D. De middeleeuwen van 900 tot 1450
D1. Het leenwezen
1. De feodaliteit ontstaat uit de vazalliteit
- Vazalliteit: - van bij Grieken en Romeinen: ‘zwakkere’ vrije man dienaar ‘sterkere’
- in de middeleeuwen: arme vrije mannen bij grootgrondbezitters
beschermen hun bezittingen
vrije man (vazal) zweert trouw aan machtige heer
- overeenkomst = voor heer en vazal rechten en plichten
vazallen verblijven bij de heer: - levensonderhoud
- paard
- wapenuitrusting
vazallen trekken ten strijde met hun heer
- Feodaliteit: - krijgsdiensten en andere diensten vergoeden met een ‘leen’
‘leen’ in ruil voor trouw en dienst
- heer = leenheer (LH); vazal = leenman (LM)
- investituur: een symbool dat het leen voorstelt
vb. een kluit aarde, een staf, een vlag, een sleutel, …
- Ook andere diensten: - besturen van een bepaald gebied
- diensten aan het hof: - zorg voor voorraden
- opleiden van wapenknechten
- Verschillende soorten ‘leen’: - grondleen: een heerlijkheid (een of meerdere domeinen)
- ambtsleen: ambt of functie in leen krijgen
bv. gouwen, marken,
hertogdommen
- geldleen: jaarlijks som geld krijgen
of recht om tol te heffen
- Bij overlijden van de leenman leen terug naar leenheer
nadien: erfelijk
2. De feodaliteit als gelaagde samenleving
- Wederzijdse verplichtingen: - LM LH = bijstaan met ‘raad en daad’
1. Mee ten strijde trekken
13de eeuw tot 40 dagen (nadien af te kopen)
2. geldelijk bijstaan: - als oudste zoon ridder wordt
- als oudste dochter trouwt
- als LH op kruisvaart gaat
- als LH gevangen is (losgeld)
1
, 3. LM geeft LH raad bij rechtszaken en spreekt zelf recht
- LH LM: 1. Een leen geven
2. Beschermen tegen zijn vijanden
3. Steunen in rechtszaken
- kroonvazallen: - graven en hertogen die rechtstreekse vazal zijn van de koning (Karel de Grote)
- sommigen worden machtiger dan de koning:
omdat koningen na KdG hen niet beschermen tegen Vikingen
gaan op hun beurt vazallen belenen met grond
ontstaan van feodale piramide:
1. Koning
2. Rechtstreekse leenmannen: graven, hertogen
3. Lokale heren
3. Basis: eenvoudige, vrije boeren die grond lenen van heer
= gelaagde samenleving: - met ongelijkheid
- waarin ‘overheer’ geen gezag heeft
over de vazallen van zijn vazal.
- Vanaf 11de eeuw: leenman orden bij verschillende leenheren
bv. graaf van Holland = leenman Duitse keizer en graaf Vlaanderen
3. Het leenstelsel keert zich tegen de koningen
- 9de en 10de eeuw: onderlinge oorlogen verzwakken Karolingische koninkrijken
koningen kunnen niet meer beschermen tegen: - Vikingen
- Hongaren
koningen komen hun leenverplichting niet meer na (dus geen verplichtingen)
graven en hertogen beschouwen zichzelf als nieuwe eigenaars ambtsgebied
gebieden uitbreiden door: - oorlogen
- huwelijk
- nieuwe lenen
- Frankrijk (9de – 12de eeuw): koning = ‘primus inter pares’ (eerste onder gelijken)
Duitse keizer verliest macht vanaf 13 de eeuw
- Ook ongehoorzaamheid leenmannen (= lokale heren) van kroonvazallen
bv. graaf van Vlaanderen (LH) en graaf van Bonen (Boulogne) (LM)
- Lenen erfelijk vanaf 9de eeuw
verdelen onder zonen van de leenman = opdelen in vorstendommen
proberen tegen te gaan door voor jongere zonen geestelijk ambt te zoeken
12de eeuw: eerstgeboorterecht:
- oudste zoon erft alles (geen zoon = oudste dochter)
2
D1. Het leenwezen
1. De feodaliteit ontstaat uit de vazalliteit
- Vazalliteit: - van bij Grieken en Romeinen: ‘zwakkere’ vrije man dienaar ‘sterkere’
- in de middeleeuwen: arme vrije mannen bij grootgrondbezitters
beschermen hun bezittingen
vrije man (vazal) zweert trouw aan machtige heer
- overeenkomst = voor heer en vazal rechten en plichten
vazallen verblijven bij de heer: - levensonderhoud
- paard
- wapenuitrusting
vazallen trekken ten strijde met hun heer
- Feodaliteit: - krijgsdiensten en andere diensten vergoeden met een ‘leen’
‘leen’ in ruil voor trouw en dienst
- heer = leenheer (LH); vazal = leenman (LM)
- investituur: een symbool dat het leen voorstelt
vb. een kluit aarde, een staf, een vlag, een sleutel, …
- Ook andere diensten: - besturen van een bepaald gebied
- diensten aan het hof: - zorg voor voorraden
- opleiden van wapenknechten
- Verschillende soorten ‘leen’: - grondleen: een heerlijkheid (een of meerdere domeinen)
- ambtsleen: ambt of functie in leen krijgen
bv. gouwen, marken,
hertogdommen
- geldleen: jaarlijks som geld krijgen
of recht om tol te heffen
- Bij overlijden van de leenman leen terug naar leenheer
nadien: erfelijk
2. De feodaliteit als gelaagde samenleving
- Wederzijdse verplichtingen: - LM LH = bijstaan met ‘raad en daad’
1. Mee ten strijde trekken
13de eeuw tot 40 dagen (nadien af te kopen)
2. geldelijk bijstaan: - als oudste zoon ridder wordt
- als oudste dochter trouwt
- als LH op kruisvaart gaat
- als LH gevangen is (losgeld)
1
, 3. LM geeft LH raad bij rechtszaken en spreekt zelf recht
- LH LM: 1. Een leen geven
2. Beschermen tegen zijn vijanden
3. Steunen in rechtszaken
- kroonvazallen: - graven en hertogen die rechtstreekse vazal zijn van de koning (Karel de Grote)
- sommigen worden machtiger dan de koning:
omdat koningen na KdG hen niet beschermen tegen Vikingen
gaan op hun beurt vazallen belenen met grond
ontstaan van feodale piramide:
1. Koning
2. Rechtstreekse leenmannen: graven, hertogen
3. Lokale heren
3. Basis: eenvoudige, vrije boeren die grond lenen van heer
= gelaagde samenleving: - met ongelijkheid
- waarin ‘overheer’ geen gezag heeft
over de vazallen van zijn vazal.
- Vanaf 11de eeuw: leenman orden bij verschillende leenheren
bv. graaf van Holland = leenman Duitse keizer en graaf Vlaanderen
3. Het leenstelsel keert zich tegen de koningen
- 9de en 10de eeuw: onderlinge oorlogen verzwakken Karolingische koninkrijken
koningen kunnen niet meer beschermen tegen: - Vikingen
- Hongaren
koningen komen hun leenverplichting niet meer na (dus geen verplichtingen)
graven en hertogen beschouwen zichzelf als nieuwe eigenaars ambtsgebied
gebieden uitbreiden door: - oorlogen
- huwelijk
- nieuwe lenen
- Frankrijk (9de – 12de eeuw): koning = ‘primus inter pares’ (eerste onder gelijken)
Duitse keizer verliest macht vanaf 13 de eeuw
- Ook ongehoorzaamheid leenmannen (= lokale heren) van kroonvazallen
bv. graaf van Vlaanderen (LH) en graaf van Bonen (Boulogne) (LM)
- Lenen erfelijk vanaf 9de eeuw
verdelen onder zonen van de leenman = opdelen in vorstendommen
proberen tegen te gaan door voor jongere zonen geestelijk ambt te zoeken
12de eeuw: eerstgeboorterecht:
- oudste zoon erft alles (geen zoon = oudste dochter)
2