Weefsels
B1/6 – Plaveiselcellen van het wangslijmvlies
- Wordt gemaakt door cellen van de binnenzijde van de wang af te schrapen en
uit te strijken op een draagglas.
- Na drogen worden de cellen gekleurd met Diff Quick. Het preparaat wordt
daarna aan de lucht gedroogd en
ingesloten.
- De waargenomen wangcellen zijn sterk
afgeplatte plaveiselcellen met een
spiegeleivorm.
- Soms zijn kleine, felblauw gekleurde,
staafvormige structuren zichtbaar:
bacteriën
- Ook kunnen ronde cellen met een
gesegmenteerde kern voorkomen: dit zijn witte bloedcellen.
B2/7 – Trachea(luchtpijp) – varken – trichroom + masson
- Preparaat B2/7 is een doorsnede van de trachea en de oesophagus van een
varken.
- De trachea is herkenbaar aan de stevige kraakbeenringen (cartilago trachealis).
- Deze kraakbeenringen voorkomen dat de trachea dichtklapt tijdens het
uitademen.
- Het lumen van de trachea is bekleed met epitheel dat trilhaardragende cellen
bevat.
- De trilharen bewegen
verontreinigingen in de richting van
de mondholte.
- De kernen van deze cellen zijn
meestal langwerpig en liggen op
verschillende hoogtes.
- Daarnaast zijn er basale
vervangcellen aanwezig om
beschadigde cellen te vervangen.
- Het trachea-epitheel is een
pseudomeerlagig cilindrisch epitheel
met slijmbekercellen
Tunica mucosa
Epitheel: pseudomeerlagig cilindrisch
epitheel met slijmbekercellen en ciliën.
Lamina propria: onregelmatig dicht
bindweefsel s.s.
Tela submucosa: onregelmatig dicht
bindweefsel s.s.
,Tunica adventitia: losmazig bindweefsel s.s.
Musculus trachealis: glad spierweefsel
Glandulae tracheales: seromuceuze klieren
Cartilago trachealis: hyalien kraakbeen
B2/7 – Oesophagus(slokdarm) – varken – trichroom + masson
- In de oesophagus wordt het lumen bekleed door het epitheel, de lamina
epithelialis.
- Dit bedekkend epitheel beschermt de onderliggende cellageen tegen
beschadiging.
- Samen met het onderliggende
bindweefsel, de lamina propria, vormt
het de tunica mucosa.
- De tunica muscularis is een dikke
spierlaag die de voedselbolus naar de
maag voortstuwt.
- De buitenste laag is de tunica
adventitia, die bloedvaten,
zenuwbundels en vetcellen kan
bevatten.
- De lamina epithelialis van de
oesophagus bestaat uit meerlagig onverhoornd plaveiselepitheel.
Tunica mucosa
Epitheel: meerlagig onverhoornd
plaveiselepitheel
Lamina propria: dicht onregelmatig
bindweefsel s.s.
Tela submucosa: losmazig bindweefsel s.s.
Tunica muscularis: skeletspierweefsel
Tunica adventitia: losmazig bindweefsel s.s.
Glandulae oesphageales: muceuze klieren,
tubulair, samenhangend
B2/8 – skeletspier – rat – AZAN
- Een skeletspier is opgebouwd uit spierbundels, die bestaan uit spiercellen
(spiervezels). Spiercellen zijn lange,
cilindervormige, veelkernige
reuscellen.
- Een skeletspier is een
dwarsgestreepte spier.
, - Men onderscheidt donkere A-banden en lichte I-banden.
- Deze dwarsstreping ontstaat door de organisatie van de myofibrillen in de
spiercel. Myofibrillen vertonen zelf ook een regelmatige dwarsstreping.
- Een spiercel bevat myofibrillen die evenwijdig in de lengterichting liggen.
Pees: dicht regelmatig collageen bindweefsel
Spierweefsel: skeletspierweefsel
B3/1 – myoneurale synaps – goudchloride
- B3/1 toont de synaps tussen een motorische zenuwvezel en spiercellen. De
synaps is de plaats waar de signaaloverdracht van zenuw naar spier gebeurt.
- Door goudchloride-impregnatie kleurt het zenuwweefsel zwart.
- De zenuwvezel behoort tot een motorisch neuron. Distaal vertakt de zenuwvezel
zich in kleine knobbeltjes. Deze knobbeltjes vormen samen de motorische
eindplaat.
- De motorische eindplaat bestaat uit meerdere eindknopjes.
Type neuronen naargelang functie en
morfologie: motorisch en multipolair
Spierweefsel: skeletspierweefsel
C1/13 – bloed – humaan – may-grunwald-giemsa
- Bloedvaten komen voor in de meeste weefsels. Arteriën (slagaders) voeren
bloed weg van het hart. Venen (aders) voeren bloed terug naar het hart.
- Arteriën worden ingedeeld in grote en
middelgrote arteriën; de kleinste heten
B1/6 – Plaveiselcellen van het wangslijmvlies
- Wordt gemaakt door cellen van de binnenzijde van de wang af te schrapen en
uit te strijken op een draagglas.
- Na drogen worden de cellen gekleurd met Diff Quick. Het preparaat wordt
daarna aan de lucht gedroogd en
ingesloten.
- De waargenomen wangcellen zijn sterk
afgeplatte plaveiselcellen met een
spiegeleivorm.
- Soms zijn kleine, felblauw gekleurde,
staafvormige structuren zichtbaar:
bacteriën
- Ook kunnen ronde cellen met een
gesegmenteerde kern voorkomen: dit zijn witte bloedcellen.
B2/7 – Trachea(luchtpijp) – varken – trichroom + masson
- Preparaat B2/7 is een doorsnede van de trachea en de oesophagus van een
varken.
- De trachea is herkenbaar aan de stevige kraakbeenringen (cartilago trachealis).
- Deze kraakbeenringen voorkomen dat de trachea dichtklapt tijdens het
uitademen.
- Het lumen van de trachea is bekleed met epitheel dat trilhaardragende cellen
bevat.
- De trilharen bewegen
verontreinigingen in de richting van
de mondholte.
- De kernen van deze cellen zijn
meestal langwerpig en liggen op
verschillende hoogtes.
- Daarnaast zijn er basale
vervangcellen aanwezig om
beschadigde cellen te vervangen.
- Het trachea-epitheel is een
pseudomeerlagig cilindrisch epitheel
met slijmbekercellen
Tunica mucosa
Epitheel: pseudomeerlagig cilindrisch
epitheel met slijmbekercellen en ciliën.
Lamina propria: onregelmatig dicht
bindweefsel s.s.
Tela submucosa: onregelmatig dicht
bindweefsel s.s.
,Tunica adventitia: losmazig bindweefsel s.s.
Musculus trachealis: glad spierweefsel
Glandulae tracheales: seromuceuze klieren
Cartilago trachealis: hyalien kraakbeen
B2/7 – Oesophagus(slokdarm) – varken – trichroom + masson
- In de oesophagus wordt het lumen bekleed door het epitheel, de lamina
epithelialis.
- Dit bedekkend epitheel beschermt de onderliggende cellageen tegen
beschadiging.
- Samen met het onderliggende
bindweefsel, de lamina propria, vormt
het de tunica mucosa.
- De tunica muscularis is een dikke
spierlaag die de voedselbolus naar de
maag voortstuwt.
- De buitenste laag is de tunica
adventitia, die bloedvaten,
zenuwbundels en vetcellen kan
bevatten.
- De lamina epithelialis van de
oesophagus bestaat uit meerlagig onverhoornd plaveiselepitheel.
Tunica mucosa
Epitheel: meerlagig onverhoornd
plaveiselepitheel
Lamina propria: dicht onregelmatig
bindweefsel s.s.
Tela submucosa: losmazig bindweefsel s.s.
Tunica muscularis: skeletspierweefsel
Tunica adventitia: losmazig bindweefsel s.s.
Glandulae oesphageales: muceuze klieren,
tubulair, samenhangend
B2/8 – skeletspier – rat – AZAN
- Een skeletspier is opgebouwd uit spierbundels, die bestaan uit spiercellen
(spiervezels). Spiercellen zijn lange,
cilindervormige, veelkernige
reuscellen.
- Een skeletspier is een
dwarsgestreepte spier.
, - Men onderscheidt donkere A-banden en lichte I-banden.
- Deze dwarsstreping ontstaat door de organisatie van de myofibrillen in de
spiercel. Myofibrillen vertonen zelf ook een regelmatige dwarsstreping.
- Een spiercel bevat myofibrillen die evenwijdig in de lengterichting liggen.
Pees: dicht regelmatig collageen bindweefsel
Spierweefsel: skeletspierweefsel
B3/1 – myoneurale synaps – goudchloride
- B3/1 toont de synaps tussen een motorische zenuwvezel en spiercellen. De
synaps is de plaats waar de signaaloverdracht van zenuw naar spier gebeurt.
- Door goudchloride-impregnatie kleurt het zenuwweefsel zwart.
- De zenuwvezel behoort tot een motorisch neuron. Distaal vertakt de zenuwvezel
zich in kleine knobbeltjes. Deze knobbeltjes vormen samen de motorische
eindplaat.
- De motorische eindplaat bestaat uit meerdere eindknopjes.
Type neuronen naargelang functie en
morfologie: motorisch en multipolair
Spierweefsel: skeletspierweefsel
C1/13 – bloed – humaan – may-grunwald-giemsa
- Bloedvaten komen voor in de meeste weefsels. Arteriën (slagaders) voeren
bloed weg van het hart. Venen (aders) voeren bloed terug naar het hart.
- Arteriën worden ingedeeld in grote en
middelgrote arteriën; de kleinste heten