H0 Inleiding 2 doelen naast leerstof
1) Perspectief veranderen (meer positief denken!)
2) Niet laten beïnvloeden door vooroordelen
Mensen hebben Bv1: Mapo-Brug Seoul (zelfmoordbrug)
andere mensen ->maatregelen: quotes & foto’s, averechts effect
nodig want meer zelfmoord als resultaat
->hoe komt dit? Maatregelen hebben brug juist
meer in aandacht gebracht (mensen ideeën
geven), daarnaast zouden louter quotes niet helpen
(komt sarcastisch over)
->hulp van andere mensen nodig
Bv2: weeshuis, opgroeien met totale sociale
deprivatie
->resultaat: geïsoleerde weeskinderen andere
hersenstructuur (minder ontwikkeld)
Sociale paradox =er in een tegenstelling in de mens: we hebben
elkaar nodig maar kiezen vaak om geen connectie
te hebben
Bv: in lege trein nooit naast vreemde zitten
->experiment: mensen verplicht babbelen, achteraf
meer positief dan ze dachten
Kern soc. psy. (SP) Anderen hebben invloed op ons
->brede zin (zowel pos als neg)
Ruimtes waarin we ons veilig voelen
->intieme ruimte (familie, lief,…): als kennis zo
dicht, ongemakkelijk (elkaar non-verbaal
beïnvloeden)
->persoonlijke ruimte: kennissen & vrienden
Deels cultureel, deels neurologisch (amygdala
reguleert besef hoe dicht je kan gaan, als die
beschadigd bv: vrouw voelt geen gevaar aan)
0.1. Wat is SP?
Uitleg def SP 1) Gedachten, gevoelens, handelingen
->overt/covert
->invloed op hoe we ons gedragen, voelen & (over
onszelf) denken
Bv: meisje denkt: ik wordt uitgelachen (kan echter
evengoed zijn dat ze het niet over haar hebben)
Gevolgen (invloed anderen op covert & overt)
->gedrag: trui niet meer dragen
->onzeker voelen
->”ik ben belachelijk”
1
,SOCIALE PSYCHOLOGIE deel 1 (SP)
2) 3 soorten invloed/aanwezigheid
1. Fysiek/feitelijk
=louter aanwezigheid andere kan invloed hebben
Bv: rugzaktoerist (na aanslagen, vermijdelijk gedrag
puur door aanwezigheid rugzaktoeristen)
2. Voorgesteld
=je beeld je hun reactie/invloed in
Bv: shoppen (kleedje passen “zou hij leuk vinden?”:
misschien niet kopen daardoor)
3. Impliciet/onrechtstreeks
Bv: aan kassa snoep (neiging dit kopen)
->onrechtstreekse invloed v. mensen die snoep daar
gelegd hebben (mensen zelf niet daar)
Onderscheid Tussen fundamentele & toegepaste SP
->sterk verbonden met elkaar
0.2.Uitgangspunten SP (basisfundamenten)
1) Situationele -Verklaring zoeken in de context (gedrag sterk
gedragsdeterminan beïnvloed door situatie waarin individu zich
ten bevindt)
-Onderzocht in andere disciplines
->differentiële psy.: DISPOSITIONISME
=eigenschappen in onze persoonlijkheid die gedrag
bepalen)
Bv: oorzaak medemens niet helpen is dat hij egoïstisch
is; SP zegt “ook andere factoren”
->SP: SITUATIONISME
=oorzaak ligt in de context (niet geholpen omdat
veel andere aanwezigen “iemand anders zal
helpen”)
Oorzaak zoeken context: maar men moet
verantwoordelijkheid opnemen
(verklaren≠goedkeuren)
->INTERACTIONISME
=combo dispositioneel & SP (sommige mensen
helpen sneller dan anderen & hang af: hoe
erg/duidelijk noodsituatie,…)
->nog meer disciplines
2) Verklaren via Dierenonderzoek (dieren gebruiken voor algemene
experimenteel conclusies)
onderzoek Bv: kakkerlakken zelfde gedrag mens (ivm lagere
cognitieve processen, niet te ingewikkeld)
<->biomedisch dierenonderzoek (hier gebruik
2
,SOCIALE PSYCHOLOGIE deel 1 (SP)
dieren als gebruik mensen niet ethisch)
Kennisopbouw: meerdere experiment over zelfde
doen, kennis verandert
->doel: gedrag voorspellen & begrijpen (oorzaak-
gevolg relaties leggen)
3) SP <-> Gezond verstand/mensenkennis/intuïtie≠SP
mensenkennis ->intuïtieve kennis: te pas & onpas gebruikt als
verklaring (als het je uitkomt)
->SP zoekt een wetenschappelijke verklaring
(stellingen niet zomaar als waar aannemen, maar
doen onderzoek)
-3 grote verschillen SP & mensenkennis
Systematisch (alle Eenzijdige selectie
relevante info (gebaseerd op 1
zoeken, bv: ervaring)
steekproef)
Objectief (onderzoek Subjectief (waarheid
staat los van de hangt af v. persoon
onderzoeker) tot persoon)
Gecontroleerd Onderhevig aan
storende factoren
-Beide intuïtie & SP kunnen waar of onwaar zijn,
maar onderzoek zorgt voor kritische reflectie op
stellingen
Extra -Rol v. waarden in het onderzoek
->onderzoekers=mensen, sowieso waarden
meespelen: belangrijk om die waarden expliciet te
maken (zodat men kritisch kan nadenken over
invloed ervan)
H1 Methodes v. sociaalpsychologisch onderzoek
1. Algemeen
Methodes -Uitgelegd vanuit perspectief sociaal psycholoog
-3 manieren om bij SP meer te weten te komen
over gedrag v. mensen
->niet per se voorkeur tussen methoden, hangt af
onderzoeksonderwerp
1.1. Beschrijvende methode
Wat? =gegevens VERZAMELEN (bepaald gedrag mensen
begrijpen)
->observatie & zelfbeschrijvingen
1.1.1. Observatie
3
, SOCIALE PSYCHOLOGIE deel 1 (SP)
Observeren =weten: hoe & waarom gedragen mensen zich op
een bepaalde manier (wanneer gedrag, waarom,…)
Voor- & nadelen Voordeel: sowieso goede ecologische validiteit
(goed overeenkomen werkelijkheid)
Nadeel:
->hoe lang voordat je iets observeert?
->geen conclusies mogelijk over oorzaak gedrag
(kan gedrag vaststellen maar weet niet waarom)
Bv Doel=fietsers & voetgangers minder door het rood
wachtverzachters laten stappen: soort aftelsysteem bij rode lichten
+werking brein (voorspelbaarheid, je wilt controle &
zekerheid hebben)
->onderzoek over wachtverzachters: observatie
gedrag (opschrijven: hoeveel mensen blijven
wachten, hoeveel niet ->zo weten: werkt het of
niet)
1.1.2. Zelfbeschrijvingen
Wat? Letterlijk vragen aan mensen “Hoe voel je je
daarbij, wat oorzaak gedrag,…”
->nadelen:
1. Men weet niet altijd reden waarom dat gedrag
2. Antwoord op vraag=gecontroleerd
<-> instinctief, niet doordacht gedrag
Wanneer 1) Coverte processen
zelfbeschrijvingen =wat we niet direct kunnen waarnemen (bv:
zinvol? voorkeuren, afkeren, gedachten, gevoelens,…)
->duidelijker zicht hierop als je gewoon vraagt aan
mensen
2) Zeldzame overte gedragingen
Via vragenlijst zeldzaam gedrag toch onderzoeken
bv: scheidingsfeest: onderzoeken door oa naar persoon
in kwestie een vragenlijst te sturen
Voorwaarden 1) Pp moet gedrag kunnen beschrijven
toepassen 2) Moet gelegenheid krijgen om te beschrijven
3) Moet willen beschrijven
->sociale normen lokken problemen hierbij uit
(aanpassen aan de sociale wenselijkheid)
Beperkingen 1) Niet altijd kunnen beschrijven (soms vergeten
zelfbeschrijvingen waarom, niet in staat tot correct beschrijven,…)
bv: Yellow Walkman: onderzoek Sony, “Zou geel succes
hebben?”
-Stellen vragen focusgroep, (kleine groep pp): zij zeer
positief over gele walkman
4