Cellen - Wat is fout?
60 nieuwe multiplechoicevragen op basis van de samenvatting
Bij elke vraag staat het antwoord en de reden onmiddellijk eronder.
De oude MCQ-documenten zijn alleen gebruikt als voorbeeld voor vraagvorm en niveau.
Cellen - oefenbundel | 1
,Hoe gebruik je deze bundel?
Dek na het lezen van de antwoordopties eerst de blauwe antwoordregel af. Kies telkens de ene foute
uitspraak. Controleer daarna niet alleen de letter, maar ook waarom de uitspraak fout is.
Hoofdstuk 1 - Opbouw van een cel
1. Welke uitspraak over algemene celeigenschappen is fout?
A. Een cel is door een membraan van de buitenwereld afgescheiden.
B. Cellen kunnen materiaal uit hun omgeving opnemen om te groeien.
C. Alle cellen gebruiken DNA als opslagplaats van erfelijke informatie.
D. Alle levende cellen bezitten een membraanomsloten celkern.
E. Cellen reageren op veranderingen in hun omgeving.
Antwoord: D - Prokaryoten bezitten geen membraanomsloten celkern; hun DNA ligt vrij in het cytoplasma.
2. Welke uitspraak over prokaryote en eukaryote cellen is fout?
A. Eukaryote cellen bevatten membraanomsloten organellen.
B. Prokaryote cellen zijn doorgaans eenvoudiger georganiseerd.
C. Bij eukaryoten bevindt het grootste deel van het DNA zich in de celkern.
D. Prokaryoten hebben een kernmembraan maar geen nucleaire poriën.
E. Beide celtypen hebben een plasmamembraan.
Antwoord: D - Prokaryoten hebben helemaal geen kernmembraan.
3. Welke uitspraak over organellen is fout?
A. Ribosomen synthetiseren proteïnen.
B. Lysosomen bevatten afbraakenzymen en hebben een zuur lumen.
C. Het Golgi-apparaat sorteert en modificeert proteïnen.
D. Het glad ER is bedekt met ribosomen.
E. Mitochondriën leveren ATP via celademhaling.
Antwoord: D - Ribosomen zitten op het ruw ER; het glad ER heeft geen ribosomen op zijn cytosolische zijde.
4. Welke uitspraak over het plasmamembraan is fout?
A. Het bestaat hoofdzakelijk uit lipiden en proteïnen.
B. Het is dynamisch en selectief doorlaatbaar.
C. De glycocalyx bevindt zich aan de extracellulaire zijde.
D. Het laat alle ionen ongehinderd diffunderen.
E. Membraanproteïnen kunnen bijdragen aan adhesie en herkenning.
Antwoord: D - De hydrofobe dubbellaag vormt juist een barrière voor ionen; zij hebben meestal kanalen of
transporters nodig.
Cellen - oefenbundel | 2
, 5. Welke uitspraak over de celkern en ribosomen is fout?
A. Nucleoli spelen een rol bij de vorming van ribosomale subeenheden.
B. Nucleaire poriën regelen uitwisseling met het cytoplasma.
C. De buitenste nucleaire membraan is continu met het ER.
D. Vrije en ER-gebonden ribosomen zijn structureel fundamenteel verschillende ribosoomtypen.
E. Polysomen zijn meerdere ribosomen die tegelijk hetzelfde mRNA vertalen.
Antwoord: D - Vrije en gebonden ribosomen zijn hetzelfde type; hun tijdelijke lokalisatie hangt af van het
gesynthetiseerde proteïne.
Hoofdstuk 2 - Membranen
6. Welke uitspraak over de lipidendubbellaag is fout?
A. Fosfolipiden zijn amfipatisch.
B. Hydrofobe staarten richten zich weg van water.
C. Membraanlipiden kunnen lateraal bewegen.
D. Flip-flop tussen beide lagen gebeurt spontaan zeer snel.
E. De twee membraanhelften kunnen verschillend samengesteld zijn.
Antwoord: D - Spontane flip-flop is zeer traag en vereist in cellen vaak flippasen, floppasen of scramblasen.
7. Welke uitspraak over membraanfluïditeit is fout?
A. Korte vetzuurketens verhogen doorgaans de fluïditeit.
B. Cis-onverzadigde vetzuren verhinderen dichte verpakking.
C. Lange verzadigde ketens verhogen doorgaans de transitietemperatuur.
D. Cholesterol heeft bij elke temperatuur uitsluitend een fluïditeitsverhogend effect.
E. De lipidesamenstelling beïnvloedt de transitietemperatuur.
Antwoord: D - Cholesterol buffert fluïditeit: het beperkt beweging bij hoge temperatuur en voorkomt te sterke
verpakking bij lage temperatuur.
8. Welke uitspraak over membraanproteïnen is fout?
A. Integrale proteïnen kunnen de dubbellaag overspannen.
B. Perifere proteïnen zijn vaak niet-covalent aan het membraan gebonden.
C. Lipideverankerde proteïnen zijn via een lipidegroep aan het membraan gekoppeld.
D. Alle membraanproteïnen bewegen onbeperkt over het volledige celoppervlak.
E. Transmembraandomeinen bevatten vaak hydrofobe aminozuren.
Antwoord: D - Diffusie kan worden beperkt door cytoskelet, junctions, extracellulaire matrix of
membraandomeinen.
Cellen - oefenbundel | 3