Rédigé par des étudiants ayant réussi Disponible immédiatement après paiement Lire en ligne ou en PDF Mauvais document ? Échangez-le gratuitement 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Aperçu 3 sur 26 pages
Examen

Uitwerking examenvragen histologie en histopathologie

Document preview thumbnail
Aperçu 3 sur 26 pages

volledige uitwerking examenvragen

Aperçu du contenu

Examenvragen histo- en histopathologie

Bloedverloop

 Bespreek de functionele histologie en voorkomen van de verschillende types capillairen.

In capillairen zijn standaard 3 structuren terug te vinden nl endotheel, het basaal membraan en de
pericyten. Het endotheel is een éénlagig plaveiselepitheel waarvan de kernen uitpuilen in de capillairen
ze hebben contact met elkaar dmv juncties. Het endotheel kan gefenestreerd of niet-gefenestreerd zijn,
deze fenestrae kunnen voorkomen voor makkelijkere doorkomst van zuurstof, afvalstoffen, … . De
kleinere eiwitten passeren het endotheel tussen de occludensverbinding (junctie) en grotere moleculen
adhv diacytose/transcytose (vesikeltransport). Het endotheel gaat ook voor productie zorgen van
elementen die nodig zijn voor de opbouw van het BM, ook productie stollingsfactoren, immunologische
moleculen, … . De pericyten zijn dan mesenchymale cellen die dan kunnen differentiëren tot
spiercellen/bw-cellen en bevatten actinefilamenten voor contractie van de capillairen.

Dit is de standaard opbouw van een capillair maar er zijn ook verschillende type capillairen met elks een
iets andere bouw:

- Continue capillairen (type I)

Deze hebben een continu endotheel dus geen fenestrae, het basaal membraan is overal even dik en ze is
ook continu. Deze capillairen kan je terugvinden in het spier- en zenuwweefsel en worden ook wel type I
capillairen genoemd. Ze bestaan alleen uit de tunica intima (endotheel, pericyten) en een dunne tunica
adventitia, er kunnen ook marginale plooien voorkomen door de juncties.

- Gefenestreerde capillairen (type II)

Deze capillairen worden ook wel type II capillairen genoemd en hebben een gefenestreerd endotheel met
of zonder diafragma (verhindert de doorgang van vloeistof en/of deeltjes). Deze zijn vooral voorkomend
in de endocriene organen, gastrointestinale tractus en nier.

- Sinusoïden

Sinusoïden bevatten meer en grotere fenestrae dan de gefenestreerde capillairen. Ze hebben geen
lamina basalis en hebben een verwijd lumen. De sinusoïden ga je vooral terugvinden in de lever en milt.

 Bespreek de cellen in het hart die bloeddruk en hartfrequentie bepalen.

,  Bespreek de chemoreceptoren ter hoogte van het carotislichaampje.




 Vergelijk de structuur van de arteria en vena femoralis.

De arteria femoralis is een musculeuze arterie, dit houdt in dat ze een intima, media en adventitia
hebben. De intima bestaat uit endotheel, daaronder subendotheliaal bindweefsel en een lamina elastica
interna. De media bestaat uit een goed ontwikkelde laag van circulair verlopende gladde spiercellen met
extracellulaire matrix. En de adventitia bestaat uit longitudinale vezels en een membrana elastica externa
bij grotere bloedvaten.

De vena femoralis is een grote veen en gaat deze 3 lagen ook hebben. De intima bestaat hier uit
endotheel met daaronder een dunne subendotheliale bindweefsellaag ze hebben geen MEI. De media is
duidelijk veel dunner dan bij arteriën en bevat gladde spiercellen met daartussen bw. De adventitia is de
dikste laag en is opgebouwd uit longitudinaal verlopende bundels gladde spieren en longitudinaal
verlopende bw vezels.

Ook bestaan er elastische vezels, deze hebben dezelfde intima maar de media is verschillend. Deze
bestaat uit concentrische gelaagde elastische membranen en schuin verlopende gladde spiercellen
(opvangen veranderingen in druk) en collagene vezels en tussenstof rijk aan chondroîtinesulfaat. De
adventitia bestaat uit een MEE en elastische en collagene vezels.



 Bespreek de structuur van de milt aan de hand van het verloop van de bloedvaten.

Bloed wordt aangevoerd in de milt via de A. lienalis in de hilus. Hierna gaat deze a. verder in de
bindweefseltrabekels waarbij ze trabekelarterieên worden genoemd. Dan splitsen deze arteriën in
centrale arteriolen wanneer ze in de witte pulpa omringd worden door een PALS (T centraal, B perifeer),
deze worden zo genoemd door de centrale ligging in de witte pulpa. Hierna splitsen ze in kleinere
arteriën nl penseelarteriën waarbij de lymfoideschede veel dunner is geworden. De penseelarteriën
kunnen vervolgens in een open circulatie terecht komen waar ze gaan eindigen in strengen van Billroth
(bestaande uit reticulumcellen, RBC, macrofagen, lymfocyten), samen met de bloedvaten vormt dit de
rode pulpa, die het bloed doorsturen naar de veneuze sinussen (sinusoïden). Anderzijds kunnen
penseelarteriën direct in de veneuze sinusoïden lopen = gesloten circulatie. Vanuit de veneuze sinussen
wordt het bloed doorgegeven aan grotere trabekelvenen die in trabekels naar de hilus gaan stromen
waarbij ze gaan uitmonden in de v. lienalis.

Functies milt: vorming + afbraak RBC, fagocytos + immunologische afweer, opslag bloed

, Bespreek de plasmacellulaire (humoraal) reactie en de follikelcentrumreactie in de lymfeknoop.

Wanneer een antigeen (bv een bacterie, parasiet)
endocytose ondergaat in bv een macrofaag of DC gaat ze
in een fagosoom vermengd worden met een lysosoom
waar ze deels wordt verteerd tot peptiden. Hierna gaan
de peptiden op de MHC2-complexen zitten aan de
extracellulaire kant van de macrofaag/DC waardoor hij
een APC wordt. Dan bindt er een Thelper cel dmv Tcel
receptoren aan de peptide op MHC2 (major
histocompatibilitycomplex) waardoor de APC IL1 afgeeft
aan de T-helper cel, hierdoor wordt de Th geactiveerd en
produceert ze IL2 die op de receptoren binden wat zorgt
voor deling waarbij de dochtercellen identiek zijn als de
moedercel.

Als de bacterie wordt opgenomen in een B-cel (mIg) dan
binden de peptiden op MHC2 moleculen waardoor hij
een APC wordt, als de TCR van de Thelper cel kunnen
binden op de peptiden worden er cytokines (IL2,4, 5, ..)
losgelaten waardoor de B-cel een signaal ontvangt om te
delen, deze cellen differentieren dan tot plasmacellen die
talrijke Ig maken die zorgen voor kapotmaken van de
antigenen



 Bespreek de ontwikkeling van de T-lymfocyten in de thymus.

In de thymus gaan pre-T-lymfocyten (thymocyten) migreren naar de subcapsulaire regio waar ze een TCR
ontwikkelen samen met een CD4 EN CD8. Hierna gaan ze naar de cortex waar ze binden met MHC1 of
MHC2. Daarna gaan ze dieper in de cortex waar er veel epitheliale cellen zijn met MHC1 en MHC2
moleculen op hun membraan hebben.

CD8 samen met TCR binden met de MHC1 molecule terwijl CD4 en TCR binden met de MHC2 molecule.
Cellen die niet kunnen binden of te sterk binden met een MHC complex gaan in apoptose omdat ze geen
functie bieden, hierdoor sterven veel cellen bij de “positieve selectie”.

De overlevende cellen (zo’n 2%) gaan hun CD4 of CD8 verliezen waardoor ze een specifieke functie
krijgen. Cellen met die met MHC2 binden behouden CD4 dus worden Thelper cellen en cellen die aan
MHC1 binden behouden het CD8-complex dus zij differentieren tot cytotoxische T cellen. Daarna gaan de
cellen richting medulla waar ze in contact komen met APC, als ze te sterk binden gaan ze in apoptose
doordat ze auto-immuniteit kunnen veroorzaken, dit wordt de “negatieve selectie” genoemd. Nu zijn het
volwassen T cellen, hierna gaan ze door de medulla in de bloedbaan waar ze naar de secundaire lymfoide
organen gaan waar ze wachten op APC’s.

Alle kernhoudende cellen hebben MHC1 moleculen die bij elk individu anders zijn wat zorgt voor de
specificiteit van immuunantwoord.

Endogene-antigeen-MHC1-complexen komen op het celmembraan doordat eiwitmoleculen vrijgesteld
worden door proteasomen, deze worden opgenomen door het RER waarna ze binden aan MHC1, dit
complex wordt via een GA naar het oppervlak gebracht in een vesikel.

Exogene antigeen MHC2 complexen komen op het membraan door endocytose van het pathogeen die
deels verteerd wordt door een vesikel komende van het GA, hierna wordt het MHC2 molecuul in een

Table des matières

  1. 01 Bespreek de functionele histologie en voorkomen van de verschillende types capillairen. 1
  2. 02 Bespreek de cellen in het hart die bloeddruk en hartfrequentie bepalen. 1
  3. 03 Bespreek de chemoreceptoren ter hoogte van het carotislichaampje. 2
  4. 04 Vergelijk de structuur van de arteria en vena femoralis. 2
  5. 05 Bespreek de structuur van de milt aan de hand van het verloop van de bloedvaten. 2
  6. 06 Bespreek de ontwikkeling van de T-lymfocyten in de thymus. 3
  7. 07 Geef een overzicht van de verschillende klassen van immunoglobulinen en hun functie. 4
  8. 08 Bespreek de functionele histologie van het nierlichaampje. 4
  9. 09 Vergelijk structuur en functie van proximale en distale tubulus en verzamelbuis in de nier. 4
  10. 10 Bespreek de microscopische bouw van het nefron. 5
  11. 11 Bespreek het verloop van de bloedvaten in de nier. 6
  12. 12 Bespreek de functionele histologie van de bloed-luchtbarrière. 6
  13. 13 Bespreek de functionele histologie van de bronchiaalboom. 6
  14. 14 Bespreek de ortho- en parasympatische innervatie van de bronchiolen. 7
  15. 15 Bespreek de ontwikkeling van de tand. 7
  16. 16 Bespreek de histologie van de maag. 7
  17. 17 Bespreek de histologische kenmerken typisch voor duodenum, jejunum en ileum. 8
  18. 18 Bespreek de functionele histologie van de lever. 9
  19. 19 Bespreek de onderdelen die in een portaveld liggen? 9
  20. 20 Functionele histologie van de adenohypofyse. Bespreek de verschillende celtypes. 9
  21. 21 Functionele histologie van de neurohypofyse. Bespreek de verschillende celtypes. 10
  22. 22 Bespreek de histologie van de schildklier. Functies? 10
  23. 23 Bespreek de histologie van de bijschildklier. Functies? 10
  24. 24 Bespreek de functionele histologie van de endocriene pancreas. 10
  25. 25 Bespreek de histologie van de bijnier. 11
  26. 26 Bespreek de histologische bouw van de testis 11
  27. 27 Bespreek de verschillende spermatogene voorlopers 12
  28. 28 Bespreek de microscopische bouw van de prostaat. 12
  29. 29 Bespreek de epididymis en de vesicula seminalis. 12
  30. 30 Bespreek de histologische bouw van de penis. 12
  31. 31 Bespreek de verschillende ovariële follikels. 13
  32. 32 Bespreek de menstruele cyclus en de rol van de ovaria hierin. 13
  33. 33 Welke cellen in de ovaria en hormonen zijn betrokken in de placentatie/innesteling? 14
  34. 34 Bespreek de histologie van de placenta. 14
  35. 35 Wat is syncytiotrofoblast. 14
  36. 36 Bespreek de verschillende vormen van bloedingen. 15
  37. 37 Bespreek de vorming/oorzaken van een thrombus. 15
  38. 38 Bespreek de cascade van een infarct. 16
  39. 39 Wat zijn de belangrijkste bestanddelen van een atherosclerotische plaque. 16
  40. 40 Bespreek de opvolging van stadia in het ontstaan van een kritische stenose in een coronair arterie ten gevolge van atherosclerose. 17
  41. 41 Bespreek de tekens van acute ontsteking en verklaar 17
  42. 42 Wat verstaat men onder de vasculaire fase van acute ontsteking 17
  43. 43 Bespreek het cellulaire ontstekingsinfiltraat bij acute en chronische ontsteking 18
  44. 44 Wat is een granuloom en bij welke ziektes worden die beschreven? 18
  45. 45 Welke vormen van wondheling ken je? 18
  46. 46 Bespreek de fasen van de wondheling. 19
  47. 47 Bespreek de verschillende vormen van cystische nierziekten 19
  48. 48 Bespreek het overgangsepitheelcarcinoom 19
  49. 49 Bespreek de twee grote klassen van longcarcinoom 19
  50. 50 Bespreek de belangrijkste morfologische en moleculaire verschillen tussen een SCLC en een NSCLC 20
  51. 51 Bespreek de fasen van een acute respiratory distress syndrome 20
  52. 52 Bespreek coeliaki. 21
  53. 53 Bespreek Barrett metaplasie. 21
  54. 54 Bespreek de verschillende infecties van de slokdarm. 21
  55. 55 Welke vormen van chronische gastritis ken je. Bespreek. 22
  56. 56 Bespreek maagcarcinoom. 22
  57. 57 Welke histologische varianten van maagcarcinoom ken je? 22
  58. 58 Wat weet je over Helicobacter pylori? 23
  59. 59 Bespreek inflammatoir darmlijden. 23
  60. 60 Bespreek de diagnostiek en screening van coloncarcinoom 23
  61. 61 Bespreek de verschillende divertikels van de darm 23
  62. 62 Bespreek de verschillende poliepen van de dikke darm 24
  63. 63 Geef 5 verschillen tussen colitis ulcerosa en ziekte van Crohn. Bespreek. 24
  64. 64 Wat zijn de belangrijkste kenmerken van levercirrhose. 25
  65. 65 Bespreek focale nodulaire hyperplasie 25
  66. 66 Bespreek chronische virale hepatitis. 25
  67. 67 Wat zijn de histologische kenmerken van virale hepatitis? 25
  68. 68 Ken je niet-virale oorzaken van chronische hepatitis? Bespreek. 25
  69. 69 Welke endocriene tumoren ken je. Bespreek. 25
  70. 70 Bespreek prostaatcarcinoom 26
  71. 71 Bespreek goedaardige prostaatklierhyperplasie 26
  72. 72 Bespreek de verschillende vormen van mammacarcinoom. 26
  73. 73 Hoe kun je screenen naar baarmoederhalskanker. Bespreek. 26

Infos sur le Document

Publié le
13 octobre 2025
Nombre de pages
26
Écrit en
2023/2024
Type
Examen
Contient
Questions et réponses
€5,96

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Seller avatar
Les scores de réputation sont basés sur le nombre de documents qu'un vendeur a vendus contre paiement ainsi que sur les avis qu'il a reçu pour ces documents. Il y a trois niveaux: Bronze, Argent et Or. Plus la réputation est bonne, plus vous pouvez faire confiance sur la qualité du travail des vendeurs.
Vendu
17
Abonnés
0
Éléments
31
Dernière vente
1 mois de cela



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions