SAMENVATTING UROLOGIE
HERHALING BACHELOR 2
ANATOMIE
ALGEMEEN
Hogere urinewegen Lagere urinewegen
Nier Blaas
Pyelum/ nierbekken Urethra
Ureter Prostaat
Scrotum
Liesregio
Urinair stelsel functie:
• Uitscheiden van afvalstoffen
• Gelinkt met circulerend volume, bloeddruk en samenstelling van het bloed
• Gelinkt met het reproductief systeem
1
,NIERCIRCULATIE
De niercirculatie is een belangrijk proces waarbij de nieren ongeveer 21% van het
hartminuutvolume ontvangen.
De nierarterie splitst zich in segmentale arteriën, dit zijn eindarteriën. De segmentale
arteriën gaan over in de arteriae interlobares, die zich vervolgens vertakken in de
arteriae arcuatae. De arteriae arcuatae geven arteriolae radiatae af, die elk een
afferente arteriole naar een nefron leiden.
Het bloed stroomt door het nefron en verlaat het via een efferente arteriole. De
efferente arteriole gaat over in peritubulaire capillairen. Het bloed verlaat de nier via
de venulae radiatae, venulae arcuatae, en venulae interlobares naar de vena
renalis.
2
,TRANSPORT URINE + URINEPRODUCTIE
Urine = water + afvalstoffen → 1,5 -2,5L/ dag, dit is sterieel, gelig van kleur en helder.
Het transport in de hogere urinewegen omvat verschillende aspecten:
• Onderbroken peristaltiek: De transport van urine wordt mogelijk gemaakt door onderbroken
peristaltiek.
o Wanden van de nierkelken drukken het lumen dicht: De wanden van de nierkelken trekken
samen en drukken het lumen dicht.
o Kelksamentrekkingen: De nierkelken vertonen samentrekkingen met een frequentie van 10-
12 per minuut.
o Nierbekkensamentrekkingen: Het nierbekken vertoont samentrekkingen met een frequentie
van 4-6 per minuut.
• Bolusgolf: De urine wordt in een bolusgolf van 2-6 cm/min getransporteerd.
• Afgeplatte ureter: Boven de bolus is de ureter afgeplat.
De druk in de hogere urinewegen verandert minder bij lage diurese,
maar bij hoge diurese (4-7 ml/min) neemt de druk toe. Atypische
spiervezels fungeren als een pacemaker. Bij grote diurese neemt
het aantal samentrekkingen, de kracht van de contracties en het
volume van de bolus toe, tot een maximum van 5-10 ml/min. De
ureter zelf is 25-30 cm lang en 1-3 mm breed.
HISTOLOGIE
De blaas heeft een meerlagige structuur van overgangsepitheel, ook wel urotheel
genoemd. De structuur van het epitheel verandert afhankelijk van hoe vol de blaas
is. Het epitheel bestaat uit de volgende cellagen:
• Paraplu cellen
• Intermediaire cellen
• Basale cellen
• Basale lamina
• GAG laag (glycosamine-glycaanlaag)
3
, CONTINENTIE
Continentie betekent dat iemand in staat is om de urine op te houden. Voor een goede
continentie is een voldoende blaasinhoud nodig, evenals geen activiteit van de
detrusorspier tijdens de vulling. Daarnaast spelen de goede sluiting van de blaashals
en urethra en een goede drukoverdracht door de positie in het kleine bekken een rol.
Het is van belang dat alle urine in de blaas terechtkomt.
PERIFERE INNERVATIE
ALGEMEEN
De perifere innervatie van de blaas wordt verzorgd door drie zenuwen:
1. Nervus hypogastricus: Deze zenuw ontspringt uit de
niveaus D11-L2. Via B3 (remmende werking:
ontspannen van de blaasspier) en Alfa 1 (stimuleren =
sluiten van de blaashals).
2. Nervus pelvinus: Deze zenuw komt voort uit de
niveaus S2-S4. Deze zenuw is parasympatisch.
Stimulatie van de M3 receptoren bevordert mictie. →
blaaslediging (contractie = opspannen van de
blaasspier).
3. Nervus pudendus: Deze zenuw is ook afkomstig van de niveaus S2-S4 en is somatisch. (contractie
van de externe urethrale sfincter)
4
HERHALING BACHELOR 2
ANATOMIE
ALGEMEEN
Hogere urinewegen Lagere urinewegen
Nier Blaas
Pyelum/ nierbekken Urethra
Ureter Prostaat
Scrotum
Liesregio
Urinair stelsel functie:
• Uitscheiden van afvalstoffen
• Gelinkt met circulerend volume, bloeddruk en samenstelling van het bloed
• Gelinkt met het reproductief systeem
1
,NIERCIRCULATIE
De niercirculatie is een belangrijk proces waarbij de nieren ongeveer 21% van het
hartminuutvolume ontvangen.
De nierarterie splitst zich in segmentale arteriën, dit zijn eindarteriën. De segmentale
arteriën gaan over in de arteriae interlobares, die zich vervolgens vertakken in de
arteriae arcuatae. De arteriae arcuatae geven arteriolae radiatae af, die elk een
afferente arteriole naar een nefron leiden.
Het bloed stroomt door het nefron en verlaat het via een efferente arteriole. De
efferente arteriole gaat over in peritubulaire capillairen. Het bloed verlaat de nier via
de venulae radiatae, venulae arcuatae, en venulae interlobares naar de vena
renalis.
2
,TRANSPORT URINE + URINEPRODUCTIE
Urine = water + afvalstoffen → 1,5 -2,5L/ dag, dit is sterieel, gelig van kleur en helder.
Het transport in de hogere urinewegen omvat verschillende aspecten:
• Onderbroken peristaltiek: De transport van urine wordt mogelijk gemaakt door onderbroken
peristaltiek.
o Wanden van de nierkelken drukken het lumen dicht: De wanden van de nierkelken trekken
samen en drukken het lumen dicht.
o Kelksamentrekkingen: De nierkelken vertonen samentrekkingen met een frequentie van 10-
12 per minuut.
o Nierbekkensamentrekkingen: Het nierbekken vertoont samentrekkingen met een frequentie
van 4-6 per minuut.
• Bolusgolf: De urine wordt in een bolusgolf van 2-6 cm/min getransporteerd.
• Afgeplatte ureter: Boven de bolus is de ureter afgeplat.
De druk in de hogere urinewegen verandert minder bij lage diurese,
maar bij hoge diurese (4-7 ml/min) neemt de druk toe. Atypische
spiervezels fungeren als een pacemaker. Bij grote diurese neemt
het aantal samentrekkingen, de kracht van de contracties en het
volume van de bolus toe, tot een maximum van 5-10 ml/min. De
ureter zelf is 25-30 cm lang en 1-3 mm breed.
HISTOLOGIE
De blaas heeft een meerlagige structuur van overgangsepitheel, ook wel urotheel
genoemd. De structuur van het epitheel verandert afhankelijk van hoe vol de blaas
is. Het epitheel bestaat uit de volgende cellagen:
• Paraplu cellen
• Intermediaire cellen
• Basale cellen
• Basale lamina
• GAG laag (glycosamine-glycaanlaag)
3
, CONTINENTIE
Continentie betekent dat iemand in staat is om de urine op te houden. Voor een goede
continentie is een voldoende blaasinhoud nodig, evenals geen activiteit van de
detrusorspier tijdens de vulling. Daarnaast spelen de goede sluiting van de blaashals
en urethra en een goede drukoverdracht door de positie in het kleine bekken een rol.
Het is van belang dat alle urine in de blaas terechtkomt.
PERIFERE INNERVATIE
ALGEMEEN
De perifere innervatie van de blaas wordt verzorgd door drie zenuwen:
1. Nervus hypogastricus: Deze zenuw ontspringt uit de
niveaus D11-L2. Via B3 (remmende werking:
ontspannen van de blaasspier) en Alfa 1 (stimuleren =
sluiten van de blaashals).
2. Nervus pelvinus: Deze zenuw komt voort uit de
niveaus S2-S4. Deze zenuw is parasympatisch.
Stimulatie van de M3 receptoren bevordert mictie. →
blaaslediging (contractie = opspannen van de
blaasspier).
3. Nervus pudendus: Deze zenuw is ook afkomstig van de niveaus S2-S4 en is somatisch. (contractie
van de externe urethrale sfincter)
4