Fysica samenvatting PW zomer
Thema 4
Definitie van druk:
De druk p op een oppervlak is de verhouding van de grootte F van de kracht loodrecht op dat
oppervlak tot de grootte A van het oppervlak waarop die kracht werkt: p=F/A
(Deze kracht is heel vaak de zwaartekracht) (F 2=m.g)
Eenheid van druk = 1 pascal (Pa) 1 Pa = 1N/m² 1 bar = 10 5 Pa
druk = p pressure oppervlakte = A area
Om met een bepaalde kracht een oppervlak veel in te drukken, moet de druk groot zijn en de
oppervlakte dus klein.
Om met een bepaalde kracht een oppervlak weinig in te drukken, moet de druk klein zijn en de
oppervlakte dus groot.
Om een grote druk te hebben op een bepaalde oppervlakte, moet de kracht groot zijn. Om een
kleine druk te hebben, moet de kracht klein zijn.
Een gas oefent op elk oppervlak een druk uit omwille van de botsingen van de deeltjes van het gas
tegen dat oppervlak.
De druk van de lucht noemen we de luchtdruk patm of de atmosferische druk
De atmosferische druk op een bepaalde plaats verandert voortdurend en hangt af van de plaats waar
deze gemeten word. De waarde van de atmosferische druk verandert ook met de hoogte.
De gemiddelde waarde van de atmosferische druk op zeeniveau is:
p0 = 1,013 . 105 Pa = 1,013 bar = 1 013 hPa
Dit wordt ook de normdruk genoemd.
Thema 5
De druk die op een vloeistof wordt uitgeoefent, noemen we de druk op een vloeistof. De druk die
gemeten wordt in een vloeistof, noemen we de druk in een vloeistof.
De druk in een vloeistof die het gevolg is van de zwaartekracht, is de hydrostatische druk phydr.
, Druk is een scalaire grootheid.
Als op een hoeveelheid vloeistof een druk wordt uitgeoefend, wordt die druk ongewijzigd in de hele
vloeistof doorgegeven.
Dit is de wet van Pascal voor een vloeistof.
De totale druk p op een diepte h in een vloeistof met dichtheid P vl is gelijk aan:
p = Pvl . g . h + pOP
pop is de druk uitgeoefend op de vloeistof.
In een open, U-vormige buis gevuld met één vloeistof, is het vloeistofniveau in beide buizen even
hoog.
Een voorwerp dat volledig of gedeeltelijk wordt ondergedompeld in een vloeistof, ondervindt een
gewichtsvermindering. Op een voorwerp dat ondergedompeld is in een vloeistof, wordt door de
vloeistof een opwaartse kracht uitgeoefend. Deze kracht noemen we de archimedeskracht.
Een voorwerp waarvan een volume Vond ondergedompeld wordt in een vloeistof met dichtheid Pvl of
een gas met dichtheid Pgas, ondervindt een opwaartse kracht gelijk aan:
FA = Pvl . g . vond of FA = Pgas . g . Vond
Dat is de wet van Archimedes.
Thema 4
Definitie van druk:
De druk p op een oppervlak is de verhouding van de grootte F van de kracht loodrecht op dat
oppervlak tot de grootte A van het oppervlak waarop die kracht werkt: p=F/A
(Deze kracht is heel vaak de zwaartekracht) (F 2=m.g)
Eenheid van druk = 1 pascal (Pa) 1 Pa = 1N/m² 1 bar = 10 5 Pa
druk = p pressure oppervlakte = A area
Om met een bepaalde kracht een oppervlak veel in te drukken, moet de druk groot zijn en de
oppervlakte dus klein.
Om met een bepaalde kracht een oppervlak weinig in te drukken, moet de druk klein zijn en de
oppervlakte dus groot.
Om een grote druk te hebben op een bepaalde oppervlakte, moet de kracht groot zijn. Om een
kleine druk te hebben, moet de kracht klein zijn.
Een gas oefent op elk oppervlak een druk uit omwille van de botsingen van de deeltjes van het gas
tegen dat oppervlak.
De druk van de lucht noemen we de luchtdruk patm of de atmosferische druk
De atmosferische druk op een bepaalde plaats verandert voortdurend en hangt af van de plaats waar
deze gemeten word. De waarde van de atmosferische druk verandert ook met de hoogte.
De gemiddelde waarde van de atmosferische druk op zeeniveau is:
p0 = 1,013 . 105 Pa = 1,013 bar = 1 013 hPa
Dit wordt ook de normdruk genoemd.
Thema 5
De druk die op een vloeistof wordt uitgeoefent, noemen we de druk op een vloeistof. De druk die
gemeten wordt in een vloeistof, noemen we de druk in een vloeistof.
De druk in een vloeistof die het gevolg is van de zwaartekracht, is de hydrostatische druk phydr.
, Druk is een scalaire grootheid.
Als op een hoeveelheid vloeistof een druk wordt uitgeoefend, wordt die druk ongewijzigd in de hele
vloeistof doorgegeven.
Dit is de wet van Pascal voor een vloeistof.
De totale druk p op een diepte h in een vloeistof met dichtheid P vl is gelijk aan:
p = Pvl . g . h + pOP
pop is de druk uitgeoefend op de vloeistof.
In een open, U-vormige buis gevuld met één vloeistof, is het vloeistofniveau in beide buizen even
hoog.
Een voorwerp dat volledig of gedeeltelijk wordt ondergedompeld in een vloeistof, ondervindt een
gewichtsvermindering. Op een voorwerp dat ondergedompeld is in een vloeistof, wordt door de
vloeistof een opwaartse kracht uitgeoefend. Deze kracht noemen we de archimedeskracht.
Een voorwerp waarvan een volume Vond ondergedompeld wordt in een vloeistof met dichtheid Pvl of
een gas met dichtheid Pgas, ondervindt een opwaartse kracht gelijk aan:
FA = Pvl . g . vond of FA = Pgas . g . Vond
Dat is de wet van Archimedes.