Interpreteren
Indruksvorming
1. Primacy-effect
= effect van de eerste indruk (algemene indruk die blijft doorleven)
- Volgorde waarop we informatie krijgen over een persoon, beïnvloedt het beeld dat we over
die persoon opbouwen
2. Halo-effect
- Bepaalde persoonlijkheidskenmerken horen samen + zijn geneigd bepaalde karakteristieken
met elkaar in verband te brengen
- Stralenkranseffect “iemand die knap is zal ook wel intelligent zijn”
3. Horn-effect
- “Negatief zet negatief aan”
- Eén negatief kenmerk: laten doorwegen >< positieve kenmerken op het achterplan verdwijnen
4. Stereotypering
- Toeschrijven van persoonlijkheidskenmerken (zonder verschillen tussen individuen-
- (Bv; domme blondjes, lln uit beroeps zijn onhandelbaar)
5. Vooroordeel
= Veralgemenen kan worden doorgegeven of door ervaringen
6. Contrasteffect
- Verschil tussen mensen is sterk -> veel verschillen
- 4 voorgaande lln geen goede beoordeling -> volgende lln die iets beter is: beter beoordelen
7. Klooneffect
- Andere personen -> waar we onszelf in herkennen: als positief waarderen
8. Selffulfilling Prophecy
- Manier waarop we ons gedragen tegenover anderen -> wij gaan uit van het beeld dat we
ons van hem/haar hebben gevormd
- Verwachting van zijn toekomstig gedrag
Rosenthal & Jacobson -> wat waren de verwachtingen van hun lln? -> onderzoek
9. Cognitieve dissonantie
= Tegenstrijdigheid
- Ervaringen met gevarieerde situaties -> juister beeld over persoonlijkheid KAN ZIJN: dit
gedrag, tegenstrijdig met het beeld dat we al hebben over die persoon
- Onprettig gevoel -> 3 oplossingen: negeren van nieuwe informatie, voorval als éénmalig
beschouwen, beeld van de ander veranderen/aanpassen
10. Causale attributie
- Indrukken over iemand -> door observatie maar, proces van indruksvorming: bepaald door
de oorzaken waaraan mensen het gedrag van zichzelf en anderen toeschrijven
- Attributietheorie: studie hoe mensen het gedrag van zichzelf (zelfperceptie) en het gedrag
van anderen (sociale perceptie) oorzakelijk verklaren
Indruksvorming
1. Primacy-effect
= effect van de eerste indruk (algemene indruk die blijft doorleven)
- Volgorde waarop we informatie krijgen over een persoon, beïnvloedt het beeld dat we over
die persoon opbouwen
2. Halo-effect
- Bepaalde persoonlijkheidskenmerken horen samen + zijn geneigd bepaalde karakteristieken
met elkaar in verband te brengen
- Stralenkranseffect “iemand die knap is zal ook wel intelligent zijn”
3. Horn-effect
- “Negatief zet negatief aan”
- Eén negatief kenmerk: laten doorwegen >< positieve kenmerken op het achterplan verdwijnen
4. Stereotypering
- Toeschrijven van persoonlijkheidskenmerken (zonder verschillen tussen individuen-
- (Bv; domme blondjes, lln uit beroeps zijn onhandelbaar)
5. Vooroordeel
= Veralgemenen kan worden doorgegeven of door ervaringen
6. Contrasteffect
- Verschil tussen mensen is sterk -> veel verschillen
- 4 voorgaande lln geen goede beoordeling -> volgende lln die iets beter is: beter beoordelen
7. Klooneffect
- Andere personen -> waar we onszelf in herkennen: als positief waarderen
8. Selffulfilling Prophecy
- Manier waarop we ons gedragen tegenover anderen -> wij gaan uit van het beeld dat we
ons van hem/haar hebben gevormd
- Verwachting van zijn toekomstig gedrag
Rosenthal & Jacobson -> wat waren de verwachtingen van hun lln? -> onderzoek
9. Cognitieve dissonantie
= Tegenstrijdigheid
- Ervaringen met gevarieerde situaties -> juister beeld over persoonlijkheid KAN ZIJN: dit
gedrag, tegenstrijdig met het beeld dat we al hebben over die persoon
- Onprettig gevoel -> 3 oplossingen: negeren van nieuwe informatie, voorval als éénmalig
beschouwen, beeld van de ander veranderen/aanpassen
10. Causale attributie
- Indrukken over iemand -> door observatie maar, proces van indruksvorming: bepaald door
de oorzaken waaraan mensen het gedrag van zichzelf en anderen toeschrijven
- Attributietheorie: studie hoe mensen het gedrag van zichzelf (zelfperceptie) en het gedrag
van anderen (sociale perceptie) oorzakelijk verklaren