VERDIEPING IN SPECIFIEKE (ZELF)ZORGBEHOEFTEN : FARMACOLOGIE EN
PROFESSIONELE IDENTITEIT
CARDIOVASCULAIRE MEDICATIE
Algemeen:
Cardiovasculaire ziektes:
- Hyperlipidemie en artherosclerose
- Myocardiaal infarct en angina pectoris
- Cardiale aritmieën
- Hartfalen, hartklep afwijkingen, cardiale infecties en hypertrofie
- Hypertensie
Wereldwijd: hoofdoorzaak van morbiditeit en mortaliteit
België: ± 31.000 doden/jaar en ± 754.000 Belgen leven met een
cardiovasculaire aandoening
Normale cardiovasculaire fysiologie
EDV = eindvulling
Cardiac output ≠ effectieve bloeddruk
1) Preload
- De lading/kracht op de hartspier net voor contractie de
rekbaarheid van myocard spierlengte (Frank Starling)
o Intern regelmachine van het hart
o Sacromeer = contractiele eenheid van spierweefsel (actine –
en myosine – filamenten
o Mate van uitrekking bepaald kracht van samentrekking (op
moment van elektrische activatie)
, - Inhoud van de hartkamer op het einde van de vullingsfase (eind
diastolisch volume – vullingstoestand van patiënt)
- Hoe beter de kamers gevuld zijn hoe beter het slagvolume
- Hypervolemie zorgt voor een afname van het slagvolume.
- Vulling bepaald of pt zijn optimale slagvolume kan bereiken.
- Beïnvloed door:
o Veneuze return
o Synchroniciteit (belang van atriale contractie)
o Hartritme (sinusritme)
o Pompactie van skeletspieren
o Distributie van bloedvolume
Lichaamshouding (trendelburg, etc.)
Intrathoracale druk (kunstmatige ventilatie,
hemothorax, etc.)
Pericardiale druk (tamponade)
Veneuze tonus capaciteitsvaten
2) Afterload
= weerstand waartegen het ventrikel moet leegpompen (SVR en PVR)
- Kracht waarmee ventrikel geconfronteerd
- Spanning aanwezig in de spiervezel na het begin de ejectie
(contractie)
- Bv.: pt met hartfalen door gebruik van vasopressoren de weerstand
nog groter wordt
- Toename afterload:
o Arteriële/pulmonale vasoconstrictie
o Chronische arteriële/pulmonale hypertensie
o Aortaklepstenose (zodanig verkalkt waardoor weerstand
immens groot is), aortaklepinsufficiëntie
o Leeftijd (wand van bloedvat)
o Septumhypertrofie
- Afname afterload:
o Vasodilatatie
3) Contractiliteit
= intrinsiek vermogen van de hartspier om samen te trekken en korter te
worden (los van preload of afterload)
- Beïnvloed door humorale, neurale (ortho- en parasympatisch ZS) en
farmacologische processen
- Excitatie-contractiekoppeling
= elektrische stimulus omgezet in mechanische contractie (normale
concentratie van ionen: Na+, K+ en Ca2+ noodzakelijk)
, oDepolarisatie (elektrisch): extracellulaire Ca2+ influx (via Ca-
kanalen)
o Triggert: vrijzetting intracellulaire Ca2+ opslag (Calcium-
geïnduceerde Ca2+ vrijzetting)
o Ca2+ bindt aan troponine C => leidt tot contractie
- Troponine = onderdeel van dunne filamenten van dwarsgestreept
spierweefsel
- Troponine complex (3 subunits):
o Troponine C (TnC): bindt aan Calcium en veroorzaakt een
conformationele verandering in Troponine I
o Troponine T (TnT): bindt aan tropomyosine om zo het
troponine-tropomyosine complex te vormen
o Troponine I (TnI): bindt aan actine om het troponine-
tropomyosine complex op zijn plaats te houden
- Troponine-tropomyosine complex rolt weg van myosine
bindingsplaats en maakt zo interactie tussen actine en myosine
Autonoom zenuwstelsel & cardiovasculair
- Orthosympatisch/sympatisch (fight or flight) = adrenerg systeem
o Invloed op atria en ventrikels
o α- en β-receptoren
o Neurotransmitters: NA, A
o Positief chronotroop, pos. dromotroop, pos. inotroop, pos.
bathmotroop, stijging CO en vasoconstrictie.
- Parasympatisch (rust) = cholinerg systeem
o Nervus vagus (remming hartactiviteit)
o Vnl. invloed op atria
o Negatief chronotroop & neg. dromotroop
o Geen effect op contractiliteit
Cardiovasculaire ‘controle’ centrum
- Hersenstam: medulla oblongata
- Functies:
o Regulatie hartfrequentie
, o Regulatie contractiliteit
o Regulatie vasculaire weerstand
o Bewaken arteriële bloeddruk
- Subgebieden:
o Vasomotorisch
Vasoconstrictiegebied
Stuurt excitatoire signalen naar sympatische
preganglionaire neuronen in ruggemerg
Vasodilatatiegebied
Inhibitie vasoconstrictiegebied
o Sensorisch gebied (Nuclues Tractus Solitarius)
Ontvangt afferente informatie uit:
Baroreceptoren (sinus caroticus, aortaboog):
meten van de interne BD.
Chemoreceptoren
Cardiopulmonale receptoren
Hogere hersencentra (limbisch systeem, cortex)
- = Centrale regelkamer
- Zorgt voor:
o Stabiele bloeddruk
o Snelle respons op plotse veranderingen
o Continue aanpassen van CO en SVR volgens metabole noden
o Integratie van autonoom en endocrien systeem (bv.
adrenaline-afgifte door emdulla)
Sympatisch zenuwstelsel: effect op alle bloedvaten, behalve capillairen!
Bij sympatische stimulatie:
- Vasoconstrictie kleine arteries en
- arteriolen => SVR ↑
=> bloedflow weefsels ↓ => herdistributie bloedflow => BD ↑
o -Minder naar huid, splanchnicusgebied en nieren
o + Meer naar hart, hersenen en skeletspieren
- Venen => bloedflow venen daalt (veneuze pooling ↓) => veneuze
retour ↑ => BD ↑
Signaal via medulla naar ruggenmerg, 2 effecten:
- Onmiddellijke actie (neurale repons)
o via norepinephrine
o (bv.: geblokkeerd door epidurale anesthesie => BD daling)
- Vertraagde actie (endocriene repons)
o via norepinephrine
o (bv.: geblokkeerd door epidurale anesthesie => BD daling)
Receptoren:
PROFESSIONELE IDENTITEIT
CARDIOVASCULAIRE MEDICATIE
Algemeen:
Cardiovasculaire ziektes:
- Hyperlipidemie en artherosclerose
- Myocardiaal infarct en angina pectoris
- Cardiale aritmieën
- Hartfalen, hartklep afwijkingen, cardiale infecties en hypertrofie
- Hypertensie
Wereldwijd: hoofdoorzaak van morbiditeit en mortaliteit
België: ± 31.000 doden/jaar en ± 754.000 Belgen leven met een
cardiovasculaire aandoening
Normale cardiovasculaire fysiologie
EDV = eindvulling
Cardiac output ≠ effectieve bloeddruk
1) Preload
- De lading/kracht op de hartspier net voor contractie de
rekbaarheid van myocard spierlengte (Frank Starling)
o Intern regelmachine van het hart
o Sacromeer = contractiele eenheid van spierweefsel (actine –
en myosine – filamenten
o Mate van uitrekking bepaald kracht van samentrekking (op
moment van elektrische activatie)
, - Inhoud van de hartkamer op het einde van de vullingsfase (eind
diastolisch volume – vullingstoestand van patiënt)
- Hoe beter de kamers gevuld zijn hoe beter het slagvolume
- Hypervolemie zorgt voor een afname van het slagvolume.
- Vulling bepaald of pt zijn optimale slagvolume kan bereiken.
- Beïnvloed door:
o Veneuze return
o Synchroniciteit (belang van atriale contractie)
o Hartritme (sinusritme)
o Pompactie van skeletspieren
o Distributie van bloedvolume
Lichaamshouding (trendelburg, etc.)
Intrathoracale druk (kunstmatige ventilatie,
hemothorax, etc.)
Pericardiale druk (tamponade)
Veneuze tonus capaciteitsvaten
2) Afterload
= weerstand waartegen het ventrikel moet leegpompen (SVR en PVR)
- Kracht waarmee ventrikel geconfronteerd
- Spanning aanwezig in de spiervezel na het begin de ejectie
(contractie)
- Bv.: pt met hartfalen door gebruik van vasopressoren de weerstand
nog groter wordt
- Toename afterload:
o Arteriële/pulmonale vasoconstrictie
o Chronische arteriële/pulmonale hypertensie
o Aortaklepstenose (zodanig verkalkt waardoor weerstand
immens groot is), aortaklepinsufficiëntie
o Leeftijd (wand van bloedvat)
o Septumhypertrofie
- Afname afterload:
o Vasodilatatie
3) Contractiliteit
= intrinsiek vermogen van de hartspier om samen te trekken en korter te
worden (los van preload of afterload)
- Beïnvloed door humorale, neurale (ortho- en parasympatisch ZS) en
farmacologische processen
- Excitatie-contractiekoppeling
= elektrische stimulus omgezet in mechanische contractie (normale
concentratie van ionen: Na+, K+ en Ca2+ noodzakelijk)
, oDepolarisatie (elektrisch): extracellulaire Ca2+ influx (via Ca-
kanalen)
o Triggert: vrijzetting intracellulaire Ca2+ opslag (Calcium-
geïnduceerde Ca2+ vrijzetting)
o Ca2+ bindt aan troponine C => leidt tot contractie
- Troponine = onderdeel van dunne filamenten van dwarsgestreept
spierweefsel
- Troponine complex (3 subunits):
o Troponine C (TnC): bindt aan Calcium en veroorzaakt een
conformationele verandering in Troponine I
o Troponine T (TnT): bindt aan tropomyosine om zo het
troponine-tropomyosine complex te vormen
o Troponine I (TnI): bindt aan actine om het troponine-
tropomyosine complex op zijn plaats te houden
- Troponine-tropomyosine complex rolt weg van myosine
bindingsplaats en maakt zo interactie tussen actine en myosine
Autonoom zenuwstelsel & cardiovasculair
- Orthosympatisch/sympatisch (fight or flight) = adrenerg systeem
o Invloed op atria en ventrikels
o α- en β-receptoren
o Neurotransmitters: NA, A
o Positief chronotroop, pos. dromotroop, pos. inotroop, pos.
bathmotroop, stijging CO en vasoconstrictie.
- Parasympatisch (rust) = cholinerg systeem
o Nervus vagus (remming hartactiviteit)
o Vnl. invloed op atria
o Negatief chronotroop & neg. dromotroop
o Geen effect op contractiliteit
Cardiovasculaire ‘controle’ centrum
- Hersenstam: medulla oblongata
- Functies:
o Regulatie hartfrequentie
, o Regulatie contractiliteit
o Regulatie vasculaire weerstand
o Bewaken arteriële bloeddruk
- Subgebieden:
o Vasomotorisch
Vasoconstrictiegebied
Stuurt excitatoire signalen naar sympatische
preganglionaire neuronen in ruggemerg
Vasodilatatiegebied
Inhibitie vasoconstrictiegebied
o Sensorisch gebied (Nuclues Tractus Solitarius)
Ontvangt afferente informatie uit:
Baroreceptoren (sinus caroticus, aortaboog):
meten van de interne BD.
Chemoreceptoren
Cardiopulmonale receptoren
Hogere hersencentra (limbisch systeem, cortex)
- = Centrale regelkamer
- Zorgt voor:
o Stabiele bloeddruk
o Snelle respons op plotse veranderingen
o Continue aanpassen van CO en SVR volgens metabole noden
o Integratie van autonoom en endocrien systeem (bv.
adrenaline-afgifte door emdulla)
Sympatisch zenuwstelsel: effect op alle bloedvaten, behalve capillairen!
Bij sympatische stimulatie:
- Vasoconstrictie kleine arteries en
- arteriolen => SVR ↑
=> bloedflow weefsels ↓ => herdistributie bloedflow => BD ↑
o -Minder naar huid, splanchnicusgebied en nieren
o + Meer naar hart, hersenen en skeletspieren
- Venen => bloedflow venen daalt (veneuze pooling ↓) => veneuze
retour ↑ => BD ↑
Signaal via medulla naar ruggenmerg, 2 effecten:
- Onmiddellijke actie (neurale repons)
o via norepinephrine
o (bv.: geblokkeerd door epidurale anesthesie => BD daling)
- Vertraagde actie (endocriene repons)
o via norepinephrine
o (bv.: geblokkeerd door epidurale anesthesie => BD daling)
Receptoren: