Inhoud
Hoofdstuk 1: Inleiding............................................................................................................. 2
Hoofdstuk 2: Freud (1856-1939).............................................................................................4
Hoofdstuk 3: Karen Horney (1885-1952)..............................................................................21
Hoofdstuk 4: Rogers (1902-1987)........................................................................................29
Hoofdstuk 5: Gordon Allport (1897-1967).............................................................................37
Hoofdstuk 6: Costa en McCrae.............................................................................................45
Hoofdstuk 7: Eysenck........................................................................................................... 52
Hoofdstuk 8: Walter Mischel.................................................................................................58
,Hoofdstuk 1: Inleiding
Wat is persoonlijkheid?
“persona” = masker
Persoonlijkheid is werkelijk meer dan de rol die iemand speelt.
→ Persoonlijkheid = Een patroon van relatief permanente karaktertrekken en unieke
karakteristieken die consistentie en individualiteit geven aan het gedrag van een persoon.
Trekken:
Consistent over tijd
Individuele verschillen in gedrag
Stabiliteit over situaties
Kenmerken: unieke kwaliteiten
Trekken worden misschien wel gedeeld in dezelfde groep, maar het patroon ervan is
verschillend voor elk persoon.
Karakteristieken
Unieke kwaliteiten van mensen, onder andere temperament, fysiek en intelligentie
Wat is een theorie?
“Theorie” gedefinieerd:
= Een set van gerelateerde assumpties dat wetenschappers de kans geven om logisch
deductief te redeneren om testbare hypothesen te formuleren.
1. Een set van assumpties:
a. Een enkele assumptie is niet genoeg voor een theorie
2. Gerelateerde assumpties:
a. geïsoleerde assumpties kunnen geen betekenisvolle hypothesen formuleren
noch interne consistentie bezitten.
3. Assumpties:
a. assumpties zijn geen bewezen feiten
b. Zo kan er betekenisvol onderzoek gedaan worden
4. Logisch deductief redeneren
a. Gebruikt door de onderzoeker om hypothesen te formuleren
b. Hypothesen zijn geen onderdeel van de theorie, maar komen eruit
5. Testbaar:
a. Een hypothese moet getest kunnen worden!
Theorie is verwant met, maar verschillend van
Mensen verwarren een theorie soms met een filosofie, een speculatie, een hypothese of een
taxonomie.
1. Filosofie
a. Er is een verwantschap met een filosofie en een theorie
b. Maar filosofen zijn geen wetenschappers
2. Speculatie
a. Theorieën vertrouwen op speculaties, maar zijn zoveel meer dan dat.
b. Theorieën zijn eerder verwant aan wetenschap
c. Theorieën zijn geen nutteloze fantasieën
3. Hypothese
, a. Een goede theorie kan veel hypothesen genereren
b. Een hypothese is een verwachting, specifiek genoeg dat de validiteit via een
wetenschappelijke methode getest kan worden.
c. Een theorie is te algemeen om direct van verificatie uit te gaan
d. Hypothesen zijn dus meer specifiek dan de theorieën waarvan ze zijn
ontstaan.
e. Deductief: van algemeen naar specifiek gaan, van theorie naar hypothese
f. Inductief: Men gebruikt inductief redeneren om de resultaten van een
onderzoek terug te koppelen naar de theorie (van specifiek naar algemeen)
4. Taxonomie
a. Een classificatie vanuit natuurlijke selectie
b. Belangrijk voor de groei van wetenschap door de classificatie van data
c. Maar enkel classificatie is niet genoeg voor een theorie
d. Maar een taxonomie kan evolueren tot een theorie als ze testbare
hypothesen kunnen genereren.
Waarom bestaan er meerdere theorieën?
- De natuur van een theorie laat wetenschappers toe om speculaties te maken vanuit
een andere invalshoek.
- Wetenschappers moeten zo objectief mogelijk zijn wanneer ze een theorie
formuleren, maar de data die ze ervoor verzamelen en hoe ze deze interpreteren is
een persoonlijke keuze.
- Divergente theorieën kunnen bruikbaar zijn.
Wat maakt een theorie zinvol? (6 criteria)
1. Genereert onderzoek: beschrijvend onderzoek geeft een kader zodat je je theorie
kan bijsturen
2. Theorie moet falsifieerbaar zijn: als je het niet meetbaar kan maken, is het niet meer
dan een speculatie
3. De data die uit onderzoek komt organiseren en plaatsen!
4. Leidt handelen: theorieën zijn vaak ook praktische hulpmiddelen
a. Antwoorden geven om het handelen te leiden
5. Is intern consistent: Samenhangend en homogeen
a. Geoperationaliseerde definities maken
b. Dat je kan meten
6. De meest spaarzame theorie ga je altijd kiezen (niet complexer maken dan
noodzakelijk is), als de eerste 5 voldoen om onderscheid te maken
Dimensies voor ‘concept’ over de mensheid
Determinisme vs. vrije keuze: Zijn onze daden volledig bepaald (determinisme) of hebben
we eigen wil (vrije keuze)?
Pessimisme vs. optimisme: Negatieve vs. positieve kijk op menselijk gedrag en
ontwikkeling.
Causaliteit vs. teleologie: Gedrag als gevolg van oorzaken uit het verleden (causaliteit) of
gericht op doelen in de toekomst (teleologie).
Bewuste vs. onbewuste determinanten: Wordt gedrag gestuurd door bewuste keuzes of
onbewuste processen?
, Biologische vs. sociale invloeden: Komt persoonlijkheid voort uit genetica (biologisch) of
uit omgeving en opvoeding (sociaal)?
Individualiteit vs. similariteit: Is ieder persoon uniek, of lijken mensen meer op elkaar dan
ze verschillen?
Persoonlijkheidstheorieën
Hoofdstuk 2: Freud (1856-1939)
De kinderlijke ervaringen en de ouders zijn hier belangrijk
Psychodynamische theorieën