Hoofdstuk 2: Mechanismen die de waarneming beïnvloeden
Dit hoofdstuk behandelt verschillende mechanismen die invloed hebben op hoe
wij de wereld en anderen waarnemen.
1. Het principe van de eerste indruk
bepalend voor volgende indrukken
- Primacy effect : de neiging om meer aandacht te schenken aan de eerste
info dan aan de daarop volgende
- To go along to get along: meegaan met iets om banden te versterken
Impliciete persoonlijkheidstheorie: Dit is de neiging om
veronderstellingen te maken over de persoonlijkheid van anderen op basis
van beperkte info
o bv: Als je een klasgenoot heel verlegen vindt tijdens de les, neem je
aan dat deze persoon in het algemeen introvert en niet assertief is.
Vorming van de indruk
Uiterlijk (bv. lichaamsbouw, kledij, geslacht)
lichaamstaal (tot 90% van de eerste indruk).
Gedrag ( veel of weinig praten, taalgebruik,…)
Persoonlijkheid (kenmerken, positief, of negatief,…)
*Context is van belang bv iemand op een festival of in de klas ontmoeten
Is onze indruk dus steeds de juiste?
Eerste indruk kleurt latere waarnemingen.
Zichzelf waarmakende of zichzelf
Zichzelf waarmakende of zichzelf vervullende *voorspelling* =
*Self Fulfilling Prophecy*: De eerste indruk is niet altijd juist, maar zorgt
ervoor dat we bepaalde verwachtingen creëren die op hun beurt ons
gedrag ten opzichte van die persoon beïnvloeden, waardoor de persoon
geen kans krijgt om te bewijzen dat de indruk onjuist is, en de eerste
indruk dus bevestigd wordt.
o bv: Van aantrekkelijke mensen wordt verwacht dat ze aardig zijn.
Doordat ze positiever benaderd worden, ontwikkelen ze betere
sociale vaardigheden en zijn ze makkelijker in de omgang.
Halo-effect: Het verschijnsel waarbij de aanwezigheid van één positieve
kwaliteit de suggestie geeft dat andere positieve kwaliteiten ook aanwezig
zijn, wat leidt tot een vertekend beeld.
o bv: Van iemand die er goed uitziet, wordt ook gedacht dat hij
sportief, sympathiek en intelligent is.
Horn-effect: Het omgekeerde van het halo-effect, waarbij een ongunstige
eigenschap het oordeel negatief beïnvloedt.
Dit hoofdstuk behandelt verschillende mechanismen die invloed hebben op hoe
wij de wereld en anderen waarnemen.
1. Het principe van de eerste indruk
bepalend voor volgende indrukken
- Primacy effect : de neiging om meer aandacht te schenken aan de eerste
info dan aan de daarop volgende
- To go along to get along: meegaan met iets om banden te versterken
Impliciete persoonlijkheidstheorie: Dit is de neiging om
veronderstellingen te maken over de persoonlijkheid van anderen op basis
van beperkte info
o bv: Als je een klasgenoot heel verlegen vindt tijdens de les, neem je
aan dat deze persoon in het algemeen introvert en niet assertief is.
Vorming van de indruk
Uiterlijk (bv. lichaamsbouw, kledij, geslacht)
lichaamstaal (tot 90% van de eerste indruk).
Gedrag ( veel of weinig praten, taalgebruik,…)
Persoonlijkheid (kenmerken, positief, of negatief,…)
*Context is van belang bv iemand op een festival of in de klas ontmoeten
Is onze indruk dus steeds de juiste?
Eerste indruk kleurt latere waarnemingen.
Zichzelf waarmakende of zichzelf
Zichzelf waarmakende of zichzelf vervullende *voorspelling* =
*Self Fulfilling Prophecy*: De eerste indruk is niet altijd juist, maar zorgt
ervoor dat we bepaalde verwachtingen creëren die op hun beurt ons
gedrag ten opzichte van die persoon beïnvloeden, waardoor de persoon
geen kans krijgt om te bewijzen dat de indruk onjuist is, en de eerste
indruk dus bevestigd wordt.
o bv: Van aantrekkelijke mensen wordt verwacht dat ze aardig zijn.
Doordat ze positiever benaderd worden, ontwikkelen ze betere
sociale vaardigheden en zijn ze makkelijker in de omgang.
Halo-effect: Het verschijnsel waarbij de aanwezigheid van één positieve
kwaliteit de suggestie geeft dat andere positieve kwaliteiten ook aanwezig
zijn, wat leidt tot een vertekend beeld.
o bv: Van iemand die er goed uitziet, wordt ook gedacht dat hij
sportief, sympathiek en intelligent is.
Horn-effect: Het omgekeerde van het halo-effect, waarbij een ongunstige
eigenschap het oordeel negatief beïnvloedt.