= een wetenschapsfilosofie die positivisme toepast op de studie van de sociale werkelijkheid en die
1
elke verklaring van gedrag verwerpt die gebruik maakt van niet rechtstreeks waarneembare
begrippen.
Een verklaring is causaal:
ze moet het minimale geheel van noodzakelijke antecedenten en het voldoende aantal redenen
bevatten die aangeven waarom een feit of een reeks van feiten zich voordoet.
Het moet gaan om verklarende theorieën:
die verifieerbaar of falsifieerbaar zijn. Daarvoor worden kwantitatieve data verzameld.
2 Van instellingen naar het gedrag van mensen
Behavioralisme ontstond vanuit een onvrede met het ‘oude institutionalisme’, dat zich enkel inliet
met de formele structuren en instellingen van de overheid.
Tijdens WO II: heel wat nieuwe technieken bedacht voor sociaalwetenschappelijk onderzoek om
vooral de massa te bestuderen.
Tijdens dekolonisatie: instellingen en grondwetten die vóór de onafhankelijkheid werden
geschreven, overleefden nadien niet lang.
Definitie van ‘behavior’
3
Behavioralisten hebben wel oog voor attitudes, opinies of instellingen MAAR ze bekijken die enkel
indirect.
Men kijkt ook naar de manier waarop mensen denken, MAAR vooral hoe dit tot uiting komt in
concreet gedrag. Willen de algemene context van menselijk gedrag bekijken, maar bestuderen
eerder individuen dan de positie die deze individuen innemen in de instellingen.
Ze bekijken ook instelling MAAR op andere manier: bv het stemgedrag van parlementsleden (↔
procedure hoe wetten tot stand komen).
4 Empirische studie van observeerbaar gedrag
Gedrag van mensen komt tot stand door prikkels in de omgeving → stimulus-responsproces
en daarin is regelmaat te vinden:
- Gedrag dat beloond wordt, zal worden herhaald en omgekeerd
Centrale vraag in het behaviorisme: waarom gedragen mensen zich zoals ze zich gedragen?
Het antwoord moet gebaseerd zij op observeerbaar gedrag en empirische toetsing
aka gebruikmaken van een empirische theorie en zoeken naar verklaringen
Gebaseerd op ‘Een plattegrond van de macht – Carl Devos’