Ontwikkelingspsychologie
BASISLES 2
2.1. Perspectieven bij het kijken naar KINDEREN
Meningen over het psychodynamisch perspectief
Wel verdienstelijk!
• Aandacht voor menselijke verlangens
• Aandacht voor bewuste en onbewuste processen
• Aandacht voor het emotionele en irrationele
• Psychologische problemen niet enkel somatisch benaderen
• Erikson belicht positieve ontwikkelingskansen bij de mens + aandeel nature en nurture
in hele levensloop
2.1.6 WAAROM “Welk perspectief is HET juiste?” DE VERKEERDE VRAAG IS
• Andere klemtonen:
− Psychodynamisch: emotie, onbewuste
− Behavioristisch: gedrag
− Cognitief: denken, geheugen en perspectieven
− Systemisch: interactie omgevingsinvloeden
− Evolutionair: biologische factoren
EN-EN: 'everybody has won, and all must have prizes’
Cfr. ‘kaarten’ – psychodynamische theorie: bekijken als grote kaart
Cognitieve theorie: kleiner kaartje – vullen elkaar aan
Eclectische of holistische benadering: bv. CGT
Daarnaast ook Andere perspectieven zoals bv. Humanistisch perspectief,
zelfdeterminatietheorie (ZDT)…
Zie vb. examenvragen in powerpoint
4. De geboorte en het pasgeboren kind
4.3. WAT EEN PASGEBOREN BABY ALLEMAAL KAN
Stelling: WAAR of NIET WAAR
“Baby’s worden hulpeloos en afhankelijk geboren, er zijn
veel dingen die ze niet kunnen.”
Baby’s incompetent?
− Vroeger:
‘Te vroeg’ geboren
Volwassenen als norm: baby’s kunnen niets
− NU: postievere kijk: baby’s WEL competent!
Weent: longen open zetten
Zuigen: zuigreflex
Spijsvertering na voeding
= vergelijking met vb. 20 jarige correct andere levensfase
= hedendaagse psychologie = positief = wat kan wel?
4.3.1 Fysieke vaardigheden
Nieuwe omgeving
− Zelfstandig ademen: automatisch proces
− Reflexen (automatisch, niet-aangeleerd)
Vb. Zuigreflex, rootingreflex of zoekreflex, slikreflex, … = aangeboren reflexen
− Nieuwe voedingsstoffen verteren: moet nog verder rijpen!
,2
4.3.3 HET Leervermogen van DE PASgeborene
A. Klassieke conditionering
Neutrale stimulus met stimulus die een bepaalde reactie uitlokt. Na verloop van tijd roept
stimulus de voormalig neutrale stimulus nu ook de reactie op
− Cf. Kleine Albert (onder leiding van Watson)
− Cf. Proefje aai hoofdje- zoete vloeistof, vlak na de geboorte
B. Operante conditionering
Een vrijwillige respons wordt versterkt of verzwakt, afhankelijk van consequentie
• Baby’s leren doelbewust inspelen op omgeving om gewenst gevolg te bekomen
− Bv. Zuigen om liedje te horen
− Bv. Sokjes met belletjes
C. Gewenning (= habituatie)
Habituatie: afname van reactie op een stimulus na herhaaldelijke blootstelling
• Habituatie een cognitieve activiteit? JA
− Bij presentatie nieuwe stimulus: oriëntatiereactie - deshabituatie
à Kind heeft geleerd de oorspronkelijke stimulus te herkennen en van andere te
onderscheiden
à Problemen met habituatie kunnen duiden op ontwikkelingsproblemen
Vb. Hersenschade door zuurstof gebrek
Vb. Snellere habituatie correleert met hoger IQ
4.3.4 Sociale vaardigheden: REAGEREN OP ANDEREN
• Imitatie:
− Reeds mogelijk vlak na geboorte
− Gelaatsuitdrukkingen als vrolijkheid, verdriet en verbazing
Later onderzoek vinden niet hetzelfde resultaat… welke maten immiteren baby’s dan?:
− Mond openen, tong uitsteken
− Belangrijke basis voor later sociaal gedrag
à Zuigelingen kunnen gedrag beetje imiteren én uitlokken
à Zo kunnen ze een door de volwassene gestarte interactie gaande houden
5. DE Fysieke ontwikkeling IN DE BABYTIJD
5.1. GROEI EN ONTWIKKELING
5.1.1 FYSIEKE GROEI: DE SNELLE SCHREDEN VAN DE BABYTIJD
• Gemiddeld geboortegewicht: 3,5 kg
• Gemiddelde lengte bij geboorte: 50 cm
Eerste twee levensjaren sterke groei!
− Rond 1 jaar: gewicht x 3, lengte +25 cm Ter informatie, niet echt
− Rond 2 jaar: gewicht x 4, lengte +40 cm leerstof
Veranderingen in lichaamsproporties
4 principes van groei
1. Cefalocaudale principe: groei vormt een patroon dat begint met hoofd en bovenste
lichaamsdelen en zich uitstrekt naar de rest van het lichaam
• Bv. zicht sneller ontwikkelen dan stappen
2. Proximodistale principe: ontwikkeling voltrekt zich vanuit het centrum van lichaam
• Bv. romp sneller groeien dan armen en benen
3. Principe van hiërarchische integratie: eenvoudige vaardigheden ontwikkelen
afzonderlijk en onafhankelijk van elkaar maar nadien integratie in complexe vaardigheden
• Bv. oog-hand coördinatie
=> vereist goede oog ontwikkeling, fijne motoriek moet goed ontwikkelt zijn etc
,3
4. Principe van onafhankelijkheid van systemen: verschillende lichaamssystemen kennen
verschillend groeitempo
• Bv. Lichaamsomvang vs. Zenuwstelsel vs. Seksuele rijpheid
5.1.3 INTEGRATIE VAN DE LICHAAMSSYSTEMEN: DE CYCLI VAN DE BABYTIJD
• Ritmen en stadia
− Ritme = zich herhalende, cyclische gedragspatronen
− Gedragstoestand = mate van bewustzijn tijdens interne en externe stimulatie
• Waaktoestanden
• Slaaptoestanden
• Overgangstoestanden tussen waken en slapen
= huilbaby: manier van vrijlating van adrenaline
= cultureel gebonden (vb. Kipsigis baby’s)
5.3.4 GEVOELIGHEID VOOR PIJN EN AANRAKINGEN
Baby’s voelen pijn: agitatie, snellere hartslag, zweten, gezichtsuitdrukkingen,… Veel pijn in
babytijd kan zorgen voor een grotere gevoeligheid aan pijn in volwassenheid
Vroeger: mensen dachten dat heel jonge baby’s niet veel pijn voelden
Nu: zelfs tijdens de zwangerschap kan een baby pijn ervaren
Reacties op aanrakingen
− Tast = manier om wereld te exploreren
Bv. vanaf 6 maanden: alles in mond
− Aanraking veroorzaakt biochemische reacties in lichaam
• Stimuleert groei en positief gemoed
• Onderste ledematen induffelen, zachtjes tikken, masseren
Extra aandacht voor prematuren (bv. kangoeroeën), zieke kinderen, adoptiekinderen,
moeder met post-partumdepressie,…
En ook:
- Ongeboren baby’s kunnen pijn herkennen: vanaf 35 a 37 weken kunnen zij het onderscheid
maken tussen pijn en aanraking
- Baby’s en volwassenen ervaren pijn op ongeveer dezelfde manier. Wel blijken baby’s een
iets lagere pijngrens te hebben dan volwassen mensen.
veel pijn in vroege stadia permanente aanpassing in zenuwstelsel: hoe kwetsbaarder je
later bent voor pijn
vb. chronische pijn op latere leeftijd
5.3.5 MULTIMODALE PERCEPTIE: DE INPUT VAN INDIVIDUELE ZINTUIGEN
GECOMBINEERD
= benadering waarbij gekeken wordt hoe de informatie die wordt opgevangen door
verschillende individuele zintuigen wordt geïntegreerd en gecoördineerd
• Bv. Zien-horen
2 visies:
1. Sensaties reeds geïntegreerd bij neonates?
2. Zintuigen werken eerst afzonderlijk en na ontwikkeling hersenen verder geïntegreerd?
à Dialoog tussen verschillende zintuigen reeds mogelijk bij baby’s van 1 maand
à Betere kennis affordance1 stimuleert ontwikkeling perceptuele vermogens
Affordances in de omgeving zijn van invloed op de exploratiemogelijkheden van het kind
kansen om via actie te leren en te ontwikkelen
belang van de interactie tussen kind en thuisomgeving
fysieke activiteiten stimuleren de cognitieve ontwikkeling
1
= actiemogelijkheden die een bepaalde stimulus of situatie verschaft
, 4
BASISLES 3
6.1 Cognitieve ontwikkeling volgens Piaget
6.1.1 belangrijke elementen van Piagets theorie
Elk levend organisme wordt geboren met twee tendenties: tendens tot
adaptatie en tendens tot organisatie, met doel te komen tot equilibrium en
kwalitatief hoger functioneren.
• Tendens tot adaptatie
Adaptatie = eigenschap om zich aan te passen aan de omgeving
Groei van schema’s.
2 processen:
− Assimilatie
− Accommodatie
• Tendens tot adaptatie
Assimilatie: Het proces waarmee mensen ervaringen interpreteren aan de
hand van hun huidige cognitieve ontwikkelingsstadium en denkwijze
Plaatst nieuwe informatie binnen kaders die we reeds kennen & begrijpen
Accommodatie: Het proces waarmee mensen bestaande manieren van
denken of doen veranderen als reactie op ontmoetingen met nieuwe stimuli
of gebeurtenissen.
Past je denkkader aan door blootgesteld te worden aan nieuwe informatie
= belang van voldoende aanknopingspunten met wat het kind al reeds
weet/kent
Tendens tot organisatie
Aangeboren tendens van elk organisme om eigen processen tot geordende,
samenhangde ghelen te integreren
voorbeeld van deze tendens tot organisatie?
Adaptatie en organisatie zijn complementair
Denk aan de voorbeelden: autorijden, hand-oogcoördinatie, …
Equilibrium
§ Voortdurend streven naar “evenwicht” of equilibrium bij
ontwikkeling
→ ontwikkeling = opeenvolgend evenwicht/onevenwicht
§ “Evenwicht”: tussen het organisme (de cognitieve structuur) en de
eisen van de omgeving
§ Door de complementaire processen van assimilatie en accommodatie
en door interactie tussen adaptatie en organisatie
§ Bereiken van evenwicht = ideaal