1. Structuralisme
- Centraal: Sociale structuur
◼ Sociale eenheden / groepen
▪ Landen, gezinnen, bedrijven, vrienden, …
◼ Sub-eenheden / delen
▪ Dorpen, gezinsleden, …
◼ Posities in nemen ten opzichte van elkaar
▪ Vader, moeder, kind
◼ Relaties
▪ Zijn democratisch
▪ Er zijn rol verwachtingen
➔ staan allemaal boven het individu
◼ Structurele factoren = kenmerken eenheden
◼ Vorm sociale eenheid
◼ Omvang, samenstelling (aantal supporters, aantal spelers, grootte
staf…)
◼ Aard relaties
◼ Autoritair versus democratisch, (in)formeel
◼ Normatieve elementen
◼ Waarden, clubregels…
◼ Gemiddelde waarden van individuele kenmerken
◼ Gemiddelde intelligentie, motivatie, …
- Structurele parameters = kenmerken ‘delen’
◼ Posities en rollen
◼ Voorzitter, trainer, speler, …
◼ → ook bovenindividuele zaken
◼ Het is niet individueel bepaald
◼ Overstijgt de persoon die het invult
1
,◼ Contextuele kenmerken
◼ Kenmerken van omgeving van sociale eenheden
◼ hoofdstad versus provincie, rijk en groot land…
- Principe 1. autonoom karakter van sociale eenheden
◼ Staan los van het individu
◼ → functie immuun voor wisseling personeel
◼ Sociale feiten: onpersoonlijk & bovenindividueel factoren die aanwezig
zijn en toch een invloed hebben op ons leven
◼ Bv. Anderlecht wordt beschouwd als academische voetbal ongeacht
welke spelers er zijn (ze worden zo al 40j genoemd)
◼ Principe 2. sociale feiten zijn dwingend
◼ Zelfde positie in zelfde sociale eenheid → zelfde gedrag
◼ Bv. Een trainer lijkt gestrest, maar moesten we daar staan dan
zouden we hetzelfde zijn
◼ Zelfde structurele factoren → zelfde gedrag
◼ Bv. Mensen die in een fabriek hard moeten werken tegen een lage
loon zullen in opstand komen, in gelijk welke fabriek dit dan ook is
◼ Sub-eenheden → beïnvloeden elkaar
◼ Principe 3. Percepties = ‘irrelevant’
◼ Sociale feiten toch autonoom en dwingend, wat maken dan de gevoelens
en behoeften van mensen uit
◼ Je ondergaat de impact van die sociale feiten
◼ Principe 4.
◼ Structurele factoren: gerelateerd met elkaar
◼ = “het sociale door het sociale verklaren”
2
, ◼ Landelijk/industriestad: minder rijk, provincialistisch →
Werkvoetbal
◼ Hoofdstedelijk: rijk, cultureel ontwikkeld → Academisch voetbal
Toepassing: diversiteit en integratie
◼ Structurele parameters
◼ Nominaal: geen inherente rangorde (religie)
◼ Gradueel: wel inherente rangorde (inkomen)
➔ Bv. Een ongelijk verband met roken en de beroepen = gradueel
◼ → Differentiatie?
◼ → Integratie? → Hoe zijn de onderlinge relaties?
- Veel differentiatie
Toepassing
◼ Veel differentiatie → meer integratie
◼ Relatie tussen nominale en graduele?
◼ → weinig integratie → kastevorming
1. Structuralisme
◼ Structurele parameters & factoren
◼ → meenemen in onderzoek
◼ Die kenmerken hebben namelijk een invloed op ons gedrag
3