Dit is een bestand met oefenvragen voor het vak
Gezondheidsbescherming.
Om een representatie te geven voor het tentamen zijn er 10 meerkeuze
vragen per taak (60 meerkeuze vragen). De antwoorden staan op het eind
van het document
Gebruik ze om je kennis te testen en kijk nogmaals naar de literatuur als
je een vraag niet weet. Succes met leren!
Delen met anderen is natuurlijk verboden ;)
(auteursrecht)
Bericht me vooral met vragen, etc.
Liefs, Lena <3
Taak 1: Een veilig gevoel
1. Adrienne werkt in een onderzoeksfaciliteit waar ze
verantwoordelijk is voor het uitvoeren van experimenten en het
analyseren van resultaten. Haar dagelijkse taken omvatten het
hanteren van verschillende chemicaliën, zoals zuren en basen, en
het werken met oplosmiddelen die dampen afgeven. Daarnaast
moet Adrienne regelmatig monsters nemen van biologische
materialen, waaronder bacteriën en schimmels, om deze te
analyseren op mogelijke contaminaties. Adrienne draagt altijd
persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals handschoenen, een
labjas en een veiligheidsbril, maar ze maakt zich zorgen over de
mogelijke lange termijn effecten van haar blootstelling. Aan wat
voor soort gevaar/gevaren wordt Adrienne blootgesteld in haar
werk?
A. Chemisch gevaar
B. Fysiologisch gevaar
C. Microbiologisch gevaar
D. Complex gevaar
2. In welke stap van het risicomanagement model van Faustman
wordt een inschatting gedaan van het potentiële effect dat, onder
bepaalde omstandigheden en gedurende een bepaalde periode,
Lena Lauwerens
, door een chemisch, fysisch, microbiologisch of psychosociaal
gevaar op een afgebakende bevolkingsgroep wordt uitgeoefend?
A. In de risico identificatie
B. In de risicobeoordeling
C. In de risicobeheersing
D. In de risico monitoring en evaluatie
3. Welke stelling is juist
I. Ieder gevaar is een risico
II. Ieder risico is een gevaar
A. Stelling I is juist
B. Stelling II is juist
C. Beide stellingen zijn juist
D. Beide stellingen zijn onjuist
4. Wat is het verschil tussen toxikinetische en toxidynamische
gegevens
A. Toxidynamische gegevens spelen op voor en gedurende de
blootstelling terwijl toxikinetische gegens opspelen na de
blootstelling
B. Bij toxikinetische gegevens worden de effecten onderzocht die
chemische stoffen op het lichaam uitoefenen, bij toxidynamische
gegevens wordt nagegaan hoe het lichaam bepaalde chemische
stoffen opneemt, verdeelt, uitscheidt en afbreekt
C. Toxikinetische gegevens spelen alleen op bij microbiologische en
chemische gevaren, toxidynamische gegevens spelen op bij fysische
en psychologische gevaren
D. Bij toxidynamische gegevens worden de effecten onderzocht die
chemische stoffen op het lichaam uitoefenen, bij toxikinetische
gegevens wordt nagegaan hoe het lichaam bepaalde chemische
stoffen opneemt, verdeelt, uitscheidt en afbreekt
5. Bij welk type risicocommunicatie hoort deze uitspraak “Een kopje
koffie is niet bevorderend voor de gezondheid, maar kan ook niet
veel kwaad”
A. Overtuigen
B. Instrueren
C. Informeren
D. Dialogiseren
Lena Lauwerens
, 6. Bekijk de dosis-respons. Welk punt geeft de NOEL aan?
A. Punt A
B. Punt B
C. Punt C
D. Punt D
E. Punt E
F. Punt F
G. Punt G
H. Punt H
I. Punt i
7. Waarom verschillen de
NOAEL en de LOAEL van elkaar?
A. De NOAEL en de LOAEL verschillen omdat de NOAEL wordt
bepaald door dierproeven en de LOAEL door epidemiologische
studies bij mensen.
B. De NOAEL is de laagste dosis waarbij geen schadelijke effecten
worden waargenomen, terwijl de LOAEL de hoogste dosis is
waarbij schadelijke effecten worden waargenomen.
C. De NOAEL is de hoogste dosis waarbij geen schadelijke effecten
worden waargenomen, terwijl de LOAEL de laagste dosis is
waarbij schadelijke effecten worden waargenomen.
D. De NOAEL en de LOAEL zijn allebei doses waarbij geen schadelijke
effecten worden waargenomen, maar ze worden bepaald door
verschillende meetmethoden.
8. Welke factor zal de meeste invloed hebben op risicoperceptie
A. De wetenschappelijke literatuur
B. De absolute berekeningen
C. Het logisch nadenken
D. De media
9. Bij welk soort risico past deze omschrijving het beste “de
waarschijnlijkheid van een bepaalde gebeurtenis in een
populatie. Het is de kans op een ongewenste gebeurtenis”
A. Bij een absoluut risico
B. Bij een relatief risico
C. Bij een attributief risico
D. Bij een populatie attributief risico
Lena Lauwerens
, 10. Welke van de volgende uitspraken beschrijft het beste het
concept van risicoperceptie volgens Slovic en Kahneman?
A. Risicoperceptie combineert instinctieve en intuïtieve reacties
op gevaar met logische en verstandelijke beoordeling.
B. Risicoperceptie is uitsluitend gebaseerd op wetenschappelijke
gegevens en feiten.
C. Risicoperceptie is gebaseerd op de logische en verstandelijke
beoordeling van gevaar.
D. Risicoperceptie houdt alleen rekening met de economische
impact van risico's.
Taak 2: Chemische gevaren
1. Welke factor kan de persoonlijke vatbaarheid voor de schadelijke
effecten van een chemische stof het meest beïnvloeden?
A. De geografische locatie van de persoon.
B. De leeftijd en het geslacht van de persoon.
C. De economische status van de persoon.
D. De werkervaring van de persoon.
2. Welke van de volgende opties geeft de juiste rangschikking
van de effectiviteit van blootstellingsroutes, van meest naar
minst effectief, voor toxische stoffen?
A. Huid, oraal, inhalatie
B. Oraal, inhalatie, huid
C. Inhalatie, oraal, huid
D. Intraveneus, inhalatie, oraal, huid
Lena Lauwerens