Leren onderwijzen: Les 1: Het beroepsprofiel van de leraar
1. Functionele gehelen (basiscompetenties)
Een leraar moet veel meer zijn dan enkel een kennisoverdrager. De
Vlaamse overheid heeft dit samengevat in 10 rollen waarin de
basiscompetenties gegroepeerd zijn:
1. Begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen → afgestemde
leerdoelen, inclusie, aandacht voor ontwikkeling.
2. Opvoeder → positief leef- en leerklimaat, welzijn en participatie van
elk kind.
3. Inhoudelijk expert → vakkennis, didactiek en pedagogiek binnen
alle leergebieden.
4. Organisator → veilige, werkbare leer- en leefomgeving, ook
administratief correct.
5. Innovator & onderzoeker → reflecteren, bijsturen, praktijkgericht
onderzoek doen.
6. Partner van ouders/verzorgers → betrokken communicatie en
samenwerking, oog voor diversiteit.
7. Lid van het onderwijsteam → samenwerken en
verantwoordelijkheid delen in de school.
8. Partner van externen → samenwerking met externe organisaties
voor meer leerkansen.
9. Lid van de onderwijsgemeenschap → maatschappelijk betrokken
en kritisch nadenken over onderwijs.
10. Cultuurparticipant → actief deelnemen aan en bijdragen tot
cultuur en samenleving.
2. Domeinspecifieke leerresultaten (DLR)
Alle Vlaamse lerarenopleidingen legden gezamenlijk vast wat een
startende leraar lager onderwijs moet kunnen. De focus ligt op:
Krachtige leeromgevingen creëren afgestemd op de beginsituatie
en eindtermen.
Inclusief onderwijs realiseren zodat elk kind maximaal leert en
ontwikkelt.
Brede ontwikkeling van kinderen ondersteunen (cognitief, sociaal,
emotioneel).
Reflectie & professionalisering: systematisch nadenken over
eigen handelen en bijsturen.
Samenwerking met ouders, collega’s en externen.
Maatschappelijk engagement: kritisch omgaan met actuele
thema’s en de rol van de leraar in de samenleving.
,Kortom: de domeinspecifieke leerresultaten en de basiscompetenties
overlappen sterk - ze schetsen beiden het startprofiel van een
beginnend leraar
3. Opleidingsspecifieke leerresultaten
Elke lerarenopleiding (bv. PXL) vertaalt bovenstaande kaders naar rollen
en doelen binnen hun eigen programma. Studenten zien deze terug in:
Stagebeoordelingen → rollen zijn beoordelingscriteria.
ECTS-fiches → per vak staat aangegeven aan welke
competenties/rollen gewerkt wordt.
regels Door wie opgesteld?
Basiscompetenties voor leerkracht Door vlaamse overheid
lager onderwijs (geclusterd in 10
FG’s)
DLR = domeinspecifieke Door vlaamse lerarenopleiding
leerresultaten
Opleidingsspecifieke leerresultaten Door Pxl-education
(rollen)
Samengevat in één zin:
De leraar lager onderwijs is een veelzijdige professional die leert,
opvoedt, organiseert en innoveert, in samenwerking met kinderen, ouders,
collega’s en de samenleving, steeds met oog voor de brede ontwikkeling
en het welzijn van elk kind.
Beroepsprofiel:
, Leren onderwijzen: Les 2: Het didactisch model
Het didactisch wiel:
Het didactisch model:
1. Brede maatschappelijke context – ouders
Waar? buitenkant schema, want omgeeft school & klas, bepaalt mee wat
in het onderwijs gebeurt
Bv: digitale evolutie, diversiteit
2. School > klas (visie, beeld, beleid, cultuur)
Waar? Buitenkant schema, want school bepaald mee wat er in je klas
gebeurd
Wat?
- stel dat je school veel wilt geven rond het klasklimaat, dan is het
logisch dat je daar in de klas ook mee bezig bent.
, - Openlucht school: je moet hier dus ook mee bezig zijn
3. Doelstellingen
Waar? Links boven in schema want heel erg belangrijk
Wat?
- minimumdoelen : in het 4de en 6de leerjaar, de leerlingen kunnen
optellen tot 100… deze worden opgesteld door de vlaamse overheid
- Leerplandoelen: per graad of per jaar deze worden opgesteld door
de koepels
- Lesdoelen deze worden opgesteld door de leerkracht
het is belangrijk om eerst de doelen te bekijken en zo je lessen op te
bouwen
4. Beginsituatie
Waar? Linksonder want heel belangrijk
3 soorten kenmerken:
1) Vakinhoudelijke kenmerken betrekking op de gehele klas
(de hele klas heeft al wat voorkennis dus ik kan mijn les sneller
afronden)
2) Leerlingkenmerken 1 of groepje
(jan en piet kunnen niet samenwerken)
3) Omgevingskenmerken alles met betrekking tot de omgeving
(je bent gaan zwemmen dus houdt extra pauze om ze iets te laten
eten)
5. Evaluatie
Waar? Helemaal rechts want dat is een soort eindpunt, maar ook een
vertrekpunt vandaar de dubbele pijl
Wat?
- Kijken of je leerlingen mee zijn
Bv : een quiz doen
- Toetsen afnemen
6. Krachtige leeromgeving
Start met deze
1. Functionele gehelen (basiscompetenties)
Een leraar moet veel meer zijn dan enkel een kennisoverdrager. De
Vlaamse overheid heeft dit samengevat in 10 rollen waarin de
basiscompetenties gegroepeerd zijn:
1. Begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen → afgestemde
leerdoelen, inclusie, aandacht voor ontwikkeling.
2. Opvoeder → positief leef- en leerklimaat, welzijn en participatie van
elk kind.
3. Inhoudelijk expert → vakkennis, didactiek en pedagogiek binnen
alle leergebieden.
4. Organisator → veilige, werkbare leer- en leefomgeving, ook
administratief correct.
5. Innovator & onderzoeker → reflecteren, bijsturen, praktijkgericht
onderzoek doen.
6. Partner van ouders/verzorgers → betrokken communicatie en
samenwerking, oog voor diversiteit.
7. Lid van het onderwijsteam → samenwerken en
verantwoordelijkheid delen in de school.
8. Partner van externen → samenwerking met externe organisaties
voor meer leerkansen.
9. Lid van de onderwijsgemeenschap → maatschappelijk betrokken
en kritisch nadenken over onderwijs.
10. Cultuurparticipant → actief deelnemen aan en bijdragen tot
cultuur en samenleving.
2. Domeinspecifieke leerresultaten (DLR)
Alle Vlaamse lerarenopleidingen legden gezamenlijk vast wat een
startende leraar lager onderwijs moet kunnen. De focus ligt op:
Krachtige leeromgevingen creëren afgestemd op de beginsituatie
en eindtermen.
Inclusief onderwijs realiseren zodat elk kind maximaal leert en
ontwikkelt.
Brede ontwikkeling van kinderen ondersteunen (cognitief, sociaal,
emotioneel).
Reflectie & professionalisering: systematisch nadenken over
eigen handelen en bijsturen.
Samenwerking met ouders, collega’s en externen.
Maatschappelijk engagement: kritisch omgaan met actuele
thema’s en de rol van de leraar in de samenleving.
,Kortom: de domeinspecifieke leerresultaten en de basiscompetenties
overlappen sterk - ze schetsen beiden het startprofiel van een
beginnend leraar
3. Opleidingsspecifieke leerresultaten
Elke lerarenopleiding (bv. PXL) vertaalt bovenstaande kaders naar rollen
en doelen binnen hun eigen programma. Studenten zien deze terug in:
Stagebeoordelingen → rollen zijn beoordelingscriteria.
ECTS-fiches → per vak staat aangegeven aan welke
competenties/rollen gewerkt wordt.
regels Door wie opgesteld?
Basiscompetenties voor leerkracht Door vlaamse overheid
lager onderwijs (geclusterd in 10
FG’s)
DLR = domeinspecifieke Door vlaamse lerarenopleiding
leerresultaten
Opleidingsspecifieke leerresultaten Door Pxl-education
(rollen)
Samengevat in één zin:
De leraar lager onderwijs is een veelzijdige professional die leert,
opvoedt, organiseert en innoveert, in samenwerking met kinderen, ouders,
collega’s en de samenleving, steeds met oog voor de brede ontwikkeling
en het welzijn van elk kind.
Beroepsprofiel:
, Leren onderwijzen: Les 2: Het didactisch model
Het didactisch wiel:
Het didactisch model:
1. Brede maatschappelijke context – ouders
Waar? buitenkant schema, want omgeeft school & klas, bepaalt mee wat
in het onderwijs gebeurt
Bv: digitale evolutie, diversiteit
2. School > klas (visie, beeld, beleid, cultuur)
Waar? Buitenkant schema, want school bepaald mee wat er in je klas
gebeurd
Wat?
- stel dat je school veel wilt geven rond het klasklimaat, dan is het
logisch dat je daar in de klas ook mee bezig bent.
, - Openlucht school: je moet hier dus ook mee bezig zijn
3. Doelstellingen
Waar? Links boven in schema want heel erg belangrijk
Wat?
- minimumdoelen : in het 4de en 6de leerjaar, de leerlingen kunnen
optellen tot 100… deze worden opgesteld door de vlaamse overheid
- Leerplandoelen: per graad of per jaar deze worden opgesteld door
de koepels
- Lesdoelen deze worden opgesteld door de leerkracht
het is belangrijk om eerst de doelen te bekijken en zo je lessen op te
bouwen
4. Beginsituatie
Waar? Linksonder want heel belangrijk
3 soorten kenmerken:
1) Vakinhoudelijke kenmerken betrekking op de gehele klas
(de hele klas heeft al wat voorkennis dus ik kan mijn les sneller
afronden)
2) Leerlingkenmerken 1 of groepje
(jan en piet kunnen niet samenwerken)
3) Omgevingskenmerken alles met betrekking tot de omgeving
(je bent gaan zwemmen dus houdt extra pauze om ze iets te laten
eten)
5. Evaluatie
Waar? Helemaal rechts want dat is een soort eindpunt, maar ook een
vertrekpunt vandaar de dubbele pijl
Wat?
- Kijken of je leerlingen mee zijn
Bv : een quiz doen
- Toetsen afnemen
6. Krachtige leeromgeving
Start met deze