H1: Terreinverkenning
Levenslooppsychologie = studie van het gedrag door de
verschillende levensfasen van de mens
Gedrag = zichtbare + onzichtbare
1.1 Een korte historiek
Ver verleden, kort geschiedenis
Onstaan 19de eeuw
1.1.1 De verre voorgeschiedenis
Ervaringen denkbeelden en inzichten in hoe wereld in elkaar zit
Voorwetenschappelijke ontwikkelingspsychologie:
Bv. “een kinderrijke fantasie” of “jeugdige overmoed”
Filosofen beschreven wat “typisch” was voor bepaalde levensfases
Nativisten: alles ligt vast bij de geboorte = NATURE
Empiristen: ervaring en opvoeding = NURTURE
1.1.2 Start van de “genetische” psychologie
19de eeuw: babybiografieën
Vorderingen in het gedrag van eigen kinderen
Niet alleen nadenken, ook observeren
Wetenschappelijke theorievorming:
Inspiaratie Darwin gelijkenissen tussen ontwikkeling verschillende
levensvormen en ontwikkeling individu
Recapitualatietheorie: ontogenese = herhaling van de fylogenese
Genetische psychologie
1.1.3 Omvorming tot een ontwikkelingspsychologie
Nieuwe onderzoekstechnieken
Statische methodes
Bekeken vanuit 2 hoeken:
1) Nadruk op opvoeding en ontwikkeling
2) Nadruk op ervaringen
1.2 De indeling in fasen
1.2.1 Continuïteit of discontinuïteit in de ontwikkeling
1
,Iedere levensfase vertoont specifieke kenmerken:
- Kwantitatief: lichaamsgestalte & kennis, vaardigehden
- Kwalitatief: manier van denken, voelen & handelen
Discontinuïteit: stabiele periodes worden afgewisseld door relatief korte
overgangsfasen (crisis), verschillende stadia
Continuïteit: mens verandert continu, geleidelijke groei
1.2.2 Het trapmodel
Gestaltpsychologie: elke trap maakt deel uit van een grotere
structuur
Inleiding – actie – climax – anticlimax – ontknoping
Discontinu
1.2.3 Het gelaagde model
Levensfasen = lagen van de aardkorst
reeks van toevallige gebeurtenissen die elkaar hebben opgevolgd in het
verleden
Aardbevingen = crissisen
gevolg van spanningen of breuklijnen in de diepere lagen (traumatische
gebeurtenissen uit kindertijd)
Geen focus op zinvolle overgangen
Niet toekomsgericht, focus op nu
Continu
Persoonlijkheidstheorie Freud:
2
,Es (id) = levens- en doddsdriften gericht op bevredigen van lust en
vermijden van onlust
Ich (ego) = manier vinden om driften te bevredigen
Über-ich (superego) = morele waarden en regels
Freuds psychoseksuele ontwikkeling
1. Orale fase (0-1 jaar): Lust via de mond (zuigen, bijten).
2. Anale fase (1-3 jaar): Lust door ontlasting en controle (ophouden,
loslaten).
3. Fallische fase (3-6 jaar): Ontdekken van sekseverschillen; oedipus-
en elektracomplex ontstaan.
4. Latentiefase (6-puberteit): Driften worden verdrongen; interesse in
schoolse activiteiten.
5. Genitale fase (puberteit): Volwassen seksualiteit ontwikkelt zich.
1.2.4 Het lijnmodel
Ontwikkeling = proces van continue verandering zonder sprongen of
overgangen
Doorlopende lijn of ingewikkelder constructies (bv. golven)
Continu
Behaviorisme: mens komt ter wereld zonder een uitgetekend
stappenplan
accumulatie van ervaringen bepaalt de ontwikkeling
Informatieverwerkingstheorie: contïnuiteit doorheen de levensfasen
kleuters gaan op dezelfde manier om met de problemen als de
volwassenen
1.3 Factoren die de ontwikkeling sturen
Erfelijkheid: genen = nature
Mileu: opvoeding, omgeving = nurture
1.3.1 Erfelijkheid
- Chromosomen: bouwstenen lichaam
- Genen en eiwitten: productie van hormonen en ontwikkeling
organen
- Complexiteit: intelligentie, genexpressie
Epigenetica: onderzoekt tijdelijke veranderingen in de genactiviteit die
niet de structuur van het DNA veranderen, maar wel beïnvloeden of een
gen wordt afgelezen
Veroorzaakt door omgevingsfactoren
Niet permament
3
, 1.3.2 Milieu
Ecologische systementheorie van Bronfenbrenner:
1. Microsysteem: directe omgeving (gezin, school, vrienden, werk)
2. Mesosysteem: interacties tussen microsystemen (huis-school)
3. Exosysteem: indirecte invloeden (financiele situatie ouders,
woonbuurt)
4. Macrosysteem: socio-culturele context (cultuur, religie)
5. Chronosysteem: tijdsdimensie (echtscheiding, verhuizing, oorlog)
1.3.3 Erfelelijkheid, milieu en zelfsturing
Erfelijkheid en milieu zijn onlosmakelijk verbonden: een
recept dat ingrediënten (het milieu) nodig heeft om tot een maaltijd
(de eigenschap) te leiden
Relatieve invloed van erfelijkheid en milieu:
- lichamelijke groei en motorische ontwikkeling biologische
processen
- taal omgeving
Erfelijkheid beïnvloedt het milieu: muzikaal talent kan door
genetica bepaald worden, maar de omgeving van een muzikaal
gezin versterkt dit talent
Milieu beïnvloedt erfelijkheid: effect van de Hongerwinter op de
gezondheid van kinderen die tijdens de hongersnood in de
baarmoeder zaten
Zelfsturing als derde factor: bewuste keuzes maken die
ontwikkeling sturen, zoals het opzoeken van bepaalde omgevingen
4
Levenslooppsychologie = studie van het gedrag door de
verschillende levensfasen van de mens
Gedrag = zichtbare + onzichtbare
1.1 Een korte historiek
Ver verleden, kort geschiedenis
Onstaan 19de eeuw
1.1.1 De verre voorgeschiedenis
Ervaringen denkbeelden en inzichten in hoe wereld in elkaar zit
Voorwetenschappelijke ontwikkelingspsychologie:
Bv. “een kinderrijke fantasie” of “jeugdige overmoed”
Filosofen beschreven wat “typisch” was voor bepaalde levensfases
Nativisten: alles ligt vast bij de geboorte = NATURE
Empiristen: ervaring en opvoeding = NURTURE
1.1.2 Start van de “genetische” psychologie
19de eeuw: babybiografieën
Vorderingen in het gedrag van eigen kinderen
Niet alleen nadenken, ook observeren
Wetenschappelijke theorievorming:
Inspiaratie Darwin gelijkenissen tussen ontwikkeling verschillende
levensvormen en ontwikkeling individu
Recapitualatietheorie: ontogenese = herhaling van de fylogenese
Genetische psychologie
1.1.3 Omvorming tot een ontwikkelingspsychologie
Nieuwe onderzoekstechnieken
Statische methodes
Bekeken vanuit 2 hoeken:
1) Nadruk op opvoeding en ontwikkeling
2) Nadruk op ervaringen
1.2 De indeling in fasen
1.2.1 Continuïteit of discontinuïteit in de ontwikkeling
1
,Iedere levensfase vertoont specifieke kenmerken:
- Kwantitatief: lichaamsgestalte & kennis, vaardigehden
- Kwalitatief: manier van denken, voelen & handelen
Discontinuïteit: stabiele periodes worden afgewisseld door relatief korte
overgangsfasen (crisis), verschillende stadia
Continuïteit: mens verandert continu, geleidelijke groei
1.2.2 Het trapmodel
Gestaltpsychologie: elke trap maakt deel uit van een grotere
structuur
Inleiding – actie – climax – anticlimax – ontknoping
Discontinu
1.2.3 Het gelaagde model
Levensfasen = lagen van de aardkorst
reeks van toevallige gebeurtenissen die elkaar hebben opgevolgd in het
verleden
Aardbevingen = crissisen
gevolg van spanningen of breuklijnen in de diepere lagen (traumatische
gebeurtenissen uit kindertijd)
Geen focus op zinvolle overgangen
Niet toekomsgericht, focus op nu
Continu
Persoonlijkheidstheorie Freud:
2
,Es (id) = levens- en doddsdriften gericht op bevredigen van lust en
vermijden van onlust
Ich (ego) = manier vinden om driften te bevredigen
Über-ich (superego) = morele waarden en regels
Freuds psychoseksuele ontwikkeling
1. Orale fase (0-1 jaar): Lust via de mond (zuigen, bijten).
2. Anale fase (1-3 jaar): Lust door ontlasting en controle (ophouden,
loslaten).
3. Fallische fase (3-6 jaar): Ontdekken van sekseverschillen; oedipus-
en elektracomplex ontstaan.
4. Latentiefase (6-puberteit): Driften worden verdrongen; interesse in
schoolse activiteiten.
5. Genitale fase (puberteit): Volwassen seksualiteit ontwikkelt zich.
1.2.4 Het lijnmodel
Ontwikkeling = proces van continue verandering zonder sprongen of
overgangen
Doorlopende lijn of ingewikkelder constructies (bv. golven)
Continu
Behaviorisme: mens komt ter wereld zonder een uitgetekend
stappenplan
accumulatie van ervaringen bepaalt de ontwikkeling
Informatieverwerkingstheorie: contïnuiteit doorheen de levensfasen
kleuters gaan op dezelfde manier om met de problemen als de
volwassenen
1.3 Factoren die de ontwikkeling sturen
Erfelijkheid: genen = nature
Mileu: opvoeding, omgeving = nurture
1.3.1 Erfelijkheid
- Chromosomen: bouwstenen lichaam
- Genen en eiwitten: productie van hormonen en ontwikkeling
organen
- Complexiteit: intelligentie, genexpressie
Epigenetica: onderzoekt tijdelijke veranderingen in de genactiviteit die
niet de structuur van het DNA veranderen, maar wel beïnvloeden of een
gen wordt afgelezen
Veroorzaakt door omgevingsfactoren
Niet permament
3
, 1.3.2 Milieu
Ecologische systementheorie van Bronfenbrenner:
1. Microsysteem: directe omgeving (gezin, school, vrienden, werk)
2. Mesosysteem: interacties tussen microsystemen (huis-school)
3. Exosysteem: indirecte invloeden (financiele situatie ouders,
woonbuurt)
4. Macrosysteem: socio-culturele context (cultuur, religie)
5. Chronosysteem: tijdsdimensie (echtscheiding, verhuizing, oorlog)
1.3.3 Erfelelijkheid, milieu en zelfsturing
Erfelijkheid en milieu zijn onlosmakelijk verbonden: een
recept dat ingrediënten (het milieu) nodig heeft om tot een maaltijd
(de eigenschap) te leiden
Relatieve invloed van erfelijkheid en milieu:
- lichamelijke groei en motorische ontwikkeling biologische
processen
- taal omgeving
Erfelijkheid beïnvloedt het milieu: muzikaal talent kan door
genetica bepaald worden, maar de omgeving van een muzikaal
gezin versterkt dit talent
Milieu beïnvloedt erfelijkheid: effect van de Hongerwinter op de
gezondheid van kinderen die tijdens de hongersnood in de
baarmoeder zaten
Zelfsturing als derde factor: bewuste keuzes maken die
ontwikkeling sturen, zoals het opzoeken van bepaalde omgevingen
4