Eindtoets
Stof: het hele boek + aanvullende literatuur op Nestor
Samenvatting: H1 t/m H14
,Inhoud
Hoofdstuk 1 .............................................................................................................................................. 3
Hoofdstuk 2 .............................................................................................................................................. 5
Hoofdstuk 3 .............................................................................................................................................. 7
Hoofdstuk 4 ............................................................................................................................................ 11
Hoofdstuk 5 ............................................................................................................................................ 15
Hoofdstuk 6 ............................................................................................................................................ 17
Hoofdstuk 7 ............................................................................................................................................ 18
Hoofdstuk 8 ............................................................................................................................................ 21
Hoofdstuk 9 ............................................................................................................................................ 23
Hoofdstuk 10 .......................................................................................................................................... 26
Hoofdstuk 11 .......................................................................................................................................... 29
Hoofdstuk 12 .......................................................................................................................................... 31
Hoofdstuk 13 .......................................................................................................................................... 33
Hoofdstuk 14 .......................................................................................................................................... 35
2
,Hoofdstuk 1
Informatietechnologie (information technology, IT) = een computer-gebaseerde tool die mensen
gebruiken bij het werken met informatie en die de behoeften van informatieverwerking in bedrijven
ondersteunt.
Informatiesysteem (information system, IS) = verzamelt, verwerkt, slaat op, analyseert en verspreidt
informatie met een specifiek doel. Het doel van informatiesystemen is om de juiste informatie bij de
juiste mensen te krijgen op het juiste moment en in het juiste formaat. De chief information officer
(CIO) heeft de leiding over de informatiesystemen binnen het bedrijf.
Geïnformeerde gebruiker (informed user) = een persoon die kennis heeft over informatiesystemen en
informatietechnologie. Vandaag de dag zijn informatiesystemen niet langer de verantwoordelijkheid
van de IS afdeling, maar van alle gebruikers. Geïnformeerde gebruikers ontvangen meer waarde van
de technologie die ze gebruiken.
Het managen van informatiesystemen in moderne bedrijven is moeilijk en complex als gevolg van een
aantal factoren:
Informatiesystemen hebben een strategische waarde voor bedrijven, want als het systeem
niet werkt, kan het bedrijf niet functioneren.
Informatiesystemen zijn duur in het verwerven, opereren en behouden.
Vandaag de dag heeft elke werknemer een computer (end user computing). De management
information systems (MIS) afdeling en de eindgebruikers moeten hierdoor samenwerken. De
MIS afdeling opereert meer als consultant voor de eindgebruikers.
Data = elementaire beschrijving van dingen, gebeurtenissen, activiteiten en transacties, die
opgeslagen zijn maar niet georganiseerd zijn waardoor de beschrijving geen betekenis heeft.
Informatie = data die zo georganiseerd is dat het betekenis en waarde heeft voor de ontvanger.
Kennis = data en/of informatie die georganiseerd en verwerkt is waardoor de ontvanger het begrijpt,
het ervaart, er van leert of er kennis door op doet.
Computer-gebaseerd informatie systeem (computer-based information system, CBIS) = een
informatiesysteem dat gebruikmaakt van computertechnologie. De basis componenten zijn:
Hardware: apparaten zoals een toetsenbord.
Software: ondersteunende programma’s voor de hardware. Informatietechnologie
Netwerk: een verbindend systeem tussen de computers. componenten
Database: verzameling bestanden of tabellen met data.
Procedures: instructies voor het combineren van bovenstaande componenten om informatie
te verwerken en output te genereren.
Mensen: individuen die de hardware en software gebruiken.
Applicatie (application, app) = een computerprogramma die ontworpen is om een specifieke taak of
een specifiek bedrijfsproces te ondersteunen.
Verschillende soorten informatiesystemen in moderne bedrijven:
Functional area information system (FAIS) = een verzameling applicaties of
informatiesystemen binnen een afdeling.
Enterprise resource planning (ERP) system = informatiesystemen die het hele bedrijf
ondersteunen en het gebrek aan communicatie tussen afdelingen herstellen.
Transaction processing system (TPS) = ondersteunt de verwerking van data die ontstaat uit
de bedrijfstransacties van het bedrijf.
Interorganizational information system (IOS) = informatiesystemen die twee of meer bedrijven
verbinden.
Transactie = alles wat een verandering teweeg brengt in de database van het bedrijf.
Verschillende soorten werknemers binnen een bedrijf: administratief medewerker, lager management,
midden management, kenniswerker en bestuur. Kenniswerkers zijn professionele werknemers, zoals
3
,accountants. Verschillende soorten informatiesystemen die een specifiek soort werknemer
ondersteunen:
Office automation system (OAS) = ondersteuning bij het ontwikkelen van documenten, het
plannen en het communiceren (bijvoorbeeld Microsoft Office). OASs bieden ondersteuning
voor administratief medewerkers, lager en midden management en kenniswerkers.
Business intelligence (BI) system = ondersteuning bij non-routine beslissingen voor midden
management en kenniswerkers.
Expert system (ES) = proberen het werk van menselijke experts te kopiëren in bepaalde
gebieden.
Dashboard = voorziet in toegang tot belangrijke informatie.
Informatietechnologie heeft gevolgen voor bedrijven:
Vermindering van het aantal midden managers, omdat meer werknemers aan één manager
kunnen rapporteren;
Verandering van de baan van een manager;
Verandering in beschikbare banen;
Impact op de gezondheid en veiligheid van de werknemer (werkstress en rugpijn en
spierspanningen in polsen en vingers);
Kansen voor mensen met een handicap.
Informatietechnologie heeft ook gevolgen voor de maatschappij:
Verandering in de kwaliteit van het leven (meer flexibiliteit voor werknemers en een 24-urige
werkdag);
Het ontstaan van robots;
Verbeteringen in de gezondheidszorg.
4
, Hoofdstuk 2
Concurrentievoordeel (competitive advantage) = een bezit dat het bedrijf voorziet in een voordeel ten
opzichte van concurrenten. Bijvoorbeeld kosten, kwaliteit of snelheid.
Bedrijfsomgeving (business environment) = de combinatie van sociale, juridische, economische,
fysieke en politieke factoren. Veranderingen in de bedrijfsomgeving kunnen bedrijfspressie
veroorzaken. Bedrijven reageren op deze pressies met activiteiten die ondersteund worden door
informatietechnologie. Zie figuur 2.1 op bladzijde 38.
Digitale verdeling (digital divide) = het grote gat tussen individuen die toegang hebben tot informatie-
en communicatietechnologie en individuen die dat niet hebben.
Reacties van bedrijven op de verschillende pressies:
Strategische systemen: systemen die voordelen voor bedrijven creëren.
Klantfocus: informatietechnologie tools die klanten tevreden houden.
Make-to-oder: het leveren van aangepaste producten en dienst.
Mass customization: het produceren van een groot aantal producten aangepast aan de
voorkeuren van individuele klanten.
E-commerce: het aankoopproces via computernetwerken.
E-business: het aankoopproces, de serviceverlening aan klanten en de samenwerking met
bedrijfspartners via online computernetwerken.
Concurrentiestrategie = een statement dat identificeert wat de doelen van het bedrijf zijn. Ook bevat
het de plannen en het beleid die nodig zijn om de doelen te bereiken.
Het concurrentiekrachten model van Michael Porter analyseert het concurrentievermogen van
bedrijven. Bedrijven gebruiken het model om strategieën te ontwikkelen die het concurrentievoordeel
vergroten. Vijf krachten kunnen de positie van het bedrijf in zijn industrie in gevaar brengen of
verbeteren:
1. De bedreiging van nieuwe concurrenten;
2. De onderhandelingskracht van leveranciers;
3. De bedreiging van substitutiegoederen;
4. De onderhandelingskracht van kopers;
5. De rivaliteit onder bestaande bedrijven in de industrie.
Toetredingsdrempel (entry barrier) = een kenmerk van het product dat klanten verwachten van de
bedrijven in een bepaalde industrie.
Het waardeketen model van Michael Porter laat zien bij welke specifieke activiteiten het bedrijf
informatietechnologie kan gebruiken om de concurrentiestrategie te bereiken. De bedrijfsactiviteiten
kunnen opgedeeld worden in primaire activiteiten en ondersteunende activiteiten. Primaire activiteiten
zijn gerelateerd aan de productie en distributie van producten. Ondersteunende activiteiten voegen
geen waarde toe aan de producten, maar ondersteunen de primaire activiteiten. De primaire
activiteiten van productiebedrijven bestaan uit:
Inbound logistics: verwerken van inkomend materiaal.
Operations: grondstoffen transformeren in producten.
Outbound logistics: producten voorbereiden voor levering.
Marketing and sales: producten verkopen aan klanten en vraag creëren.
Services: service verlenen vaan de klant na de verkoop.
De ondersteunende activiteiten bestaan uit: accounting, financiën, management, HRM, R&D en
Inkoop.
Waardesysteem (value system) = bevat de leveranciers, het bedrijf, de distributeurs en de klanten.
Er zijn vijf strategieën die de vijf concurrentiekrachten van Porter tegen kunnen werken:
Cost leadership strategy: producten produceren tegen de laagste kosten in de industrie.
Differentiation strategy: andere product(en)(kenmerken) aanbieden dan concurrenten.
Innovation strategy: nieuwe producten, kenmerken of productie-ideeën introduceren.
5