studie van sociaal werk begrippenlijst
1. Emancipatie: het streven naar een volwaardige plaats in de samenleving vanuit
een achtergestelde positie.
2. Transnationaliteit: mensen die verschillende leefwerelden en culturen combineren.
3. Interdependentie: onderlinge beïnvloeding en afhankelijkheid (economisch,
ecologisch en sociaal)
4. Globalisering/mondialisering: multidimensionaal proces = wereldwijd (sociale,
politieke, culturele, ecologische, ruimtelijke en economische gebieden)
5. Politiseren: mensen continu wakker schudden rond onrechtvaardigheid. Het
waarborgen van (toegang tot) rechten.
6. Nabijheid: Aanwezig zijn in de leefwereld van personen in een kwetsbare situatie,
fysieke en mentale betekenis
7. Proceslogica van SW: Ervaringskennis, inspraak en participatie staan centraal.
Laboratorium- en experimenteerfunctie van sociaal werk (vernieuwing). Nood aan
alternatieve verantwoordingsmechanismen (vb. organisaties krijgen geld van de
overheid maar overheid vraagt verantwoording over wat er met het geld gedaan
wordt)
8. Generalistisch werken: Een integraal perspectief; Brugfiguur of kruispuntwerker
en Netwerkvorming.
9. Verbindend werken: Individuele component: versterken van individuen en
groepen, Collectieve component: verbinding in buurten en op lokaal niveau.
Verbinden met maatschappelijke instituties.
10. Stedelijkheid: relaties met vreemden (kenmerk).
11. Proletarisering: Verschijnsel dat kleine ondernemers steeds armer worden en
1
, meer overeenkomsten gaan vertonen met de arbeidersklasse (proletariaat). ->
afhankelijk van een loon (van de werkgever).
12. Kapitalisme: een economie waarin de grond en de bedrijven eigendom zijn van
ondernemers die met hun bedrijf een zo groot mogelijke winst willen maken.
13. Verzorgingsstaat/welvaartstaat: een sociaal systeem waarin de staat primaire
verantwoordelijkheid draagt voor het welzijn van zijn burgers, zoals in kwesties van
gezondheidszorg, onderwijs, werkgelegenheid en sociale zekerheid.
14. Verzuiling: Explosie van organisaties. Verdeling van de samenleving in groepen
op basis van ideologie of levensbeschouwing.
15. Welvaart: tegemoetkomingen aan materiële risico's. (vb. huisvesteing)
16. Welzijn: accent leggen op psychisch en sociaal welbevinden (vb. emancipatie)
17. Nachtwakerstaat: overheid bemoeid zich zo weinig mogelijk met burgers,
voorziet enkel veiligheid.(voor WOII)
18. Politieke interventiestructuur: burgers beschermen -> collectieve sociale
verzekeringen en voorzieningen.
19. (vb. werkloosheidsuitkering, psychische voorzieningen):
20. Sociaal beleid: alle collectieve goederen waar mensen gebruik van maken
(welzijn, gezondheidszorg, onderwijs, openbaar vervoer, cultuur, huisvesting ...) ->
ruime betekenis.
21. Sociale politiek: de beleidsmakers die het sociaal beleid bediscussiëren.
22. Mattheüseffect: wie veel heeft zal nog meer krijgen en wie weinig heeft zal nog
meer verliezen. Hogere klasse heeft meer baadt bij sociale voorzieningen dan de
lagere klassen.
23. Structurele uitsluiting: maatschappij is de oorzaak van het probleem/de uitsluiting.
24. Professionalisering: een continu en dynamisch proces dat gericht is op het
2
1. Emancipatie: het streven naar een volwaardige plaats in de samenleving vanuit
een achtergestelde positie.
2. Transnationaliteit: mensen die verschillende leefwerelden en culturen combineren.
3. Interdependentie: onderlinge beïnvloeding en afhankelijkheid (economisch,
ecologisch en sociaal)
4. Globalisering/mondialisering: multidimensionaal proces = wereldwijd (sociale,
politieke, culturele, ecologische, ruimtelijke en economische gebieden)
5. Politiseren: mensen continu wakker schudden rond onrechtvaardigheid. Het
waarborgen van (toegang tot) rechten.
6. Nabijheid: Aanwezig zijn in de leefwereld van personen in een kwetsbare situatie,
fysieke en mentale betekenis
7. Proceslogica van SW: Ervaringskennis, inspraak en participatie staan centraal.
Laboratorium- en experimenteerfunctie van sociaal werk (vernieuwing). Nood aan
alternatieve verantwoordingsmechanismen (vb. organisaties krijgen geld van de
overheid maar overheid vraagt verantwoording over wat er met het geld gedaan
wordt)
8. Generalistisch werken: Een integraal perspectief; Brugfiguur of kruispuntwerker
en Netwerkvorming.
9. Verbindend werken: Individuele component: versterken van individuen en
groepen, Collectieve component: verbinding in buurten en op lokaal niveau.
Verbinden met maatschappelijke instituties.
10. Stedelijkheid: relaties met vreemden (kenmerk).
11. Proletarisering: Verschijnsel dat kleine ondernemers steeds armer worden en
1
, meer overeenkomsten gaan vertonen met de arbeidersklasse (proletariaat). ->
afhankelijk van een loon (van de werkgever).
12. Kapitalisme: een economie waarin de grond en de bedrijven eigendom zijn van
ondernemers die met hun bedrijf een zo groot mogelijke winst willen maken.
13. Verzorgingsstaat/welvaartstaat: een sociaal systeem waarin de staat primaire
verantwoordelijkheid draagt voor het welzijn van zijn burgers, zoals in kwesties van
gezondheidszorg, onderwijs, werkgelegenheid en sociale zekerheid.
14. Verzuiling: Explosie van organisaties. Verdeling van de samenleving in groepen
op basis van ideologie of levensbeschouwing.
15. Welvaart: tegemoetkomingen aan materiële risico's. (vb. huisvesteing)
16. Welzijn: accent leggen op psychisch en sociaal welbevinden (vb. emancipatie)
17. Nachtwakerstaat: overheid bemoeid zich zo weinig mogelijk met burgers,
voorziet enkel veiligheid.(voor WOII)
18. Politieke interventiestructuur: burgers beschermen -> collectieve sociale
verzekeringen en voorzieningen.
19. (vb. werkloosheidsuitkering, psychische voorzieningen):
20. Sociaal beleid: alle collectieve goederen waar mensen gebruik van maken
(welzijn, gezondheidszorg, onderwijs, openbaar vervoer, cultuur, huisvesting ...) ->
ruime betekenis.
21. Sociale politiek: de beleidsmakers die het sociaal beleid bediscussiëren.
22. Mattheüseffect: wie veel heeft zal nog meer krijgen en wie weinig heeft zal nog
meer verliezen. Hogere klasse heeft meer baadt bij sociale voorzieningen dan de
lagere klassen.
23. Structurele uitsluiting: maatschappij is de oorzaak van het probleem/de uitsluiting.
24. Professionalisering: een continu en dynamisch proces dat gericht is op het
2