NEFROLOGIE
1. FUNCTIES VAN DE GEZONDE NIER
De 4 functies van een nier
- Regulatie van de bloeddruk - Balanceren zuur-base-evenwicht
- Excretie overtollige stoffen en vocht - Hormonale functie
1.1. REGULATIE VAN DE BLOEDDRUK
1.1.1. RENINE-ANGIOTENSINE-ALDOSTERONSYSTEEM (RAAS)
Het RAAS beïnvloedt de reabsorptie van water en zout in de distale tubulus.
- Extracellulair volume neemt af plasmavolume neemt af GFR neemt af minder Na gefilterd
- Natriumgehalte van vloeistof in tubulus daalt productie renine neemt toe (productie in
juxtaglomerulaire cellen)
- Angiotensinogeen wordt omgezet naar angiotensine I oiv renine
- Angiotensine I angiotensine II door angiotensine converting enzyme (ACE)
- Angiotensine II
o Werkt sterk vasoconstrictief diameter bloedvaten vermindert en RR verhoogt (in nieren en
volledige lichaam)
o Stimuleert de bijnierschors tot productie van aldosteron RR verhogend effect en tubulaire
natriumresorptie wordt bevordert en reabsorptie water plasmavolume neemt toe en
bloeddrukdaling wordt tegengewerkt
1.1.2. VOLUME- EN OSMOSME REGULATIE
Extracellulaire (interstitiële) vloeistof = bestaat uit water met daarin opgeloste zouten, zuren en
stoffen zoals ureum, glucose en creatine.
- Een teveel hiervan veroorzaakt oedeem (lokaal of gegeneraliseerd) en hypertensie
- Een tekort aan extracellulaire vloeistof geeft verminderde huidturgor en hypotensie, vooral in
staande positie (orthostatische hypotensie)
Intracellulaire vloeistof = vloeistof in cellen van alle weefsels
- Ureumgehalte komt overeen met extracellulair en plasma
- Kalium gehalte is veel hoger, natriumgehalte is veel lager verschil wordt gehandhaafd door
natrium-kaliumpomp in celmembraan (voortdurend Na uit de cel en K in de cel sturen)
Volumeregulatie = natriumregulatie
- Gebeurt via aldosteron en het renine-angiotensinesysteem
- Angiotensine stimuleert aldosteron, verhoogt perifere weerstand en heeft invloed op renale
hemodynamica
- Zout gebruiken na-gehalte ↑ in extracellulaire vloeistof en circulatie osmolariteit ↑ dorst
en drinken circulerend en extracellulair volume neemt toe
, - Overschot aan water en zout wordt door remming van aldosteronsecretie via nieren worden
uitgescheiden + de ADH-productie wordt gestimuleerd
1.2. EXCRETIE OVERTOLLIGE STOFFEN EN VOCHT
De uitscheiding van stoffen die voor het lichaam overbodig of schadelijk zijn
- Via ultrafiltratie in de glomeruli
- Actieve uitscheiding in de tubuli
- Selectieve reabsorptie van stoffen uit de tubulusvloeistof
1.2.1. ULTRAFILTRATIE
= water en laagmoleculaire stoffen worden vanuit het bloed in de glomerulus gefiltreerd naar de ruimte
binnen het kapsel van Bowman = ultrafiltraat / primaire urine
- Samenstelling ultrafiltraat: gelijk aan bloedplasma, maar de eiwitten kunnen de filter niet passeren
door hun grootte
- Wordt in stand gehouden door de RR, dat in de capillairen van de glomerulus ongeveer 65 mmHg
bedraagt
1.2.2. NATRIUM
Normaal wordt 95% van het Na in het glomerulusfiltraat in de tubuli terug geabsorbeerd
- In de proximale tubulus: 2/3e van gefiltreerde Na absorberen en 2/3e van het gefiltreerde water
- Aan het einde van de lis van Henle: 25% van het aanwezige Na in het filtraat absorberen en is er
nog maar 10% Na over
1.2.3. KALIUM
Groot deel van gefiltreerde kalium wordt in de proximale tubulus en de lis van Henle gereabsorbeerd
- Kalium die wordt uitgescheiden in de urine wordt bepaald door de hoeveelheid kalium die wordt
uitgescheiden in de distale tubulus
- Factoren die de uitscheiding van kalium in de distale tubulus kunnen beïnvloeden
o Opname van veel kalium stimuleert kaliumuitscheiding
o Aldosteron stimuleert kaliumuitscheiding
o Hoge flow in tubulus doet kaliumuitscheiding toenemen, neemt af bij lage flow (lage GRF)
o Meeste diuretica bevorderen de uitscheiding van kalium
o Bij een teveel aan aldosteron daalt het kaliumgehalte in het bloed
1.2.4. ANTIDIURETISCH HORMOON (ADH)
Speelt een belangrijke rol in de reabsorptie van water in de distale tubulus en de verzamelbuis
- ± 14% van het ultrafiltraat dient te worden gereabsorbeerd
- Werking van ADH de permeabiliteit voor water in de voornoemde gebieden verhogen
- Verhoogde productie van ADH meer water reabsorberen. Vindt plaats vanuit de verzamelbuis
omdat vloeistof bij het buigpunt van de lis van Henle sterk hypertoon is
- Productie van ADH wordt geregeld vanuit osmosereceptoren in de hypothalamus
- ADH wordt opgeslagen in de hypofyseachterkwab en zal van daaruit worden afgegeven als de
osmotische waarde van het bloed is verhoogd (te weinig ADH produceren = diabetes insipidus)
De concentratie en verdunning van urine staan onder invloed van het ADH
, - Dalende veen van de lis van Henle is doorlaatbaar voor water, het stijgende been niet in het
stijgende been bevindt zich een actief natriumtransport en ontstaat er gaande van schors naar
merg een stijgende osmotische gradiënt
- Hoe meer ADH hoe groter de reabsorptie van water
1.3. BALANSEREN ZUUR- BASE-EVENWICHT
H+ + HCO3- CO2 + H2O
- De vrije H+-ionen hebben een invloed op de zuurtegraad
- pCO2 en HCO3- zijn de primaire parameters om het zuur-base-evenwicht te evalueren
- De longen bepalen de hoeveelheid CO2 door extra CO2 vast te houden of uit te scheiden
- De nieren bepalen de hoeveelheid HCO3- door extra HCO3- vast te houden of uit te scheiden
1.4. HORMONALE FUNCTIES
1.4.1. ERYTHROPOËTINE (EPO)
EPO = een stof die het beenmerg stimuleert bij de aanmaak van rode bloedcellen
- Aangemaakt door de nieren
- Tekort veroorzaakt anemie
- EPO-tekort is een vaak voorkomende complicatie bij ZO met nierinsufficiëntie
1.4.2. 1,25-DIHYDROXYCHOLECALCIFEROL
1,25-Dihydroxycholecalciferol = actieve vorm van vitamine D
- Met voedsel opgenomen en wordt mede aangemaakt in de huid oiv UV-licht
- Eerst in de lever en daarna in de nieren omgezet tot 1,25-Dihydroxycholecalciferol
- Bevordert de reabsorptie van calcium uit de darm, opname van calcium is vaak verstoord bij ZO
met een ernstige nierfunctiestoornis
2. DIAGNOSTIEK BIJ NEFROLOGISCHE SYNDROMEN
2.1. KLINISCH ONDERZOEK + LABO-ONDERZOEK (1 + 2)
In eerste instantie een klinisch onderzoek, aanvullend met een labo-onderzoek (urine en bloedstaal).
Onderzoek van de urine
- Bij voorkeur verrichten op de 2 de ochtendurine via een midstream-procedure onderzoek binnen
de 30-60 minuten na de mictie
- Je kan ook urine volledig aanvragen met een teststrook bepalen van aantal witte bloedcellen,
gram-negatieve bacteriën, glucose, eiwitten, hemoglobine
- Onderzoek van urinesediment urine 3-5 min centrifugeren, controleren op hematurie, cilindrurie
of proteïnurie
Onderzoek van het bloed
- Adhv creatinineklaring de glomerulaire filtratie bepalen
- Creatinine is een afbraakproduct van creatine dat vrijkomt bij spieractiviteit en wordt normaal
uitgefilterd (bij een gebrekkige nier niet en stijgen de serumspiegels)
- Geeft een beeld van de GFR (glomerulaire filtration rate) maar is niet 100% betrouwbaar
- Verhouding tss serum-creatine en GFR is net lineair waardoor het niet als ideaal wordt beschouwd
(meer betrouwbaar op urine/24u)
- Normaalwaarde 90-130 ml/minuut
2.1.1. ERYTHROCYTURIE = HEMATURIE
= bij aantallen hoger dan 1300 rode bloedcellen in de urine (erythrocyten in urinesediment tellen)
1. FUNCTIES VAN DE GEZONDE NIER
De 4 functies van een nier
- Regulatie van de bloeddruk - Balanceren zuur-base-evenwicht
- Excretie overtollige stoffen en vocht - Hormonale functie
1.1. REGULATIE VAN DE BLOEDDRUK
1.1.1. RENINE-ANGIOTENSINE-ALDOSTERONSYSTEEM (RAAS)
Het RAAS beïnvloedt de reabsorptie van water en zout in de distale tubulus.
- Extracellulair volume neemt af plasmavolume neemt af GFR neemt af minder Na gefilterd
- Natriumgehalte van vloeistof in tubulus daalt productie renine neemt toe (productie in
juxtaglomerulaire cellen)
- Angiotensinogeen wordt omgezet naar angiotensine I oiv renine
- Angiotensine I angiotensine II door angiotensine converting enzyme (ACE)
- Angiotensine II
o Werkt sterk vasoconstrictief diameter bloedvaten vermindert en RR verhoogt (in nieren en
volledige lichaam)
o Stimuleert de bijnierschors tot productie van aldosteron RR verhogend effect en tubulaire
natriumresorptie wordt bevordert en reabsorptie water plasmavolume neemt toe en
bloeddrukdaling wordt tegengewerkt
1.1.2. VOLUME- EN OSMOSME REGULATIE
Extracellulaire (interstitiële) vloeistof = bestaat uit water met daarin opgeloste zouten, zuren en
stoffen zoals ureum, glucose en creatine.
- Een teveel hiervan veroorzaakt oedeem (lokaal of gegeneraliseerd) en hypertensie
- Een tekort aan extracellulaire vloeistof geeft verminderde huidturgor en hypotensie, vooral in
staande positie (orthostatische hypotensie)
Intracellulaire vloeistof = vloeistof in cellen van alle weefsels
- Ureumgehalte komt overeen met extracellulair en plasma
- Kalium gehalte is veel hoger, natriumgehalte is veel lager verschil wordt gehandhaafd door
natrium-kaliumpomp in celmembraan (voortdurend Na uit de cel en K in de cel sturen)
Volumeregulatie = natriumregulatie
- Gebeurt via aldosteron en het renine-angiotensinesysteem
- Angiotensine stimuleert aldosteron, verhoogt perifere weerstand en heeft invloed op renale
hemodynamica
- Zout gebruiken na-gehalte ↑ in extracellulaire vloeistof en circulatie osmolariteit ↑ dorst
en drinken circulerend en extracellulair volume neemt toe
, - Overschot aan water en zout wordt door remming van aldosteronsecretie via nieren worden
uitgescheiden + de ADH-productie wordt gestimuleerd
1.2. EXCRETIE OVERTOLLIGE STOFFEN EN VOCHT
De uitscheiding van stoffen die voor het lichaam overbodig of schadelijk zijn
- Via ultrafiltratie in de glomeruli
- Actieve uitscheiding in de tubuli
- Selectieve reabsorptie van stoffen uit de tubulusvloeistof
1.2.1. ULTRAFILTRATIE
= water en laagmoleculaire stoffen worden vanuit het bloed in de glomerulus gefiltreerd naar de ruimte
binnen het kapsel van Bowman = ultrafiltraat / primaire urine
- Samenstelling ultrafiltraat: gelijk aan bloedplasma, maar de eiwitten kunnen de filter niet passeren
door hun grootte
- Wordt in stand gehouden door de RR, dat in de capillairen van de glomerulus ongeveer 65 mmHg
bedraagt
1.2.2. NATRIUM
Normaal wordt 95% van het Na in het glomerulusfiltraat in de tubuli terug geabsorbeerd
- In de proximale tubulus: 2/3e van gefiltreerde Na absorberen en 2/3e van het gefiltreerde water
- Aan het einde van de lis van Henle: 25% van het aanwezige Na in het filtraat absorberen en is er
nog maar 10% Na over
1.2.3. KALIUM
Groot deel van gefiltreerde kalium wordt in de proximale tubulus en de lis van Henle gereabsorbeerd
- Kalium die wordt uitgescheiden in de urine wordt bepaald door de hoeveelheid kalium die wordt
uitgescheiden in de distale tubulus
- Factoren die de uitscheiding van kalium in de distale tubulus kunnen beïnvloeden
o Opname van veel kalium stimuleert kaliumuitscheiding
o Aldosteron stimuleert kaliumuitscheiding
o Hoge flow in tubulus doet kaliumuitscheiding toenemen, neemt af bij lage flow (lage GRF)
o Meeste diuretica bevorderen de uitscheiding van kalium
o Bij een teveel aan aldosteron daalt het kaliumgehalte in het bloed
1.2.4. ANTIDIURETISCH HORMOON (ADH)
Speelt een belangrijke rol in de reabsorptie van water in de distale tubulus en de verzamelbuis
- ± 14% van het ultrafiltraat dient te worden gereabsorbeerd
- Werking van ADH de permeabiliteit voor water in de voornoemde gebieden verhogen
- Verhoogde productie van ADH meer water reabsorberen. Vindt plaats vanuit de verzamelbuis
omdat vloeistof bij het buigpunt van de lis van Henle sterk hypertoon is
- Productie van ADH wordt geregeld vanuit osmosereceptoren in de hypothalamus
- ADH wordt opgeslagen in de hypofyseachterkwab en zal van daaruit worden afgegeven als de
osmotische waarde van het bloed is verhoogd (te weinig ADH produceren = diabetes insipidus)
De concentratie en verdunning van urine staan onder invloed van het ADH
, - Dalende veen van de lis van Henle is doorlaatbaar voor water, het stijgende been niet in het
stijgende been bevindt zich een actief natriumtransport en ontstaat er gaande van schors naar
merg een stijgende osmotische gradiënt
- Hoe meer ADH hoe groter de reabsorptie van water
1.3. BALANSEREN ZUUR- BASE-EVENWICHT
H+ + HCO3- CO2 + H2O
- De vrije H+-ionen hebben een invloed op de zuurtegraad
- pCO2 en HCO3- zijn de primaire parameters om het zuur-base-evenwicht te evalueren
- De longen bepalen de hoeveelheid CO2 door extra CO2 vast te houden of uit te scheiden
- De nieren bepalen de hoeveelheid HCO3- door extra HCO3- vast te houden of uit te scheiden
1.4. HORMONALE FUNCTIES
1.4.1. ERYTHROPOËTINE (EPO)
EPO = een stof die het beenmerg stimuleert bij de aanmaak van rode bloedcellen
- Aangemaakt door de nieren
- Tekort veroorzaakt anemie
- EPO-tekort is een vaak voorkomende complicatie bij ZO met nierinsufficiëntie
1.4.2. 1,25-DIHYDROXYCHOLECALCIFEROL
1,25-Dihydroxycholecalciferol = actieve vorm van vitamine D
- Met voedsel opgenomen en wordt mede aangemaakt in de huid oiv UV-licht
- Eerst in de lever en daarna in de nieren omgezet tot 1,25-Dihydroxycholecalciferol
- Bevordert de reabsorptie van calcium uit de darm, opname van calcium is vaak verstoord bij ZO
met een ernstige nierfunctiestoornis
2. DIAGNOSTIEK BIJ NEFROLOGISCHE SYNDROMEN
2.1. KLINISCH ONDERZOEK + LABO-ONDERZOEK (1 + 2)
In eerste instantie een klinisch onderzoek, aanvullend met een labo-onderzoek (urine en bloedstaal).
Onderzoek van de urine
- Bij voorkeur verrichten op de 2 de ochtendurine via een midstream-procedure onderzoek binnen
de 30-60 minuten na de mictie
- Je kan ook urine volledig aanvragen met een teststrook bepalen van aantal witte bloedcellen,
gram-negatieve bacteriën, glucose, eiwitten, hemoglobine
- Onderzoek van urinesediment urine 3-5 min centrifugeren, controleren op hematurie, cilindrurie
of proteïnurie
Onderzoek van het bloed
- Adhv creatinineklaring de glomerulaire filtratie bepalen
- Creatinine is een afbraakproduct van creatine dat vrijkomt bij spieractiviteit en wordt normaal
uitgefilterd (bij een gebrekkige nier niet en stijgen de serumspiegels)
- Geeft een beeld van de GFR (glomerulaire filtration rate) maar is niet 100% betrouwbaar
- Verhouding tss serum-creatine en GFR is net lineair waardoor het niet als ideaal wordt beschouwd
(meer betrouwbaar op urine/24u)
- Normaalwaarde 90-130 ml/minuut
2.1.1. ERYTHROCYTURIE = HEMATURIE
= bij aantallen hoger dan 1300 rode bloedcellen in de urine (erythrocyten in urinesediment tellen)