijsten voor Communicatieve Ontwikkeling (Zink & Lejaegere) 57
4.8.3 ALDEQ-NL 58
4.9 Nederlandstalige Non-Speech Test Revised (NNST-R) 59
4.9.1 Kenmerken van de NNST 59
4.9.2 Receptief/preverbaal 59
4.9.3 Receptief/verbaal 59
4.9.4 Expressief/preverbaal 60
4.9.5 Expressief/verbaal 60
4.9.6 Vrijheid bij afname 61
4.9.7 Afname 62
4.9.8 Normering NNST-R 62
4.9.9 Instap- en afbreekregel 62
4.9.10 Afnameprocedure + score-instructies 63
4.9.10.1 Reageert op een visuele stimulus (Rec Schaal, item 3) 63
4.9.10.2 Identificeert 3 lichaamsdelen (Rec Schaal, item 39) 63
3
, 4.9.10.3 Vocaliseert klinkergeluid (Expr Schaal, item 1) 63
4.9.10.4 Beantwoordt 1 vraag m.b.v. een signaal (Expr Schaal, item 18) 63
4.9.11 Materiaal 64
4.9.12 Voorbereiding afname NNST 64
4.9.13 Tips bij afname NNST-R 64
4.9.14 Besluit 64
4.10 Spontane taalanalyse 65
4.10.1 Algemeen 65
4.10.2 TARSP 65
4.10.3 STAP 65
H5: Begeleidingsvormen en -principes bij STOS/OD 66
5.1 Taaltherapie 66
5.2 Begeleidingsvormen 66
5.2.1 Overzicht 66
5.2.2 Kind nog jong / niet therapie rijp? 67
5.2.3 Ondersteuning op school of taalklas type 7 67
5.3 Algemene begeleidingsprincipes 68
5.3.1 Samenwerking bij begeleiding 68
5.3.2 Welbevinden 68
5.3.3 Taalaanbod 69
5.3.4 Communicatie 69
5.3.5 Visualiseren 69
5.3.5.1 Ondersteunende communicatie i.f.v. taalbegrip 69
5.3.5.2 Ondersteunende communicatie i.f.v. taalproductie 70
H6: Therapie 70
6.1 Indirecte therapie (HB p.98) 70
6.1.1 Doelgroep 70
6.1.2 Waarom? (HB p.99) 71
6.1.3 Wanneer? 72
6.1.4 Welke concrete vormen? (HB p. 100) 72
6.1.4.1 Taalstimulering 72
1. Algemene adviezen 72
2. TOLK-programma (taalachterstand <-> taalstoornis) 72
6.1.4.2 Thuisbegeleiding / vroegbegeleiding 73
1. Voorbeelden thuisbegeleiding 73
2. Inhoud thuisbegeleiding 73
6.1.4.3 Voordrachten voor ouders / oudergespreksgroepen 74
6.1.4.4 Oudertrainingprogramma’s 74
1. Taal 74
2. Sociaal-communicatieve vaardigheden + taal 76
6.2 Directe therapie 76
6.2.1 Behandelplan en doelstellingen 76
6.2.2 Algemene methodieken bij taaltherapie 77
6.2.2.1 Reduceren en selecteren 77
4
, 6.2.2.2 Oefenen 78
6.2.2.3 Expliciteren 78
6.2.2.4 Compenseren 78
6.2.2.5 Zelfstandigheid 79
6.2.3 Taaltherapie volgens specifieke taaldomeinen (HB p 106-153) 79
6.2.3.1 Concrete oefeningen 79
6.2.3.2 Materialen 83
6.2.4 Concrete technieken bij taaltherapie 83
6.2.4.1 Bevestigen (wachten, imitatie, benoemen, recasting, interpreting) 83
6.2.4.2 Uitlokken 84
6.2.4.3 Verbeteren 84
6.2.4.4 Inoefenen 84
6.2.4.5 Visualiseren 85
6.2.4.6 Transfer 85
H7: Klasondersteuning 85
7.1 Tips in de klas (HB p. 211) 86
7.1.1 Veilig onderwijsklimaat (HB p.211) 86
7.1.2 Innerlijke taal (HB p.212) 86
7.1.3 Technisch lezen (HB p.213) 87
7.1.4 Begrijpend lezen (HB p.215) 87
7.1.5 Spelling (HB p.160) 88
7.1.6 Rekenen (HB p.216) 88
7.2 Zorgbeleid op school: het zorgcontinuüm 89
7.2.1 M-decreet - leersteundecreet (HB p.171) 89
7.2.2 Zorgcontinuüm 90
7.2.3 UDL 90
7.3 Leersteun uit leersteuncentrum 91
7.3.1 Leerlingsondersteuning 92
7.3.2 Leerkrachtondersteuning 92
7.3.3 Klasondersteuning 92
7.3.4 Schoolondersteuning 92
7.4 Buitengewoon onderwijs 92
7.4.1 Algemeen 92
7.4.1.1 Toelatingsvoorwaarden 92
7.4.1.2 Principes 93
7.4.1.3 Structuur: lager onderwijs 93
7.4.1.4 Structuur: secundair onderwijs 93
7.4.2 Type 7-STOS: taalklas 93
7.4.2.1 Criteria 93
7.4.2.2 Inhoud 94
5
, Zorgtraject Taalontwikkeling
H1: Inleiding (HB H1)
1.1 Aangeboren taalvermogen en taalaanbod (HB p. 16)
● Aangeboren taalvermogen moet aangevuld worden met een aangepast taalaanbod om
adequaat taal te ontwikkelen
● Aangeboren sensori-motorische, cognitieve en sociaal- emotionele vermogens
○ Tot ontwikkeling te komen -> kind moet ook in deze gebieden voldoende
gestimuleerd worden
1.2 Componenten van de taalontwikkeling (HB p. 18)
● Taalbegrip en taalproductie bestaan uit verschillende componenten:
○ Taalvorm: fonologie (klankleer), morfologie (woordvorming) en syntaxis (zinsbouw)
○ Taalinhoud: lexicon (woordenschat) en semantiek (betekenisleer)
○ Taalgebruik: pragmatiek (communicatie)
● Metalinguïstisch bewustzijn komt voor bij elke component: fonologisch, morfologisch,
syntactisch, lexicaal, semantisch en pragmatisch bewustzijn
○ Vanaf 4 jaar
○ Hangt nauw samen met de cognitieve ontwikkeling
○ Ontwikkelt sneller bij kinderen die een twee- of meertalige opvoeding krijgen
● Taalproductie en taalbegrip: voortdurende wisselwerking
○ Taalbegrip > taalproductie
6
,1.3 Fasen van de taalontwikkeling (HB p. 21)
● Stippellijnen = taalbegrip
● Volle lijnen = taalproductie
● Voortalige fase: 0 - 12 maanden
○ Experimenten met klanken
○ 6 weken: vocaliseren
○ 7 maanden: medeklinkers -> brabbelen
○ 8 maanden: eenvoudige woorden en zinnen begrijpen
● Vroegtalige fase: 12 - 30 maanden
○ Gemiddeld 50 woorden
○ Telegramstijl zinnen
○ Praten over concrete zaken in het hier en nu
○ In vertrouwde omgeving -> korte gesprekjes voeren
● Differentiatiefase: 2;06 - 5;00 jaar ~ kleuterschool periode: hier wordt heel veel bijgeleerd;
kind zal dan heel sterk vooruitgaan op veel vlakken
○ Woordenschat:
■ 3 jaar: 2500 woorden begrijpen en 1000 woorden produceren
■ 5 jaar: 5000 woorden begrijpen en 3000 woorden produceren
○ Nieuwe woordsoorten: persoonlijke vnw, vragende vnw en lidwoorden
○ Syntaxis op 5 jaar:
■ Negatieve zinnen, mededelende zinnen en vraagzinnen
■ Enkelvoudige en samengestelde zinnen met nevenschikking
○ Fonologie: correcte uitspraak van de meeste klanken en klankverbindingen
○ Morfologie: correcte verbuigingen van regelmatige zelfstandige naamwoorden en
regelmatig bijvoeglijke naamwoorden + correcte vervoeging van de regelmatige
werkwoorden
○ Pragmatiek op 5 jaar:
■ Communicatieve intenties -> onderhandelen of dreigen
■ Gesprekken voeren
■ Praten over iets buiten het hier en nu
○ Metalinguïstisch bewustzijn
● Voltooiingsfase: vanaf 5;00
○ Fonologie: alle klanken en nagenoeg alle klankverbindingen correct uitspreken
○ Morfologie: onregelmatige verbuigingen en vervoegingen lopen meestal vlot
○ Syntaxis: lange zinnen en moeilijke zinsconstructies (voltooid op 12 jaar)
○ Lexicon:
7
, ■ Woordenschatbegrip neemt met 3000 woorden per jaar toe
■ Woordenschatproductie neemt met 1000 woorden per jaar toe
■ In het secundair en hoger onderwijs nog veel nieuwe woorden en begrippen
-> woordenschat breidt een leven lang verder uit
○ Pragmatiek: steeds beter verhalen vertellen, gesprekken voeren, onderhandelen,
nuanceren, moppen vertellen, figuurlijk taalgebruik hanteren, …
1.4 Mijlpalen van de normale taalontwikkeling
● Grote interindividuele verschillen in de taalontwikkeling van kinderen
○ Eerst observeren
○ Screening = kort kijken of er iets aan de hand is -> min. spreeknormen vastgelegd
○ Bevraagd worden door vb. huisarts
● Er zijn verschillende belangrijke mijlpalen:
○ Mijlpaal rond 12m: begrip van 50-tal woorden
○ Mijlpaal rond 9 à 10 m: gevarieerd brabbelen met veel intonatie
■ Zeer belangrijk -> voorbereiding op spreken
■ Niet of minder aanwezig bij kinderen met gehoorstoornis, met ASS of met
ontwikkelingsdysfasie
○ Mijlpaal op 18-21 m: twee-woord zinnen; productie van gemiddeld 50-tal woorden
● Bij tweetalige kinderen of meertalige kinderen zijn de interindividuele verschillen nog groter
● DUS: rekening houden met aanbod, milieu, aantal aangeboden talen…
● Oudervragenlijst aanvullend gebruiken
○ Met screening: nagaan of er een probleem is en of een doorverwijzing voor verdere
diagnostiek nodig is
○ Kijken of kind binnen de normale grens valt
○ Vermoeden dat er iets aan de hand is -> diagnostiek
○ Indien er een probleem is dan kijken we welk zorgtraject gebruiken (vb.
ondersteuning ouders, leerkracht, directe therapie…)
1.5 Verloop van de taalontwikkeling
● Met variatie op normale: dunnere lijn boven en onder de dikkere blauwe lijn
● In de voltooiingsfase: veel woordenschat en semantiek, maar is de ontwikkeling op andere
taaldomeinen trager -> curve vlakt een beetje af rond 5 à 6 jaar
● Groen: normale of typische taalontwikkeling
● Donkerblauw: een taalprobleem met inhaalbeweging
○ Kloof met de leeftijdsgenoten wordt dus steeds kleiner, tot het gemiddelde van de
normale taalontwikkeling wordt bereikt
○ Een jaartje logopedie zou dit probleem kunnen oplossen
● Geel: constante kloof -> grote achterstand en achterstand blijft
8
, ○ Kan zijn dat kind therapie krijgt maar de achterstand blijft
○ Mogelijks mentaal minder mogelijkheden en als cognitieve ontwikkeling achterblijft
gaat taalontwikkeling ook achterblijven
● Rood: kloof met de leeftijdsgenoten neemt toe
○ Kan te wijten zijn aan een verstandelijke beperking
○ Soms regressie zichtbaar vb. bij hersentumor of ASS met verstandelijke beperking
○ Tov zichzelf gaat het kind meestal nog vooruit (vb. wel langere zinnen vormen en
grotere woordenschat) maar veel trager dan andere kinderen
○ Werken met standaardscores: kijken naar gemiddelde van bepaalde leeftijd en
daarop afstemmen
1.6 Binnen ICF
● Bij diagnostiek en behandeling niet enkel kijken naar testresultaten of objectieve gegevens
● Maar naar het kind in het geheel
● ICF = International Classification of Functioning, Disability and Health, ICF
● Ontworpen door WHO = World Health Organization in 2002
1.7 Fasen in het logopedisch proces
● Uitgebreide diagnostiek = belangrijk -> voldoende info verzamelen voor een gepaste
individuele behandeling
○ Kloof bekijken door naar percentielen te kijken
○ Evolutie van kind zelf bekijken adhv ruwe score
○ Soms nodig om het kind op te volgen, soms ook gewoon overlaten aan de school
● Voor het eerst getest wordt -> aanvangsbilan op = basislijnmeting
● Nadat het kind een bepaald aantal therapiesessies doorlopen heeft -> herevaluatie
○ Resultaten worden vergeleken met de basislijnmeting
○ Wordt gerapporteerd in een evolutiebilan
○ Afh van de resultaten -> stoppen met de therapie of om de therapie verder te zetten
9
, H2: Spraak- en taalontwikkelingsproblemen (HB H2)
HB p.26
● We spreken van problemen omdat we nog niet weten of het om een vertraging of stoornis
gaat -> pas mogelijk na uitgebreide diagnostiek
● Belangrijk om uit te maken of het gaat om primaire of secundaire spraak- en
taalontwikkelingsproblemen
2.1 Secundaire spraak- en taalontwikkelingsproblemen (HB p.27-34)
Dit zijn spraak- en taalontwikkelingsproblemen ten gevolge van problemen in:
● Sensorische ontwikkeling
○ Voornamelijk auditieve problemen
○ Ook visuele problemen: mondbewegingen, mimiek, gebaren, … worden niet gezien
=> maar taalontwikkeling gaat meestal wel vlotter dan bij auditieve problemen
● Motorische ontwikkeling
○ DCD (Developmental Coordination Disorder): coördinatieontwikkelingsstoornis vaak
met spraakontwikkelingsdyspraxie (= motorisch probleem in spraakontwikkeling)
○ Verlamming: meer moeite met leren van werkwoorden zoals hinkelen en springen
omdat ze het enkel kunnen leren door het iemand anders te zien doen
● Cognitieve ontwikkeling
○ Hoe groter de verstandelijke beperking, hoe zwakker de taalmogelijkheden
○ Bij lichte verstandelijke beperking vaak toch nog een taalniveau van 8 à 9 jaar
○ Vaak syndromaal
■ Syndroom van Down: typisch heel goed imiteren, maar hele variatie in
taalproductie
■ William syndroom: heel sociaal en communicatief, maar heel zwak taalbegrip
● Sociaal-emotionele ontwikkeling
○ ASS (autismespectrumstoornis)
■ Problemen met contact met anderen: inlevingsvermogen, rekening houden
met anderen, …
■ Contactstoornis => geen triadische interactie bij proto-imperatieven en
proto-declaratieven omwille van moeilijkheden met oogcontact
■ Pikken veel minder taal op
■ Ook comorbiditeiten: aangeboren sociaal-emotioneel vermogen en
aangeboren cognitief vermogen zijn vaak samen verzwakt
■ Vaakst problemen met pragmatiek/communicatie
■ Kunnen soms nog goede zinnen vormen
○ Selectief mutisme
■ Selectief praten en niet praten (vorm van spreekangst)
■ Praten vaak niet op school maar wel thuis omdat ze zich thuis meer op hun
gemak voelen
■ Vaak bij allochtone kinderen: klappen dicht vanwege nieuwe klasomgeving,
nieuwe cultuur, nieuwe taal, …
■ Soms ook problemen met aangeboren taalvermogen
■ Er bestaan verschillende vormen van: vb. op school wel praten in klas tegen
vriendje, maar niet tegen de juf
■ Aanhoudend: moet lang aanslepen voor we spreken van selectief mutisme
■ Aanpak: logopedist vaak in combinatie met kinderpsycholoog
● Taalaanbod
○ Te beperkt of onaangepast taalaanbod
○ Meestal niet het geval bij eentalige kinderen
■ vb. wanneer ouder nog praat in kindertaal tegen kind en niet naar school
gaat -> anders zou school genoeg aanbieden dat kind dat kan compenseren
○ Wel problemen bij sommige tweetalige kinderen
10
1.1 Aangeboren taalvermogen en taalaanbod (HB p. 16) 6
1.2 Componenten van de taalontwikkeling (HB p. 18) 6
1.3 Fasen van de taalontwikkeling (HB p. 21) 7
1.4 Mijlpalen van de normale taalontwikkeling 8
1.5 Verloop van de taalontwikkeling 8
1.6 Binnen ICF 9
1.7 Fasen in het logopedisch proces 9
H2: Spraak- en taalontwikkelingsproblemen (HB H2) 10
2.1 Secundaire spraak- en taalontwikkelingsproblemen (HB p.27-34) 10
2.2 Primaire spraak- en taalontwikkelingsproblemen (HB p.34) 11
2.2.1 Vertraagde spraak- en taalontwikkeling (VSTO) (HB p.35) 12
2.2.2 Spraak- en taalontwikkelingsstoornis (STOS) (HB p.36, p.42) 12
2.2.3 Ontwikkelingsdysfasie (OD) (HB p.38) 13
2.2.3.1 Protocol Diagnostiek Ontwikkelingsdysfasie (PDOD) (HB p.46) 14
2.2.3.2 RIZIV 18
2.2.3.3 Taalprofielen (HB p.57) 18
2.2.3.4 Co-morbide ontwikkelingsproblemen (HB H4) 19
2.2.3.5 Oorzaak (HB H5) 20
2.2.3.6 Diagnose (HB p.83-84) 21
2.2.3.7 Begeleiding bij OD 21
1. RIZIV 21
2. M-decreet – criteria voor ondersteuningsnetwerk/taalklas 23
H3: Multidisciplinaire diagnostiek (HB H6) 24
3.1 Intake en anamnese (HB p. 84) 24
3.1.1 Intake- en ananmesegesprek 24
3.1.2 Vragenlijst MUCLA, zinvolheid - oudervragenlijst -> logische zaken: 25
3.1.3 Observatielijst kleuters: zinvolheid 25
3.1.4 Belang intake en anamnesegesprek 25
3.1.5 The language-screening instrument (SNEL, Luinge, 2005) 26
3.2 Multidisciplinaire diagnostiek (HB H6) 27
3.2.1 Medisch onderzoek en gehooronderzoek (HB p.85) 27
3.2.2 (Psycho)motorische onderzoek (HB p.86) 28
3.2.3 Sociaal-emotioneel onderzoek (HB p.86) 28
3.2.4 (Ortho)pedagogisch/psychologisch onderzoek 30
3.2.4.1 Cognitieve ontwikkeling 31
3.2.4.2 Nieuwe trend in beoordeling cognitieve functies: CHC-model (cognitieve
profielen) 32
3.2.4.3 Specifieke intelligentietests 33
1. Bayley Scales of Infant Development-III-NL (0 - 3;6) 34
2. SON-R 2–8: Snijders-Oomen Niet-Verbale intelligentietest-Revised (2017) 34
3. SON-R 6 – 40 (2011) 34
4. WNV-NL: Wechsler Non Verbal - NL (2008) 35
5. WPPSI-III-NL: Wechsler Preschool and Primary Scale of Intelligence (2009) 35
1
, 6. WISC-V-NL: Wechsler Intelligence Scale for Children-V, 2018) 35
3.2.4.4 Aandacht, concentratie en executieve functies 36
H4: Diagnostiek taalontwikkelingsproblemen (logopedist) 37
4.1 Schlichting Test voor Taalbegrip (STTB) 38
4.1.1 Sectie A en B 38
4.1.2 Sectie C 38
4.1.3 Sectie D en E 38
4.1.4 Sectie F en G 39
4.2 Schlichting Test voor Taalproductie (STTP-II) 39
4.2.1 Test voor Woordontwikkeling 39
4.2.2 Zinsontwikkeling 39
4.2.3 Pseudowoorden 40
4.2.4 Auditief Geheugen 40
4.2.5 Verhaaltest 40
4.3 Reynell Taalontwikkelingsschalen (RTOS) 40
4.3.1 Achtergrond RTOS 40
4.3.2 Taalbegripsschaal 41
4.3.3 Taalproductieschaal 41
4.4 CELF Preschool-2-NL 42
4.4.1 Actieve Woordenschat (AW) 43
4.4.2 Zinnen Begrijpen 43
4.4.3 Woordstructuur 43
4.4.4 Begrippen en Aanwijzingen Volgen (BAV) 43
4.4.5 Zinnen Herhalen (ZH) 44
4.4.6 Zinnen Herhalen in Context (ZHC) 44
4.4.7 Elementaire concepten 44
4.4.8 Woordcategorieën (WC-R, WC-E, WC-T) 45
4.4.9 Fonologisch Bewustzijn 45
4.4.10 Optionele vragenlijsten 45
4.4.11 Interpretatie 45
4.5 CELF-5NL 47
4.5.1 Handleiding 47
4.5.2 Observatieschaal 47
4.5.3 Subtests 47
4.5.3.1 Zinnen herhalen 47
4.5.3.2 Zinnen formuleren 47
4.5.3.3 Zinnen begrijpen 48
4.5.3.4 Woordstructuur 48
4.5.3.5 Semantische relaties 48
4.5.3.6 Woordcategorieën 48
4.5.3.7 Tekstbegrip 49
4.5.3.8 Aanwijzingen volgen 49
4.5.3.9 Linguïstische concepten 49
4.5.3.10 Definities van woorden 49
2
, 4.5.3.11 Zinnen samenstellen 49
4.5.3.12 Pragmatiekprofiel 50
4.5.3.13 Checklist pragmatiek in activiteiten 50
4.5.4 Analyse van de opgaven per subtest 50
4.6 Test die specifieke taalcomponenten meten 50
4.6.1 Renfrew Taalschalen Nederlands Aanpassing (RTNA) 50
4.6.1.1 Woordvinding Woordenschat Test (WWT) 50
4.6.1.2 Actie Platen Test 51
4.6.1.3 Bus Verhaal Test 52
4.6.1.4 Meerwaarde van de RTNA 52
4.6.2 Peabody Picture Vocabulary Test III-NL 52
4.6.3 Nijmeegse pragmatiektest (NPT, 2005) 53
4.6.3.1 Communicatieve functies (CF) 53
4.6.3.2 Conversatievaardigheden 53
4.6.3.3 Verhaalopbouw 54
4.6.4 Serieel benoemen en woorden lezen (SB & WL) 54
4.7 Diagnose van taalontwikkelingsproblemen bij anderstaligen 54
4.7.1 Meertaligheid 54
4.7.2 Taaltoets Alle Kinden (TAK) 55
4.7.2.1 Passieve woordenschat 56
4.7.2.2 Woordomschrijving 56
4.7.2.3 Woordvorming 56
4.7.2.4 Zinsbegrip (functiewoorden) 56
4.7.2.5 Zinsbegrip II (zinspatronen) 56
4.7.2.6 Tekstbegrip 56
4.7.2.7 Verteltaak 56
4.7.2.8 Voor- en nadelen van de TAK 57
4.8 Screeningsinstrument 57
4.8.1 Definities 57
4.8.2 N-CDIs: Lijsten voor Communicatieve Ontwikkeling (Zink & Lejaegere) 57
4.8.3 ALDEQ-NL 58
4.9 Nederlandstalige Non-Speech Test Revised (NNST-R) 59
4.9.1 Kenmerken van de NNST 59
4.9.2 Receptief/preverbaal 59
4.9.3 Receptief/verbaal 59
4.9.4 Expressief/preverbaal 60
4.9.5 Expressief/verbaal 60
4.9.6 Vrijheid bij afname 61
4.9.7 Afname 62
4.9.8 Normering NNST-R 62
4.9.9 Instap- en afbreekregel 62
4.9.10 Afnameprocedure + score-instructies 63
4.9.10.1 Reageert op een visuele stimulus (Rec Schaal, item 3) 63
4.9.10.2 Identificeert 3 lichaamsdelen (Rec Schaal, item 39) 63
3
, 4.9.10.3 Vocaliseert klinkergeluid (Expr Schaal, item 1) 63
4.9.10.4 Beantwoordt 1 vraag m.b.v. een signaal (Expr Schaal, item 18) 63
4.9.11 Materiaal 64
4.9.12 Voorbereiding afname NNST 64
4.9.13 Tips bij afname NNST-R 64
4.9.14 Besluit 64
4.10 Spontane taalanalyse 65
4.10.1 Algemeen 65
4.10.2 TARSP 65
4.10.3 STAP 65
H5: Begeleidingsvormen en -principes bij STOS/OD 66
5.1 Taaltherapie 66
5.2 Begeleidingsvormen 66
5.2.1 Overzicht 66
5.2.2 Kind nog jong / niet therapie rijp? 67
5.2.3 Ondersteuning op school of taalklas type 7 67
5.3 Algemene begeleidingsprincipes 68
5.3.1 Samenwerking bij begeleiding 68
5.3.2 Welbevinden 68
5.3.3 Taalaanbod 69
5.3.4 Communicatie 69
5.3.5 Visualiseren 69
5.3.5.1 Ondersteunende communicatie i.f.v. taalbegrip 69
5.3.5.2 Ondersteunende communicatie i.f.v. taalproductie 70
H6: Therapie 70
6.1 Indirecte therapie (HB p.98) 70
6.1.1 Doelgroep 70
6.1.2 Waarom? (HB p.99) 71
6.1.3 Wanneer? 72
6.1.4 Welke concrete vormen? (HB p. 100) 72
6.1.4.1 Taalstimulering 72
1. Algemene adviezen 72
2. TOLK-programma (taalachterstand <-> taalstoornis) 72
6.1.4.2 Thuisbegeleiding / vroegbegeleiding 73
1. Voorbeelden thuisbegeleiding 73
2. Inhoud thuisbegeleiding 73
6.1.4.3 Voordrachten voor ouders / oudergespreksgroepen 74
6.1.4.4 Oudertrainingprogramma’s 74
1. Taal 74
2. Sociaal-communicatieve vaardigheden + taal 76
6.2 Directe therapie 76
6.2.1 Behandelplan en doelstellingen 76
6.2.2 Algemene methodieken bij taaltherapie 77
6.2.2.1 Reduceren en selecteren 77
4
, 6.2.2.2 Oefenen 78
6.2.2.3 Expliciteren 78
6.2.2.4 Compenseren 78
6.2.2.5 Zelfstandigheid 79
6.2.3 Taaltherapie volgens specifieke taaldomeinen (HB p 106-153) 79
6.2.3.1 Concrete oefeningen 79
6.2.3.2 Materialen 83
6.2.4 Concrete technieken bij taaltherapie 83
6.2.4.1 Bevestigen (wachten, imitatie, benoemen, recasting, interpreting) 83
6.2.4.2 Uitlokken 84
6.2.4.3 Verbeteren 84
6.2.4.4 Inoefenen 84
6.2.4.5 Visualiseren 85
6.2.4.6 Transfer 85
H7: Klasondersteuning 85
7.1 Tips in de klas (HB p. 211) 86
7.1.1 Veilig onderwijsklimaat (HB p.211) 86
7.1.2 Innerlijke taal (HB p.212) 86
7.1.3 Technisch lezen (HB p.213) 87
7.1.4 Begrijpend lezen (HB p.215) 87
7.1.5 Spelling (HB p.160) 88
7.1.6 Rekenen (HB p.216) 88
7.2 Zorgbeleid op school: het zorgcontinuüm 89
7.2.1 M-decreet - leersteundecreet (HB p.171) 89
7.2.2 Zorgcontinuüm 90
7.2.3 UDL 90
7.3 Leersteun uit leersteuncentrum 91
7.3.1 Leerlingsondersteuning 92
7.3.2 Leerkrachtondersteuning 92
7.3.3 Klasondersteuning 92
7.3.4 Schoolondersteuning 92
7.4 Buitengewoon onderwijs 92
7.4.1 Algemeen 92
7.4.1.1 Toelatingsvoorwaarden 92
7.4.1.2 Principes 93
7.4.1.3 Structuur: lager onderwijs 93
7.4.1.4 Structuur: secundair onderwijs 93
7.4.2 Type 7-STOS: taalklas 93
7.4.2.1 Criteria 93
7.4.2.2 Inhoud 94
5
, Zorgtraject Taalontwikkeling
H1: Inleiding (HB H1)
1.1 Aangeboren taalvermogen en taalaanbod (HB p. 16)
● Aangeboren taalvermogen moet aangevuld worden met een aangepast taalaanbod om
adequaat taal te ontwikkelen
● Aangeboren sensori-motorische, cognitieve en sociaal- emotionele vermogens
○ Tot ontwikkeling te komen -> kind moet ook in deze gebieden voldoende
gestimuleerd worden
1.2 Componenten van de taalontwikkeling (HB p. 18)
● Taalbegrip en taalproductie bestaan uit verschillende componenten:
○ Taalvorm: fonologie (klankleer), morfologie (woordvorming) en syntaxis (zinsbouw)
○ Taalinhoud: lexicon (woordenschat) en semantiek (betekenisleer)
○ Taalgebruik: pragmatiek (communicatie)
● Metalinguïstisch bewustzijn komt voor bij elke component: fonologisch, morfologisch,
syntactisch, lexicaal, semantisch en pragmatisch bewustzijn
○ Vanaf 4 jaar
○ Hangt nauw samen met de cognitieve ontwikkeling
○ Ontwikkelt sneller bij kinderen die een twee- of meertalige opvoeding krijgen
● Taalproductie en taalbegrip: voortdurende wisselwerking
○ Taalbegrip > taalproductie
6
,1.3 Fasen van de taalontwikkeling (HB p. 21)
● Stippellijnen = taalbegrip
● Volle lijnen = taalproductie
● Voortalige fase: 0 - 12 maanden
○ Experimenten met klanken
○ 6 weken: vocaliseren
○ 7 maanden: medeklinkers -> brabbelen
○ 8 maanden: eenvoudige woorden en zinnen begrijpen
● Vroegtalige fase: 12 - 30 maanden
○ Gemiddeld 50 woorden
○ Telegramstijl zinnen
○ Praten over concrete zaken in het hier en nu
○ In vertrouwde omgeving -> korte gesprekjes voeren
● Differentiatiefase: 2;06 - 5;00 jaar ~ kleuterschool periode: hier wordt heel veel bijgeleerd;
kind zal dan heel sterk vooruitgaan op veel vlakken
○ Woordenschat:
■ 3 jaar: 2500 woorden begrijpen en 1000 woorden produceren
■ 5 jaar: 5000 woorden begrijpen en 3000 woorden produceren
○ Nieuwe woordsoorten: persoonlijke vnw, vragende vnw en lidwoorden
○ Syntaxis op 5 jaar:
■ Negatieve zinnen, mededelende zinnen en vraagzinnen
■ Enkelvoudige en samengestelde zinnen met nevenschikking
○ Fonologie: correcte uitspraak van de meeste klanken en klankverbindingen
○ Morfologie: correcte verbuigingen van regelmatige zelfstandige naamwoorden en
regelmatig bijvoeglijke naamwoorden + correcte vervoeging van de regelmatige
werkwoorden
○ Pragmatiek op 5 jaar:
■ Communicatieve intenties -> onderhandelen of dreigen
■ Gesprekken voeren
■ Praten over iets buiten het hier en nu
○ Metalinguïstisch bewustzijn
● Voltooiingsfase: vanaf 5;00
○ Fonologie: alle klanken en nagenoeg alle klankverbindingen correct uitspreken
○ Morfologie: onregelmatige verbuigingen en vervoegingen lopen meestal vlot
○ Syntaxis: lange zinnen en moeilijke zinsconstructies (voltooid op 12 jaar)
○ Lexicon:
7
, ■ Woordenschatbegrip neemt met 3000 woorden per jaar toe
■ Woordenschatproductie neemt met 1000 woorden per jaar toe
■ In het secundair en hoger onderwijs nog veel nieuwe woorden en begrippen
-> woordenschat breidt een leven lang verder uit
○ Pragmatiek: steeds beter verhalen vertellen, gesprekken voeren, onderhandelen,
nuanceren, moppen vertellen, figuurlijk taalgebruik hanteren, …
1.4 Mijlpalen van de normale taalontwikkeling
● Grote interindividuele verschillen in de taalontwikkeling van kinderen
○ Eerst observeren
○ Screening = kort kijken of er iets aan de hand is -> min. spreeknormen vastgelegd
○ Bevraagd worden door vb. huisarts
● Er zijn verschillende belangrijke mijlpalen:
○ Mijlpaal rond 12m: begrip van 50-tal woorden
○ Mijlpaal rond 9 à 10 m: gevarieerd brabbelen met veel intonatie
■ Zeer belangrijk -> voorbereiding op spreken
■ Niet of minder aanwezig bij kinderen met gehoorstoornis, met ASS of met
ontwikkelingsdysfasie
○ Mijlpaal op 18-21 m: twee-woord zinnen; productie van gemiddeld 50-tal woorden
● Bij tweetalige kinderen of meertalige kinderen zijn de interindividuele verschillen nog groter
● DUS: rekening houden met aanbod, milieu, aantal aangeboden talen…
● Oudervragenlijst aanvullend gebruiken
○ Met screening: nagaan of er een probleem is en of een doorverwijzing voor verdere
diagnostiek nodig is
○ Kijken of kind binnen de normale grens valt
○ Vermoeden dat er iets aan de hand is -> diagnostiek
○ Indien er een probleem is dan kijken we welk zorgtraject gebruiken (vb.
ondersteuning ouders, leerkracht, directe therapie…)
1.5 Verloop van de taalontwikkeling
● Met variatie op normale: dunnere lijn boven en onder de dikkere blauwe lijn
● In de voltooiingsfase: veel woordenschat en semantiek, maar is de ontwikkeling op andere
taaldomeinen trager -> curve vlakt een beetje af rond 5 à 6 jaar
● Groen: normale of typische taalontwikkeling
● Donkerblauw: een taalprobleem met inhaalbeweging
○ Kloof met de leeftijdsgenoten wordt dus steeds kleiner, tot het gemiddelde van de
normale taalontwikkeling wordt bereikt
○ Een jaartje logopedie zou dit probleem kunnen oplossen
● Geel: constante kloof -> grote achterstand en achterstand blijft
8
, ○ Kan zijn dat kind therapie krijgt maar de achterstand blijft
○ Mogelijks mentaal minder mogelijkheden en als cognitieve ontwikkeling achterblijft
gaat taalontwikkeling ook achterblijven
● Rood: kloof met de leeftijdsgenoten neemt toe
○ Kan te wijten zijn aan een verstandelijke beperking
○ Soms regressie zichtbaar vb. bij hersentumor of ASS met verstandelijke beperking
○ Tov zichzelf gaat het kind meestal nog vooruit (vb. wel langere zinnen vormen en
grotere woordenschat) maar veel trager dan andere kinderen
○ Werken met standaardscores: kijken naar gemiddelde van bepaalde leeftijd en
daarop afstemmen
1.6 Binnen ICF
● Bij diagnostiek en behandeling niet enkel kijken naar testresultaten of objectieve gegevens
● Maar naar het kind in het geheel
● ICF = International Classification of Functioning, Disability and Health, ICF
● Ontworpen door WHO = World Health Organization in 2002
1.7 Fasen in het logopedisch proces
● Uitgebreide diagnostiek = belangrijk -> voldoende info verzamelen voor een gepaste
individuele behandeling
○ Kloof bekijken door naar percentielen te kijken
○ Evolutie van kind zelf bekijken adhv ruwe score
○ Soms nodig om het kind op te volgen, soms ook gewoon overlaten aan de school
● Voor het eerst getest wordt -> aanvangsbilan op = basislijnmeting
● Nadat het kind een bepaald aantal therapiesessies doorlopen heeft -> herevaluatie
○ Resultaten worden vergeleken met de basislijnmeting
○ Wordt gerapporteerd in een evolutiebilan
○ Afh van de resultaten -> stoppen met de therapie of om de therapie verder te zetten
9
, H2: Spraak- en taalontwikkelingsproblemen (HB H2)
HB p.26
● We spreken van problemen omdat we nog niet weten of het om een vertraging of stoornis
gaat -> pas mogelijk na uitgebreide diagnostiek
● Belangrijk om uit te maken of het gaat om primaire of secundaire spraak- en
taalontwikkelingsproblemen
2.1 Secundaire spraak- en taalontwikkelingsproblemen (HB p.27-34)
Dit zijn spraak- en taalontwikkelingsproblemen ten gevolge van problemen in:
● Sensorische ontwikkeling
○ Voornamelijk auditieve problemen
○ Ook visuele problemen: mondbewegingen, mimiek, gebaren, … worden niet gezien
=> maar taalontwikkeling gaat meestal wel vlotter dan bij auditieve problemen
● Motorische ontwikkeling
○ DCD (Developmental Coordination Disorder): coördinatieontwikkelingsstoornis vaak
met spraakontwikkelingsdyspraxie (= motorisch probleem in spraakontwikkeling)
○ Verlamming: meer moeite met leren van werkwoorden zoals hinkelen en springen
omdat ze het enkel kunnen leren door het iemand anders te zien doen
● Cognitieve ontwikkeling
○ Hoe groter de verstandelijke beperking, hoe zwakker de taalmogelijkheden
○ Bij lichte verstandelijke beperking vaak toch nog een taalniveau van 8 à 9 jaar
○ Vaak syndromaal
■ Syndroom van Down: typisch heel goed imiteren, maar hele variatie in
taalproductie
■ William syndroom: heel sociaal en communicatief, maar heel zwak taalbegrip
● Sociaal-emotionele ontwikkeling
○ ASS (autismespectrumstoornis)
■ Problemen met contact met anderen: inlevingsvermogen, rekening houden
met anderen, …
■ Contactstoornis => geen triadische interactie bij proto-imperatieven en
proto-declaratieven omwille van moeilijkheden met oogcontact
■ Pikken veel minder taal op
■ Ook comorbiditeiten: aangeboren sociaal-emotioneel vermogen en
aangeboren cognitief vermogen zijn vaak samen verzwakt
■ Vaakst problemen met pragmatiek/communicatie
■ Kunnen soms nog goede zinnen vormen
○ Selectief mutisme
■ Selectief praten en niet praten (vorm van spreekangst)
■ Praten vaak niet op school maar wel thuis omdat ze zich thuis meer op hun
gemak voelen
■ Vaak bij allochtone kinderen: klappen dicht vanwege nieuwe klasomgeving,
nieuwe cultuur, nieuwe taal, …
■ Soms ook problemen met aangeboren taalvermogen
■ Er bestaan verschillende vormen van: vb. op school wel praten in klas tegen
vriendje, maar niet tegen de juf
■ Aanhoudend: moet lang aanslepen voor we spreken van selectief mutisme
■ Aanpak: logopedist vaak in combinatie met kinderpsycholoog
● Taalaanbod
○ Te beperkt of onaangepast taalaanbod
○ Meestal niet het geval bij eentalige kinderen
■ vb. wanneer ouder nog praat in kindertaal tegen kind en niet naar school
gaat -> anders zou school genoeg aanbieden dat kind dat kan compenseren
○ Wel problemen bij sommige tweetalige kinderen
10