KRITISCHE EVALUATIE VAN
BRONNEN
EXTERNE BRONNENKRITIEK
We gaan nu over naar de tweede problematiek, namelijk ‘Hoe moet een historicus een bron
juist interpreteren en gebruiken?’
KLASSIEKE HISTORISCHE KRITIEK
EEN POSITIVISTISCHE ERFENIS
De klassieke principes van de historische kritiek vinden hun oorsprong in de 19e eeuw,
wanneer de geschiedenis als discipline zich als wetenschap begon te manifesteren.
Die principes zijn een erfenis van het positivisme, iets dat heel toonaangevend was in die
19e eeuw. Het positivisme bestond uit het idee dat er een kenbaarheid is van de
werkelijkheid en door middel van de juiste analysetechnieken kunnen we de wetmatigheden
kunnen blootleggen waaraan die werkelijkheid onderhevig is. Die periode was een tijd van
veel wetenschappelijke en technologische vooruitgang, dus nieuwe manieren om de
werkelijkheid te begrijpen.
Niet alleen in de exacte wetenschappen, maar ook in de sociale wetenschappen zal zich dat
idee ontwikkelen. De hedendaagse sociologie vond zijn opgang ook in deze periode. Op een
wetenschappelijke manier kon men dus patronen, gedrag… gaan verklaren.
De tegenhanger van het positivisme is het historisme, dat ook in die 19e eeuw wordt
uitgewerkt als dominant idee over hoe geschiedenis moet bedreven worden. Dat heeft te
maken met een context waarin geschiedenis o.a. een universitaire opleiding wordt. Er was
dus een nood aan professionalisering van de geschiedschrijving in de 19e eeuw.
Dat streven uit zich ook in de doelstelling van de geschiedenis: het verleden reconstrueren,
dus het opnieuw totstandbrenging van de geschiedenis. Geen eigen inbreng, maar de
geschiedenis heropbouwen. De bronnen laten spreken, dus! De methode moet sterk
wetenschappelijk zijn. Het ging in deze periode vooral om de klassieke en traditionele zaken
te reconstrueren: militaire en politieke gebeurtenissen. Bv. veldslagen
Bij het reconstrueren is een belangrijke taak weggelegd voor de juiste technische analyse
van bronnen. Dat betekent dat er in die opleidingen geschiedenis er een focus komt op het
kunnen analyseren van bronnen. Alle hulpwetenschappen krijgen dus een belangrijk
aandeel.
, LEOPOLD VON RANKE
Leopold von Ranke (1795-1886) is het grote boegbeeld van het historisme in de 19e eeuw.
Hij was heel invloedrijk in het intellectuele klimaat. Een belangrijk citaat van hem is: “Het is
de enige taak van de historicus om aan te tonen hoe het werkelijk was”. Volgens hem kan
dat enkel doen door de bronnen te laten spreken.
Dat conflicteert met ons schema dat we als richtlijn gebruiken. Het historisme ontkent de
problematieken. In essentie gaat het historisme maar uit van één probleem: Het is de taak
van een historicus om feiten te achterhalen en reconstrueren, en mits een goede kennis en
analyse van de bronnen kunnen we rechtstreeks bij de werkelijkheid van de bron komen
(positivisme). Het gaat ervan uit dat, dankzij die technische kennis, de reconstructie van de
feiten mogelijk is en tot de historicus komt.
Dat gedachtegoed is ondertussen niet
meer gangbaar. Ondanks die naïeve
visie, geeft het historisme wel bruikbare
inzichten over die relatie tussen bron en
onderzoeker i.v.m. de historische kritiek
en technische analyse om die bronnen
wetenschappelijk te kunnen
interpreteren en onderbouwen. De
methoden die ze hebben uitgewerkt
blijven dus zeer bruikbaar, maar de
theorie moet je wel kritisch benaderen.
7 PRINCIPES HISTORISCHE KRITIEK
In die 19e eeuw zijn er dus principes ontstaan van de historische kritiek die vandaag nog
gangbaar zijn. Die zijn ingedeeld in externe kritiek enerzijds (analyse van de bron als
voorwerp) en interne kritiek (analyse van de broninhoud) anderzijds.
De principes waren een positivistische erfenis, als handvat voor systematische kritische
evaluatie van bronnen.
In de periode waarin deze principes ontworpen werden, werden ze vooral gebruikt voor de
traditionele bronnen (geschreven bronnen). Vandaar de sterke invloed en uitwisseling met de
filologische traditie in de 19e eeuw. Dus oorspronkelijk lag de focus op teksten, maar eigenlijk
zijn de principes breed toepasbaar.
BRONNEN
EXTERNE BRONNENKRITIEK
We gaan nu over naar de tweede problematiek, namelijk ‘Hoe moet een historicus een bron
juist interpreteren en gebruiken?’
KLASSIEKE HISTORISCHE KRITIEK
EEN POSITIVISTISCHE ERFENIS
De klassieke principes van de historische kritiek vinden hun oorsprong in de 19e eeuw,
wanneer de geschiedenis als discipline zich als wetenschap begon te manifesteren.
Die principes zijn een erfenis van het positivisme, iets dat heel toonaangevend was in die
19e eeuw. Het positivisme bestond uit het idee dat er een kenbaarheid is van de
werkelijkheid en door middel van de juiste analysetechnieken kunnen we de wetmatigheden
kunnen blootleggen waaraan die werkelijkheid onderhevig is. Die periode was een tijd van
veel wetenschappelijke en technologische vooruitgang, dus nieuwe manieren om de
werkelijkheid te begrijpen.
Niet alleen in de exacte wetenschappen, maar ook in de sociale wetenschappen zal zich dat
idee ontwikkelen. De hedendaagse sociologie vond zijn opgang ook in deze periode. Op een
wetenschappelijke manier kon men dus patronen, gedrag… gaan verklaren.
De tegenhanger van het positivisme is het historisme, dat ook in die 19e eeuw wordt
uitgewerkt als dominant idee over hoe geschiedenis moet bedreven worden. Dat heeft te
maken met een context waarin geschiedenis o.a. een universitaire opleiding wordt. Er was
dus een nood aan professionalisering van de geschiedschrijving in de 19e eeuw.
Dat streven uit zich ook in de doelstelling van de geschiedenis: het verleden reconstrueren,
dus het opnieuw totstandbrenging van de geschiedenis. Geen eigen inbreng, maar de
geschiedenis heropbouwen. De bronnen laten spreken, dus! De methode moet sterk
wetenschappelijk zijn. Het ging in deze periode vooral om de klassieke en traditionele zaken
te reconstrueren: militaire en politieke gebeurtenissen. Bv. veldslagen
Bij het reconstrueren is een belangrijke taak weggelegd voor de juiste technische analyse
van bronnen. Dat betekent dat er in die opleidingen geschiedenis er een focus komt op het
kunnen analyseren van bronnen. Alle hulpwetenschappen krijgen dus een belangrijk
aandeel.
, LEOPOLD VON RANKE
Leopold von Ranke (1795-1886) is het grote boegbeeld van het historisme in de 19e eeuw.
Hij was heel invloedrijk in het intellectuele klimaat. Een belangrijk citaat van hem is: “Het is
de enige taak van de historicus om aan te tonen hoe het werkelijk was”. Volgens hem kan
dat enkel doen door de bronnen te laten spreken.
Dat conflicteert met ons schema dat we als richtlijn gebruiken. Het historisme ontkent de
problematieken. In essentie gaat het historisme maar uit van één probleem: Het is de taak
van een historicus om feiten te achterhalen en reconstrueren, en mits een goede kennis en
analyse van de bronnen kunnen we rechtstreeks bij de werkelijkheid van de bron komen
(positivisme). Het gaat ervan uit dat, dankzij die technische kennis, de reconstructie van de
feiten mogelijk is en tot de historicus komt.
Dat gedachtegoed is ondertussen niet
meer gangbaar. Ondanks die naïeve
visie, geeft het historisme wel bruikbare
inzichten over die relatie tussen bron en
onderzoeker i.v.m. de historische kritiek
en technische analyse om die bronnen
wetenschappelijk te kunnen
interpreteren en onderbouwen. De
methoden die ze hebben uitgewerkt
blijven dus zeer bruikbaar, maar de
theorie moet je wel kritisch benaderen.
7 PRINCIPES HISTORISCHE KRITIEK
In die 19e eeuw zijn er dus principes ontstaan van de historische kritiek die vandaag nog
gangbaar zijn. Die zijn ingedeeld in externe kritiek enerzijds (analyse van de bron als
voorwerp) en interne kritiek (analyse van de broninhoud) anderzijds.
De principes waren een positivistische erfenis, als handvat voor systematische kritische
evaluatie van bronnen.
In de periode waarin deze principes ontworpen werden, werden ze vooral gebruikt voor de
traditionele bronnen (geschreven bronnen). Vandaar de sterke invloed en uitwisseling met de
filologische traditie in de 19e eeuw. Dus oorspronkelijk lag de focus op teksten, maar eigenlijk
zijn de principes breed toepasbaar.