Samenvatting Boek
HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEGINSELEN EN GRONDSLAGEN VAN DE RECHTEN VAN DE MENS
1.INLEIDING
Afhankelijk van de benadering zal de term anders worden ingevuld.
→ Toch bestaat er een gemeenschappelijke, overkoepelende noemer die het begrip herleidt tot ‘rechten eigen aan
het mens-zijn’.ten wil
2.MENSENRECHTEN: EEN BEGRIP
2.1 DEFINITIE
Mensenrechten
= fundamentele waarden die niet mogen worden aangetast – noch door de staat, noch door andere individuen – en
die aan mensen, ongeacht geslacht, huidskleur, ras, godsdienstige overtuiging en rijkdom, omwille van hun
‘menselijke waardigheid’ rechten toekennen.
→ Deze menselijke waardigheid heeft tot gevolg dat mensenrechten niet worden toegewezen, maar dat men ze als
mens eenvoudigweg bezit.
→ Iedereen geniet dezelfde rechten omwille van het louter feit mens te zijn.MAAR de praktijk wijst uit dat dit vaak
niet het geval is.
• Vb. de internationaal erkende gelijkheid van man en vrouw.
Individuen zijn niet langer de enige actoren op internationaal vlak die mensenrechten kunnen inroepen, ook groepen
van mensen of rechtspersonen kunnen zich beroepen op mensenrechten.
• vb. recht op zelfbeschikking van een bevolkingsgroep
• vb. ondernemingen genieten bescherming tegen onrechtmatige invallen in bedrijfsruimtes (artikel 8 EVRM).
→ Niet alle mensenrechten lenen zich echter tot een dergelijke oefening.
• vb. het recht om niet gefolterd te worden.
2.2 DE AARD VAN MENSENRECHTEN
Mensenrechten genieten vaak een bijzondere status in het recht.
Wat maakt deze rechten zo verschillend van andere rechten?
1. Nauwer verweven met de politiek.
2. Juridische verschillen met betrekking tot de manier waarop mensenrechten worden toegepast.
Mensenrechten worden in het internationaal recht vaak erkend via verdragen.
→ verschillen op sommige vlakken echter van de klassieke internationale verdragen ten gevolge van de eigenheid
van mensenrechten:
• Mensenrechtenverdragen zijn opgesteld ten dienste van het algemeen belang
→ deze verdragen zijn eerder gericht naar het creëren van staatsplichten ten opzichte van het individu,
waardoor het principe van wederkerigheid tussen staten slechts een kleine rol speelt.
• De verdragspartijen zijn de voornaamste schenders van mensenrechten.
• Staten spelen een voorname rol in procedures die ertoe gericht zijn toezicht te houden op de toepassing van
desbetreffende mensenrechtenverdragen.
• In dergelijke mensenrechtenverdragen komen de staten onderling overeen mensenrechten niet te schenden
en dragen zichzelf op elkaar in het oog te houden.
,Voorbehouden/reserves:
Volgens het Weens Verdragenverdrag (1969) moet elk voorbehoud aan 2 voorwaarden voldoen om bindend en
tegenwerpelijk te zijn:
• Het voorbehoud mag niet ongeldig zijn
• Het moet aanvaard worden door de andere verdragspartijen
Artikel 19 (c) stelt dat een voorbehoud mag geformuleerd worden, tenzij de reserve onverenigbaar is met het
voorwerp en het doel van het verdrag.
→ mag het voorwerp van het verdrag niet uithollen.
De ILC (International Law Commission) stelt dat in het geval van een voorbehoud bij een mensenrechtenverdrag er
onder andere rekening gehouden moet worden met de ondeelbaarheid, onderlinge onafhankelijkheid en
verwevenheid van de rechten in het verdrag.
• Meningsverschillen
Het VN-Mensenrechtencomité is van mening dat het Weens Verdragenverdrag niet geschikt is voor de regeling van
voorbehouden bij mensenrechtenverdragen.
• vb. de reserves gemaakt bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen
(CEDAW).
→ de vraag kan gesteld worden of deze voorbehouden, die ertoe strekken vrouwen verschillende van de aan
de mannen erkende rechten te ontnemen, het mensenrechtenverdrag uiteindelijk niet volledig uithollen.
Opzegging/terugtrekking:
Artikel 54-56 Weens Verdragenverdrag.
Het is echter niet helemaal duidelijk of deze bepalingen tevens van toepassing zijn op mensenrechtenverdragen.
→ Het VN-Mensenrechtencomité heeft immers het standpunt ingenomen dat staten het IVBPR niet kunnen
opzeggen (IVBPR bevat geen bepaling aangaande opzegging).
• Wanneer er bij de opstelling van het mensenrechtenverdrag geen specifieke bepaling hieromtrent werd
ingelast, hadden de opstellers niet de intentie deze mogelijkheid te voorzien.
• Indien er toch dergelijke bepaling werd voorzien, wordt de opzegging van het mensenrechtenverdrag wel als
mogelijkheid voorzien.
• Statenopvolging:
Wanneer een staat uiteenvalt of wanneer een entiteit zich succesvol afsplitst van een bestaande staat.
• → ‘clean slate’-beginsel: de nieuwe staat moet eerst de wil uiten om zich door deze verplichtingen te laten.
→ UITZONDERING: mensenrechtenverdragen
• Mensenrechtenverdragen houden immers geen rechtstreekse belangen voor staten in, maar de rechten
vervat in dergelijke verdragen zijn van toepassing op de burgers van een staat.
• Sommige mensenrechten behoren tot de categorie van jus cogens-normen, waardoor ze eveneens een
bijzondere status ten aanzien van andere rechten toegewezen krijgen.
= normen die van zulk doorslaggevend belang zijn voor de bescherming van de belangen van de
internationale gemeenschap als een geheel, dat iedere staat erdoor gebonden wordt, ongeacht zijn
instemming, en daarvan nimmer mag afwijken.
= erga omnes-verplichtingen
vb. verbod op genocide, piraterij, slavernij en foltering.
→ Regels die daarmee in strijd zijn, zijn nietig.
Ingrijpen door een andere staat bij mensenrechtenschendingen?
Bij grootschalige mensenrechtenschendingen die in een staat begaan zijn, kunnen andere staten een rechtsvordering
instellen tegen de eerste staat met de bedoeling de schending ongedaan te maken. Dit zal niet als een
ongeoorloofde inmenging in de interne aangelegenheden beschouwd worden.
→ Kan in dergelijke gevallen ook gebruik van geweld gemaakt worden?
Dit kan slechts in 2 gevallen rechtmatig volgens het VN-Handvest:
, 1. Als het toegelaten is door de VN-Veiligheidsraad
2. Ingeval van individuele of collectieve zelfverdediging
3. Humanitaire interventie → zeer gecontesteerd!
2.3 KENMERKEN VAN MENSENRECHTEN
1. Het absoluut karakter van mensenrechten
Mogen door niemand worden geschonden en moeten door iedereen worden gerespecteerd.
→ Moet echter genuanceerd worden omdat er –weliswaar weinig – maar toch een aantal beperkingen bestaan,
waardoor de overheid of andere individuen mensenrechten niet noodzakelijk te allen tijde volledig moeten
respecteren.
2 belangrijke beperkingen:
Mensenrechten kunnen worden opgeschort naar aanleiding van het uitroepen van de noodtoestand.
In crisissituaties kan een staat, via het uitroepen van de noodtoestand, de opschorting van bepaalde rechten
afkondigen. Bij het uitroepen van dergelijke noodtoestand kunnen ook mensenrechten worden opgeschort,
waardoor er afbreuk wordt gedaan aan hun absoluut karakter.
→ Dit kan echter enkel op grond van een wettelijke bepaling, zoals onder meer voorzien in artikel 4 lid 1 IVBPR (ook
in EVRM en Amerikaanse Conventie inzake mensenrechten)
→ Het Afrikaans Handvest inzake Mensen- en Volkenrechten erkent dit niet.
1. → Er bestaat ook een categorie van mensenrechten waar nooit vanaf mag worden geweken: artikel 15 lid 2
EVRM, artikel 4 IVBPR, artikel 27 Amerikaanse Conventie
→ in de praktijk wordt het niet-afwijkbare karakter van deze rechten soms in vraag gesteld.
2. Zij kunnen onderworpen zijn aan de leer van de legitieme beperkingen.
De beperking is echter de uitzondering en dient dus steeds restrictief geïnterpreteerd te worden.
→ Bovendien is dergelijke beperking enkel toegestaan indien deze het recht niet uitholt en voldoet aan de
opgelegde voorwaarden.
= ‘limitation clauses’ of beperkingsclausules
Om na te gaan of er bepaalde recht beperkt mag worden en onder welke voorwaarden, dient naar de
verdragsbepaling gekeken te worden die het mensenrecht in kwestie erkent.
→ voorwaarden:
o Bij wet voorzien
o Legitiem doel
o Noodzakelijk in een democratische samenleving (proportionaliteit)
Het absoluut karakter van mensenrechten kan niet enkel worden afgezwakt door wettelijke bepalingen, maar ook
door een ander mensenrecht.
= ‘botsing van mensenrechten’
→ Dan is het aangewezen om deze rechten tegen elkaar af te wegen obv het proportionaliteitsbeginsel.
2. Het universeel karakter van mensenrechten
→ zijn inherent aan het mens-zijn.
* Universalisten: ‘Mensenrechten zijn overal en altijd gelijk, ongeacht de specifieke culturele of regionale waarden
en gebruiken’.
* Cultuurrelativisten: Stellen de inhoud en het bestaan van bepaalde rechten afhankelijk van een bepaalde culturele
en/of religieuze context.
Vele mensenrechtenactivisten betwisten de theorie van het cultuurrelativisme. Ze beschouwen deze als een
voorwendsel om de naleving van mensenrechten te ontduiken.
De kritiek op het universele karakter van mensenrechten hangt vaak samen met de algemene verwerping van de
westerse dominantie.
• Om tegemoet te komen aan zowel het idee van het universalisme, als die van het cultuurrelativisme, wordt
tegenwoordig aangenomen dat mensenrechten universeel zijn als algemene normen, maar dat op het
, niveau van de toepassing en de interpretatie rekening moet gehouden worden met de eigen waarden van de
specifieke cultuur of regio.
→ Er wordt dus een soort culturele invulling gegeven van de universele normen.
3. Het onvervreemdbaar karakter van mensenrechten
De veronderstelling dat mensenrechten inherent zijn aan het mens-zijn, heeft tot gevolg dat men deze rechten niet
kan ‘verliezen’, MAAR:
− Men kan (tijdelijk) uit bepaalde rechten ontzet worden (na een eerlijk proces)
− De mogelijkheid om afstand te doen van je rechten (vb. euthanasie)
4. Het ondeelbaar karakter van mensenrechten
Alle mensenrechten zijn van gelijke waarde en kunnen niet in een hiërarchische volgorde geplaatst worden, noch
kunnen staten beslissen welke mensenrechten ze al dan niet beschermen.
Hier nauw mee samenhangend is de verwevenheid van mensenrechten. Hieronder wordt verstaan dat de
verwezenlijking van burgerlijke en politieke rechten de realisatie van economische, sociale en culturele rechten
bevordert en vica versa.
2.4 GENERATIES MENSENRECHTEN
1) De burgerlijke en politieke rechten
2) De economische, sociale en culturele rechten
3) De collectieve en solidariteitsrechten
Kritiek op deze onderverdeling:
• Zou de indruk kunnen wekken dat nieuwe generaties mensenrechten de oudere generaties onnodig maken.
• Mensenrechten zijn ondeelbaar en onderling afhankelijk.
• Zou het misverstand kunnen wekken dat er wordt gesproken van een derde generatie mensenrechten
omdat de twee vorige gerealiseerd zouden zijn.
• Het is voor sommige rechten niet mogelijk om ze strikt te verdelen in een bepaalde generatie
mensenrechten.
1. De burgerlijke en politieke rechten
De politieke rechten omvatten de verwezenlijking van collectieve vrijheid door politieke deelname, de burgerlijke
rechten de bescherming van de individuele vrijheid.
Op internationaal vlak zijn deze rechten hoofdzakelijk vervat in het IVBPR. Ook:
− ICERD
− CEDAW
− Het Verdrag tegen foltering en andere wrede onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (CAT)
− CRC
• Onthoudingsplicht voor staten:
Houdt in dat de staat zich moet onthouden van inbreuken in het privédomein van de burger, behoudens
wettelijk vastgestelde beperkingen.
• Bepaalde bepalingen vragen aan de verdragsstaten om de nodige stappen te ondernemen om de effectieve
uitvoering van de rechten te verzekeren.
• Naast de onthoudingsplicht en een zeker aantal positieve plichten, heeft de staat ook een garantieplicht.
Deze garantieplicht kan gekoppeld worden aan de ‘snelheid’ waarmee burgerlijke en politieke rechten
verwezenlijkt dient te worden (garantieplicht) omdat de realisatie van onthoudingen geen tijd en kosten zou
vergen. → geleidelijke verwezenlijking voor economische, sociale en culturele rechten
Afdwingbaarheid:
Deze rechten kunnen voor de rechter worden ingeroepen, omdat ze voldoende duidelijk en precies geformuleerd