Fysiologie 2
Fysiologie van de voortbeweging
Herhaling semester 1
1. Inleiding
Wat is fysiologie?
- Werking en functie van levende materie
- Biologische functies
- Gaat samen met andere wetenschappen
Anatomie
Biochemie
Chemie: bindingen,..
Fysica: bloeddruk is een fysisch proces
2. Fysiologie van de cel van een organisme
Opbouw van een organisme
celfysiologie = hoeksteen van de menselijke fysiologie
Het spijsverteringstelsel is opgebouwd uit verschillende organen. De organen zijn
opgebouwd uit verschillende weefsels en die hebben verschillende functies. De weefsels zijn
opgebouwd uit verschillende cellen. Alle cellen samen zijn een organisme, zoals de mens
Bouw van de cel
• Cel = functionele eenheid
• Cel = plasmamembraan + kern + cytoplasma
cytoplasma = celorganellen + cytosol
cytosol = vloeistof tussen organellen
Mitochondriën
Functie : Energie leveren
- Vormen ATP uit ADP
- Enzymen hiervoor nodig: in de granulen
,- ATP = energierijke binding
energie opslaan in een vorm die van de ene naar de andere plaats getransporteerd
kan worden
- Veel mitochondriën in cellen die veel energie nodig hebben
- Atp: universele energiemolecule voor actief transport
- Afhankelijk hoeveel energie cellen nodig hebben, hangt het er ook vanaf hoeveel
mitochondriën er in een cel zitten
3. Neurofysiologie
Het zenuwstelsel: anatomische indeling
- Centraal zenuwstelsel
o Hersenen
o Ruggenmerg
- Perifeer zenuwstelsel: alles wat niet met rug en hersenen te maken heeft
o Afferente zenuwen
o Efferente zenuwen
- Zenuwstelsel = zenuwcellen + gliacellen
o Zenuwcellen = neuronen
o Gliacellen = steuncellen (beschermen, ondersteunen en isoleren van neuronen)
o Hebben ondersteuning nodig van andere cellen= gliacellen ( steuncellen die ons
zenuwcellen afschermen van andere cellen)
1. input: gevoelsneuronen
o Sensorisch afferente neuronen
o Sensor (bv. oog) vangt prikkel op
o Opname + detectie van signalen uit intern (lichaam) en extern (omgeving)
milieu
2. overdracht / geleiding: interneuronen
o Verwerking van de informatie
o Verbinding tussen neuronen onderling
3. output: motorische neuronen
o Motorisch efferente neuronen
o Uitsturen van bevelen naar effectoren (spieren / klieren)
sensorisch motorisch
afferente zenuw efferente zenuw
Werking van het zenuwstelsel: prikkels
1. Mechanisme v/d prikkelgeleiding
1
, A. In rust: membraanrustpotentiaal (MRP)
• alle levende cellen: (trans) membraanpotentiaal (verschil)
• bv.: rustpotentiaal i/e zenuwcel: -70 mV
De actiepotentiaal
Belangrijk:
• duur AP: enkele milliseconden
• AP = alles of niets verschijnsel!!
subliminale prikkel (onder drempelwaarde) geen AP
supraliminale prikkel (drempelwaarde overschreden) wel AP
Prikkelgeleiding
2
Fysiologie van de voortbeweging
Herhaling semester 1
1. Inleiding
Wat is fysiologie?
- Werking en functie van levende materie
- Biologische functies
- Gaat samen met andere wetenschappen
Anatomie
Biochemie
Chemie: bindingen,..
Fysica: bloeddruk is een fysisch proces
2. Fysiologie van de cel van een organisme
Opbouw van een organisme
celfysiologie = hoeksteen van de menselijke fysiologie
Het spijsverteringstelsel is opgebouwd uit verschillende organen. De organen zijn
opgebouwd uit verschillende weefsels en die hebben verschillende functies. De weefsels zijn
opgebouwd uit verschillende cellen. Alle cellen samen zijn een organisme, zoals de mens
Bouw van de cel
• Cel = functionele eenheid
• Cel = plasmamembraan + kern + cytoplasma
cytoplasma = celorganellen + cytosol
cytosol = vloeistof tussen organellen
Mitochondriën
Functie : Energie leveren
- Vormen ATP uit ADP
- Enzymen hiervoor nodig: in de granulen
,- ATP = energierijke binding
energie opslaan in een vorm die van de ene naar de andere plaats getransporteerd
kan worden
- Veel mitochondriën in cellen die veel energie nodig hebben
- Atp: universele energiemolecule voor actief transport
- Afhankelijk hoeveel energie cellen nodig hebben, hangt het er ook vanaf hoeveel
mitochondriën er in een cel zitten
3. Neurofysiologie
Het zenuwstelsel: anatomische indeling
- Centraal zenuwstelsel
o Hersenen
o Ruggenmerg
- Perifeer zenuwstelsel: alles wat niet met rug en hersenen te maken heeft
o Afferente zenuwen
o Efferente zenuwen
- Zenuwstelsel = zenuwcellen + gliacellen
o Zenuwcellen = neuronen
o Gliacellen = steuncellen (beschermen, ondersteunen en isoleren van neuronen)
o Hebben ondersteuning nodig van andere cellen= gliacellen ( steuncellen die ons
zenuwcellen afschermen van andere cellen)
1. input: gevoelsneuronen
o Sensorisch afferente neuronen
o Sensor (bv. oog) vangt prikkel op
o Opname + detectie van signalen uit intern (lichaam) en extern (omgeving)
milieu
2. overdracht / geleiding: interneuronen
o Verwerking van de informatie
o Verbinding tussen neuronen onderling
3. output: motorische neuronen
o Motorisch efferente neuronen
o Uitsturen van bevelen naar effectoren (spieren / klieren)
sensorisch motorisch
afferente zenuw efferente zenuw
Werking van het zenuwstelsel: prikkels
1. Mechanisme v/d prikkelgeleiding
1
, A. In rust: membraanrustpotentiaal (MRP)
• alle levende cellen: (trans) membraanpotentiaal (verschil)
• bv.: rustpotentiaal i/e zenuwcel: -70 mV
De actiepotentiaal
Belangrijk:
• duur AP: enkele milliseconden
• AP = alles of niets verschijnsel!!
subliminale prikkel (onder drempelwaarde) geen AP
supraliminale prikkel (drempelwaarde overschreden) wel AP
Prikkelgeleiding
2