Sessie 1 – Globalisering en regionalisering: wat gebeurt
er echt?
1) Basisidee: globalisering is geen “alles of niets”
• Globalisering betekent niet dat landen en markten volledig samensmelten tot één
identieke wereldmarkt. In realiteit krijg je vaak gedeeltelijke integratie: sommige
stromen (kapitaal, data, bepaalde goederen) globaliseren sterk, terwijl andere
(diensten, arbeid, regelgeving, cultuur) veel trager bewegen.
• Regionalisering is het patroon dat internationale handel en investeringen vaak
clusteren binnen regio’s (bijvoorbeeld Europa, Noord-Amerika, Azië) in plaats van
evenredig verspreid te zijn over de hele wereld. In de slides zie je dat ook terug door
het sterke gewicht van naburige landen in handel en FDI.
2) “Een pla8e wereld” (flat world) vs “semi-globaliza@on”
De vraag is niet “is de wereld plat”, maar: hoe plat is ze, en voor wie?
Argumenten waarom de wereld pla$er lijkt
• Technologie en connectiviteit hebben transactiekosten verlaagd: communiceren,
coördineren, en informatie uitwisselen is goedkoper en sneller.
• Logistieke verbeteringen en schaalvoordelen maken internationale supply chains
haalbaarder.
• Kapitaal beweegt relatief vlot: investeringen kunnen sneller internationaal
verschuiven.
Argumenten waarom de wereld niet plat is
• Verschillen blijven hardnekkig door afstand in brede zin: taal, waarden, wetgeving,
munt, infrastructuur, instituten.
• Bedrijven botsen op liability of foreignness: je bent als buitenlandse speler vaak
“achtergesteld” door minder legitimiteit, minder lokale kennis, en meer frictie in
stakeholdermanagement.
• Veel stromen zijn niet echt wereldwijd maar regionaal geconcentreerd (denk aan EU
als mega interne markt).
➡ Dit sluit aan bij het kernpunt van Ghemawat: afstand blijft een harde realiteit voor
internationale expansie en verklaart waarom “semi-globalization” vaak beter past dan
“complete globalization”.
3) Globalisering als vloek of zegen: het managementantwoord
In de praktijk moet je dit benaderen als een trade-off portfolio: globalisering creëert
waarde, maar introduceert ook risico’s.
,PotenDële voordelen (waardecreaDe)
• Nieuwe markten en groei
Toegang tot extra klanten, vooral wanneer de thuismarkt verzadigd raakt.
• Schaalvoordelen en kostenoptimalisatie
Grotere volumes, efficiëntere productie, betere sourcing.
• Arbitrage over verschillen
Waarde halen uit verschillen in kosten, vaardigheden, belastingen, grondstoffen, en
institutionele context.
PotenDële nadelen (waarde-erosie)
• Complexiteit en coördinatiekosten
Meer landen betekent meer variatie in processen, stakeholders en regels.
• Politieke en maatschappelijke tegenwind
Nationalisme, protectionisme, reputatierisico.
• Kwetsbare supply chains
Langere ketens verhogen blootstelling aan shocks.
4) Historische slingerbewegingen
De slides benadrukken dat globalisering in “golven” komt.
Wat je hier moet onthouden:
• Integratie neemt toe door technologie, handelspolitiek en economische logica
• Daarna krijg je tegenreacties door crisissen, oorlogen, sociale druk, geopolitiek
• Voor bedrijven betekent dit: strategie moet robuust zijn onder onzekerheid, niet
alleen geoptimaliseerd voor “best case”.
5) Drijfveren van interna@onalisering (waarom bedrijven interna@onaal gaan)
Slides zetten dit neer als een combinatie van groei, efficiëntie en risicospreiding.
Belangrijk is dat die drijfveren per bedrijf anders wegen.
A) Groei en marktlogica
• Wanneer je in eigen land niet genoeg groei hebt, wordt internationalisering een
growth engine.
• Soms gaat het ook om klanten volgen: je grote klant internationaliseert, jij moet
mee om relevant te blijven.
B) EfficiënDe en schaal
• Internationale spreiding kan productie optimaliseren: juiste activiteit op juiste
locatie.
• Je wint niet alleen op loonkost, maar ook op skills, clustering, suppliers, logistiek.
, C) Risico en spreiding
• Landrisico’s spreiden (vraag, valuta, beleid).
• Maar: spreiding reduceert bepaalde risico’s en creëert andere (coördinatie,
compliance).
6) Uitdagingen: “afstand” als business case killer
De slides brengen afstand als centrale rem.
Distance Still Matters
Dit is niet alleen geografisch.
• Culturele afstand: voorkeuren, communicatie, vertrouwen, leiderschap, “hoe zaken
gedaan worden”.
• Administratieve afstand: wetgeving, politiek systeem, handelsbarrières, sancties,
fiscaliteit.
• Geografische afstand: transport, time zones, infrastructuurkwaliteit.
• Economische afstand: koopkracht, kostenstructuur, markt maturity.
➡ Managementimplicatie: je internationale groei moet altijd starten met een realistische
frictie-inschatting. “We kunnen het wel verkopen daar” is geen strategie.
er echt?
1) Basisidee: globalisering is geen “alles of niets”
• Globalisering betekent niet dat landen en markten volledig samensmelten tot één
identieke wereldmarkt. In realiteit krijg je vaak gedeeltelijke integratie: sommige
stromen (kapitaal, data, bepaalde goederen) globaliseren sterk, terwijl andere
(diensten, arbeid, regelgeving, cultuur) veel trager bewegen.
• Regionalisering is het patroon dat internationale handel en investeringen vaak
clusteren binnen regio’s (bijvoorbeeld Europa, Noord-Amerika, Azië) in plaats van
evenredig verspreid te zijn over de hele wereld. In de slides zie je dat ook terug door
het sterke gewicht van naburige landen in handel en FDI.
2) “Een pla8e wereld” (flat world) vs “semi-globaliza@on”
De vraag is niet “is de wereld plat”, maar: hoe plat is ze, en voor wie?
Argumenten waarom de wereld pla$er lijkt
• Technologie en connectiviteit hebben transactiekosten verlaagd: communiceren,
coördineren, en informatie uitwisselen is goedkoper en sneller.
• Logistieke verbeteringen en schaalvoordelen maken internationale supply chains
haalbaarder.
• Kapitaal beweegt relatief vlot: investeringen kunnen sneller internationaal
verschuiven.
Argumenten waarom de wereld niet plat is
• Verschillen blijven hardnekkig door afstand in brede zin: taal, waarden, wetgeving,
munt, infrastructuur, instituten.
• Bedrijven botsen op liability of foreignness: je bent als buitenlandse speler vaak
“achtergesteld” door minder legitimiteit, minder lokale kennis, en meer frictie in
stakeholdermanagement.
• Veel stromen zijn niet echt wereldwijd maar regionaal geconcentreerd (denk aan EU
als mega interne markt).
➡ Dit sluit aan bij het kernpunt van Ghemawat: afstand blijft een harde realiteit voor
internationale expansie en verklaart waarom “semi-globalization” vaak beter past dan
“complete globalization”.
3) Globalisering als vloek of zegen: het managementantwoord
In de praktijk moet je dit benaderen als een trade-off portfolio: globalisering creëert
waarde, maar introduceert ook risico’s.
,PotenDële voordelen (waardecreaDe)
• Nieuwe markten en groei
Toegang tot extra klanten, vooral wanneer de thuismarkt verzadigd raakt.
• Schaalvoordelen en kostenoptimalisatie
Grotere volumes, efficiëntere productie, betere sourcing.
• Arbitrage over verschillen
Waarde halen uit verschillen in kosten, vaardigheden, belastingen, grondstoffen, en
institutionele context.
PotenDële nadelen (waarde-erosie)
• Complexiteit en coördinatiekosten
Meer landen betekent meer variatie in processen, stakeholders en regels.
• Politieke en maatschappelijke tegenwind
Nationalisme, protectionisme, reputatierisico.
• Kwetsbare supply chains
Langere ketens verhogen blootstelling aan shocks.
4) Historische slingerbewegingen
De slides benadrukken dat globalisering in “golven” komt.
Wat je hier moet onthouden:
• Integratie neemt toe door technologie, handelspolitiek en economische logica
• Daarna krijg je tegenreacties door crisissen, oorlogen, sociale druk, geopolitiek
• Voor bedrijven betekent dit: strategie moet robuust zijn onder onzekerheid, niet
alleen geoptimaliseerd voor “best case”.
5) Drijfveren van interna@onalisering (waarom bedrijven interna@onaal gaan)
Slides zetten dit neer als een combinatie van groei, efficiëntie en risicospreiding.
Belangrijk is dat die drijfveren per bedrijf anders wegen.
A) Groei en marktlogica
• Wanneer je in eigen land niet genoeg groei hebt, wordt internationalisering een
growth engine.
• Soms gaat het ook om klanten volgen: je grote klant internationaliseert, jij moet
mee om relevant te blijven.
B) EfficiënDe en schaal
• Internationale spreiding kan productie optimaliseren: juiste activiteit op juiste
locatie.
• Je wint niet alleen op loonkost, maar ook op skills, clustering, suppliers, logistiek.
, C) Risico en spreiding
• Landrisico’s spreiden (vraag, valuta, beleid).
• Maar: spreiding reduceert bepaalde risico’s en creëert andere (coördinatie,
compliance).
6) Uitdagingen: “afstand” als business case killer
De slides brengen afstand als centrale rem.
Distance Still Matters
Dit is niet alleen geografisch.
• Culturele afstand: voorkeuren, communicatie, vertrouwen, leiderschap, “hoe zaken
gedaan worden”.
• Administratieve afstand: wetgeving, politiek systeem, handelsbarrières, sancties,
fiscaliteit.
• Geografische afstand: transport, time zones, infrastructuurkwaliteit.
• Economische afstand: koopkracht, kostenstructuur, markt maturity.
➡ Managementimplicatie: je internationale groei moet altijd starten met een realistische
frictie-inschatting. “We kunnen het wel verkopen daar” is geen strategie.